Serviers: Albanezen zijn 'Turken'

PRISTINA, 6 febr. - Een angstspychose is het niet, maar wel is duidelijk dat de Servische en Montenegrijnse bewoners van de provincie Kosovo leven onder een voortdurende en soms ondraaglijke spanning.

Dag in dag uit heeft de Slavische minderheid van de provincie (ongeveer 200.000 mensen op 1,8 miljoen Albanezen) te maken met openlijke of verborgen uitingen van haat van Albanese kant. Die haat ontlaadde zich de afgelopen twee weken in de demonstraties tegen de overheersing van de republiek Servie over Kosovo, wat de verhouding tussen de bevolkingsgroepen er niet beter op heeft gemaakt. De situatie in Kosovo kan misschien nog het best worden vergeleken met die in een stadsbuurt waar in de loop van de tijd steeds meer allochtonen komen wonen. In Kosovo is niet zo zeer sprake van een grote toevloed van Albanese immigranten - hoewel die er ook zijn - maar eerder van een steeds grotere bevolkingsdruk door de hoge geboortecijfers onder de Albanezen. Onder die druk zijn veel Serviers en Montenegrijnen de afgelopen decennia bezweken. Zij verlieten - zoals dat ook in een stadsbuurt met veel emigranten gebeurt - hun geboortegrond en zochten hun toevlucht in Belgrado of andere Servische steden. Jovanka Uzelac, de 61-jarige waardin van het bife, een soort wegrestaurant, in het plaatsje Milosa, weet daarvan mee te praten.

'We hebben hier ons kapitaal opgebouwd, een cafe, een winkel, een zelfbediening, maar wat heb je eraan als je kinderen allemaal zijn vertrokken?' Met haar grijze achterovergekamde haar, een bruine geruite bloes die over haar bruine rok hangt en haar stentorstem die door het cafe schalt, maakt Jovanka duidelijk dat het Servisch grondgebied is waar we op staan. 'Nee, Turkse koffie verkoop ik niet, want de Turken zitten me tot hier', zegt ze terwijl ze de hand boven haar hoofd houdt. 'Hier kun je alleen echte Servische koffie krijgen' - die overigens qua bereidingswijze in niets van de Turkse verschilt. Aan de muur hangt niet het gebruikelijke portret van Josip Broz Tito, maar een levensgroot kleurenportret van de Servische president Slobodan Milosevic, omgeven, als betrof het een heilige, met takken eikenloof. Omdat de huurauto waarmee we zijn gekomen uit Ljubljana afkomstig is, heerst aanvankelijk achterdocht in het cafe, maar die wijkt snel als blijkt dat we buitenlanders zijn. 'Je moet het opschrijven zoals het hier is. De kranten maken nu wel grote ophef over die twintig omgekomen Albanezen, maar over de honderden Serviers die hier de afgelopen jaren zijn vermoord hoor je niets', zegt Jovanka.

Volgens haar heeft de Slavische minderheid in Kosovo voortdurend te leiden onder fysieke aanvallen van de Albanezen, onder verkrachting, brandstichting, kortom regelrechte terreur waardoor de Serven hun leven niet zeker zijn. 'Ik moet mezelf hier verdedigen met een geweer ook al waakt de militie dag en nacht', zegt zij. Het beeld dat Jovanka schildert van de Albanese bevolkingsgroep is dan ook weinig flatteus: 'Als de staat hier iets opbouwt voor het eigen bestwil van de Albanezen wordt het steeds weer vernield. Ze maken het kapot of ze stelen alles wat maar losgemaakt kan worden. Het is een schande zoals die mensen leven, ze hebben vijftien kinderen die ze niet eens kunnen voeden, laten ze teruggaan naar Azie waar ze vandaan komen!' Moreel recht Dat de Albanezen, overigens afstammelingen van de Illyriers, een volk dat tijdens Alexander de Grote ten noorden van Griekenland leefde, wil er bij Jovanka niet in: dat de Albanezen eeuwenlang door de Turken zijn overheerst en sterk door hen zijn beinvloed is voor haar genoeg om hen naar Azie te willen verbannen. Bitter is ze ook over de Joegoslavische regering en de andere deelrepublieken.

'De Slovenen hebben ons in de steek gelaten. Miljoenen Serviers zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog omgekomen, terwijl de Slovenen bijna niemand hebben verloren.' Datzelfde argument wordt aangevoerd door Zarko Mitric, een 32- jaar oude brandweercommandant bij de spoorwegen, die weliswaar in Belgrado woont maar zijn jeugd heeft doorgebracht in het plaatsje Istok in het westen van Kosovo. Ook hij voert aan dat Servie op grond van de rol die het in de oorlog speelde het morele recht heeft om zijn stempel te drukken op het huidige Joegoslavie. 'De Serviers zullen nooit een meter grond van Kosovo afstaan. We hebben er eeuwenlang voor gevochten. Alle Servische tradities, onze cultuur, de graven van onze helden liggen daar. In Kosovo ligt onze ziel', zegt Mitric. 'We willen er best samen met de Albanezen leven, maar het mag nooit zo worden dat zij er alleen wonen. In 1940 was de verhouding ongeveer fifty-fifty en zo zou het nu weer moeten worden.'

President Milosevic heeft zaterdag met een groep van ongeveer vijftig Servische en Montenegrijnse zakenmensen en intellectuelen vergaderd over de te volgen strategie. Zijn doel is Kosovo opnieuw met Slaven te bevolken en verder te ontwikkelen.

De vijftig hebben beloofd naar Kosovo terug te keren om 'door hun werk en ervaring bij te dragen aan de strijd voor het op orde brengen van de situatie in de provincie', zoals het heet. De vraag is alleen of de Servische republiek zo veel geld zal kunnen opbrengen om de maatschappelijke infrastructuur van Kosovo weer zo ver op te vijzelen dat Serviers bereid zijn in het gebied te gaan wonen. De industrie is er immers bijna per definitie verliesgevend omdat de nationaliteitsgeschillen tot bijna permanente arbeidsonrust leiden; de steden hebben weinig van het vertier en de glamour die de noordelijke steden kunnen bieden en de landbouw is nog het meest kwetsbaar voor de etnische onrust, getuige de tienduizenden boeren die Kosovo de laatste tien jaren hebben verlaten onder bedreigingen en erger van de Albanezen. Gisteren zei Milosevic dat Servie 'genoeg heeft van het verraad en de vernedering en niet zal instemmen met een compromis in Kosovo'.

Er zullen, aldus de president, Serviers naar de provincie worden gestuurd 'om er zeker van te zijn dat geen centimeter Servisch land zal worden veroverd'.

Gewelddadig 'Bij ons', zo vertelt brandweerman Zarko Mitric, 'was de sfeer echt gewelddadig. Mijn vader is een keer aangevallen en toen hebben we ze duidelijk gemaakt: als jullie ons huis in brand steken dan doen we hetzelfde met dat van jullie.' Mitric gelooft, zoals zoveel Serviers, dat de problemen met de Albanezen zijn begonnen door de grondwet die Tito in 1974 invoerde, waardoor Kosovo een autonome status verkreeg ten opzicht van Servie. Die autonomie is door toedoen van Milosevic inmiddels grotendeels teruggedraaid. 'Kosovo is geen probleem van Servie', vindt Mitric, 'maar van heel Joegoslavie. De Albanezen zouden moeten worden behandeld zoals alle andere nationale minderheden die er in dit land zijn. Die mogen allemaal rechten hebben zoals culturele en andere, maar geen politieke. Welke andere minderheid beschikt er zoals de Albanezen over een eigen universiteit en een eigen Academie van Wetenschappen?' Volgens Mitric zijn van de huidige crisis vooral de Joegoslavische politici en de Albanese ouders de schuld die hun kinderen de straat op hebben gestuurd om de militie uit te dagen. De situatie is heel emotioneel. Je kunt van jezelf niet meer voorspellen hoe je gaat reageren, gelooft Mitric. Hij is weinig optimisch over de afloop. Tot dusver zijn er steeds maar halve oplossingen geweest waarbij de centrale staat zich opstelde als een soort voogd van Servie. Het nationaliteitenvraagstuk in de Balkan is volgens Mitric natuurlijk meer dan 40 jaar weggedrukt, ontkend door het communisme. 'Bratstvo - jedinstvo (broederschap - eenheid), de leus waaronder Tito de Joegoslaven heeft verenigd? Bratstvo - ubistvo (broederschap - moord) zul je bedoelen! Joegoslavie heeft een consensus nodig, we moeten eindelijk eens af van die verschillende republieken en werken aan een eigen Joegoslavische identiteit', zo besluit Mitric.

    • Frits Schaling