Duitse monetaire unie laat de rente stijgen

AMSTERDAM, 7 febr. - Na een weinig inspirerende verslagweek, waarbij de geldmarktrente over de gehele linie zo'n een zestiende tot 1/8 8 procent daalde, kwam er gisteren weer wat leven in de brouwerij. Allereerst steeg de rente iets na een onverwachte toeneming van het geldmarkttekort. Bij de toewijzing op de lopende speciale belening, afgelopen vrijdag, werd al rekening gehouden met een groter geldmarkttekort. De belening was ruim f. 6,5 miljard groter dan de vorige. Dit was echter niet voldoende. De groter dan verwachte belastingafdrachten aan de staat vormden de voornaamste oorzaak van het gestegen geldmarkttekort. In de weekstaat wordt dit geillustreerd door een toeneming van het saldo van de schatkist met zo'n f. 7 miljard. Naast een groter geldmarkttekort waren er twee andere voor de Nederlandse geldmarkt relevante gebeurtenissen. Onzekerheid over de uitkomst van de veiling van Amerikaans staatspapier en de onzekerheid ten aanzien van het monetaire beleid van de Fed leidden tot een oplopende Amerikaanse lange rente, waarvan ook Nederland en West-Duitsland de gevolgen ondervonden. De geldmarktrente kon zich niet onttrekken aan deze opwaartse beweging van de lange rente.

Hiernaast was er het voorstel van bondskanselier Kohl om zeer spoedig te komen tot een Duitse monetaire unie. Dit resulteerde in een aanzienlijke Duitse rentestijging, voornamelijk op de kapitaalmarkt. Angst voor ondermijning van de D-mark en inflatie waren de achterliggende oorzaken. In reactie op de hogere Duitse rente liepen vanmorgen ook de Nederlandse rentetarieven verder op. De vraag rijst waarheen deze politisering van de wisselkoers moet voeren. Het door de politici genoemde doel, een einde maken aan de exodus van 2000 Oostduitsers per dag, zal met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet door de geldzuivering worden bereikt, omdat de economische voorwaarden daarvoor blijven ontbreken. Onder meer het huidige produktiviteitsverschil tussen de Oostduitse en de Westduitse werknemer (geschat op 50 procent) wordt er niet door weggenomen. Dit betekent dat de loonprikkel om van Oost naar West te migreren blijft bestaan. Niet een monetaire maatregel als de geldzuivering en het uit de circulatie halen van de oost-mark moeten zorgen voor een eind aan de uittocht van Oostduitsers, maar maatregelen die zorgen voor een opbouw van de economische infrastructuur in de DDR. Dit is echter een proces van langere adem, die de politiek in het zicht van de verkiezingen niet blijkt te bezitten. Mochten de politici onverhoopt slagen in een spoedige vorming van de Duitse monetaire unie, dan wordt de Bundesbank opgescheept met een nieuwe bestedingsimpuls, die haast onherroepelijk tot een verdere monetaire verkrapping zal leiden. Bron: NMB Bank

    • Weekstaat der Nederlandsche Bank