Voor de gewone Pool is er niets veranderd

WARSCHAU, febr. - De Polen houden zich rustig: uit Polen geen nieuws, weinig nieuws, kleine kruimels in de krant, kleine berichten: een partij transformeert zich, er staken wat arbeiders, er wordt gewerkt aan nationale en internationale economische programma's, de melancholieke premier bezoekt Straatsburg, Brussel. De Polen halen er de voorpagina's niet meer mee. Als er in Oost-Europa iets gebeurt, dan elders. Niet in Polen. De Polen houden zich stil, ze hebben zeker tijd nodig om de desastreuze prijsverhogingen te verwerken. Maar zo is het niet: onder de oppervlakte van de kleine berichten gist het in Polen. Er is meer dan een economische crisis, meer dan inflatiecijfers en de ontmanteling van monopolies en de langzame opkomst van een privesector. Want de Polen kampen niet slechts met een diepe economische crisis, ze kampen ook, meer nog misschien wel, met een morele crisis.

De Polen zijn, sinds ze in juni vorig jaar in vreugdevolle eensgezindheid de communisten met een trauma opzadelden en Solidariteit aan de macht hielpen, in een zwart gat gevallen. Niet rust bepaalt het beeld, maar interne verwarring. Niet opluchting, maar onzekerheid. Onzekerheid was er niet onder het vorige bewind. Toen waren de regels duidelijk, de sancties duidelijk, de marges klein. Iedereen wist zijn plaats in het systeem. Sommigen geloofden in dat systeem. Wie dat niet deed, conformeerde zich, paste zich aan. En wie ook dat weigerde wist welke consequenties dat had. Zij, of hun kinderen, werden van de universiteit gestuurd, ze werden ontslagen of naar een lagere functie overgeplaatst, ze werden lastig gevallen, gepest, in de ergste gevallen opgepakt en veroordeeld. Duidelijke regels, duidelijke sancties: zekerheid. Weggevallen En nu? Er is een ideologie weggevallen. Er is open ruimte, de parameters zijn verdwenen, de criteria veranderd. Er zijn geen vaste regels meer, net zoals er geen vaste prijzen meer zijn. Plotseling, zo hebben de Polen ontdekt, is er niemand meer verantwoordelijk. Er is geen 'zij' meer die ze de schuld kunnen geven voor wat hun overkomt.

En dat veroorzaakt innerlijke verwarring en destabilisatie. De regering is moreel beloond: de dissidenten van vroeger zijn ministers geworden, hoofdredacteuren, televisiesterren, woordvoerders en parlementariers. En omdat zij verstandig zijn, en vrome katholieken bovendien, hebben ze de Polen, wetend dat een bijltjesdag niet ethisch is en een instabiliteit in de hand werkt die Polen zich niet kan veroorloven, opgeroepen het verleden te vergeten, het hun aangedane kwaad te vergeven en verder naar de toekomst te kijken: dat is het beste. Gekwetst Maar de gewone Pool denkt niet zo. Voor de gewone Pool is er niets veranderd. Hij heeft jarenlang, vijfenveertig jaar lang, toneel moeten spelen en zich aan moeten passen aan een systeem dat voor hem de regels bepaalde. Hij heeft zichzelf moeten verkopen. Hij is, als hij zich verzette, gestraft. Hij heeft, zo zei onlangs de psychologe Zofia Milska- Wrzosinska in Gazeta Wyborcza, het blad van Solidariteit, afstand moeten doen van interessant werk, macht, geld, connecties, een goede opleiding en mogelijkheden, zijn ambities zijn niet waargemaakt en zijn waardigheid is geschonden: hij is gekwetst, hem is leed aangedaan. Die gewone Pool heeft gezien hoe zijn buurman, de man met minder scrupules, de man die hem het leed aandeed, daar materieel beter van is geworden. Zijn kinderen zijn niet van de universiteit gestuurd en hij heeft wel promotie gemaakt, hij heeft van het systeem geprofiteerd. En hij profiteert nog steeds: hij wordt immers niet gestraft, hij heeft vuile handen maar hij houdt zijn goede baan en zijn hoge inkomen. En daar zit die gewone Pool dan met zijn zuivere geweten. Hij moet van binnen van staal zijn om daar tegen te kunnen, of hij moet een heilige zijn. Milska-Wrzosinska citeerde in Gazeta de Russische dichteres Anna Achmatova: er zijn twee Ruslanden zijn die elkaar in de ogen moeten zien, het Rusland dat in de Goelag is gezet en het Rusland dat dat heeft gedaan. Milska-Wrzosinska: 'In Polen wordt die confrontatie vermeden.

We hebben een regering met Solidariteit en de communisten, geaccepteerd door Solidariteit en de communisten. Dat is een schizofrene situatie, de prijs die we betalen voor het vermijden van het bloedbad. Temeer omdat de wonden nog niet zijn geheeld. De staat van beleg van 1981 was de grootste vernedering. De samenleving werd in het gezicht geslagen zonder de kans te krijgen te reageren: een onnodige explosie van kwaadaardigheid. Die staat van beleg is nog geen litteken, is nog een wond. En hoe dieper je bent vernederd, hoe moeilijker de vergeving.'

Wojciech Eichelberger, psycholoog en Polens meest prominente psycho-therapeut, krijgt dagelijks met de slachtoffers te maken. 'Er is geen beloning geweest voor wie zich verzette tegen de leugens en het geweld, voor wie zijn vrede en veiligheid op het spel heeft gezet om mogelijk te maken wat er is gebeurd. De Polen hebben hun overwinning niet beleefd. Er is geen wonder gebeurd.'

Mystificaties Psychologisch gesproken, zegt hij, is een vergeving niet mogelijk: 'Dat is iets onvoltooids, dat is unfinished business. Je hoeft de mensen die je dat leed hebben aangedaan niet op te hangen. De huidige macht moet alleen een gebaar maken naar de mensen die zich gekwetst voelen, moet duidelijk maken dat verzet goed was, moet zeggen: de communisten waren fout, ze moeten gaan, ze mogen niet meeregeren. Er moet een gevoel van sociale rechtvaardigheid zijn'.

'In plaats daarvan doen we alsof we een democratie zijn - wat we niet zijn. We doen aan mystificaties. Dat hebben we altijd gedaan, we deden altijd alsof we geloofden wat de regering en de kranten zeiden. Kijk naar de communisten die sociaal-democraten worden. Ook een mystificatie. Het is moeilijk te begrijpen wat de mensen veertig jaar psychologisch hebben doorgemaakt. Het doen alsof.

Mystificeren. Die houding is diep geworteld.'

Er is nog iets anders, zegt Eichelberger: 'Het wegvallen van de ideologie heeft een leegte veroorzaakt. Het communisme is gecompromitteerd. Er is geen solidariteit als ideologie. We waren vroeger een omdat we een gemeenschappelijke vijand hadden. Die is er niet meer. Wat is er wel? Vergeving, pluralisme en de markt. Dat is ideologisch nogal armzalig. De Polen zijn de weg kwijt. Ze weten niet waarvoor ze leven, waarvoor ze elke dag wakker worden. Nog een mystificatie: de beloningen van de vrije markt die 'om de hoek liggen te wachten'. Wel, als je ze niet krijgt voel je je bedrogen. En de markt is ook geen substituut voor een ideologie, een ideologie is een waardensysteem, is iets immaterieels'.

De verdwijning van het oude systeem heeft geleid tot een verdwijning van het zelfrespect bij miljoenen, bij iedereen die zich in het verleden aan het systeem heeft aangepast. Eichelberger: 'Dat leidt tot agressie tegen degenen die hem dat hebben aangedaan, degenen die hem hebben bedrogen. En die mensen moet je nu vergeven! Aanpassing aan dat proces leidt tot een soort implosie en tot depressie, en dat is op grote schaal merkbaar'.

Vooral bij de jeugd. 'Vroeger', zegt Eichelberger, 'was vandalisme een daad van protest, de enige manier om de communisten te bestrijden. Er is nog steeds vandalisme, maar nu is het zinloos geworden. Vandalisme is nu een uiting van die implosie geworden. De jeugd is kwaad. Jongeren voelen zich verwaarloosd, aan zichzelf overgeleverd, met al hun problemen, met hun gebrek aan ideologie, hun gebrek aan identificatie met de rest van de samenleving, en ze reageren door zich vreemd te gedragen: ze verstoren voetbalwedstrijden, ze sluiten zich bij vreemde fascistische groepen aan, bij religieuze en pseudo-religieuze sekten, satanische bewegingen, de skinheads. Dat heeft niet met ideologie te maken maar alles met onderdrukte woede.'

De jeugd, zegt Eichelberger, voelt zich bedrogen door de ouderen. 'De regering bekommert zich niet om de jongeren, die zijn maar lastig. Maar die jongeren hebben, hoewel zelf onschuldig, wel een verwoest land geerfd, chaos, uitzichtloosheid, gebrek aan de simpelste dingen, woningnood, milieuvervuiling, de hele ramp.'

Het is voor de jeugd onmogelijk zich te identificeren met de huidige machthebbers. Dat hebben ze een keer gedaan: in 1980 en 1981. Toen geloofden ze in de macht en de mensen van Solidariteit - om in december 1981 te merken hoe Solidariteit als een kaartenhuis ineenstortte. Nadien, tijdens de staat van beleg, is het verzet geen zaak van de jeugd geweest maar een zaak van de generatie van dertig tot vijftig. Speurtocht Onder de oppervlakte van de kleine berichten in de kranten, het nog-net-nieuws en het net-geen- nieuws uit Polen, spelen zich riskante processen af. 'De mensen beginnen boos te worden, op zichzelf. Dat leidt tot een speurtocht naar zondebokken, en dat is een gevaarlijk spel, omdat het altijd eindigt bij de joden of een ander makkelijk slachtoffer.' De Polen, zegt hij, zijn wantrouwig geworden tegenover een regering die alleen maar vergeeft, die niet zuivert, die de andere kant niet veroordeelt. 'De mensen weten niet meer waar ze met hun woede heen moeten. En dat kan gevaarlijk zijn, het kan ons in de richting van nationalisme, fascisme, extremisme brengen, naar een dogmatische ideologie die teleurgestelde, boze of kwetsbare mensen aantrekt.'

Zofia Milska-Wrzosinska, in Gazeta: 'De mensen hebben zich ingevroren.

Maar je kunt je niet gedeeltelijk invriezen. Je kunt niet onverschillig staan tegenover een domme chef of vervuilde lucht en tegelijkertijd open staan voor constructieve strijd op een ander gebied. De mensen hebben hun contacten met de buitenwereld beperkt, ze zijn passief en apathisch en teruggetrokken. Voor een opleving moeten ze hun toevlucht nemen tot kunstmatige stimulansen als drugs en alcohol. De regering zegt: vergeet en vergeef. Ze straft niet. Maar het is een illusie te menen dat als je niet straft, de haat verdwijnt. Daarom is voor de gewone Pool niets veranderd.'