Pret

Een vooraanstaand Amerikaans geleerde schetst een toekomstbeeld. Hoe ver hij in de toekomst kijkt, dat verzwijg ik nog even, om u niet te doen schrikken. De microchirurgie heeft een hoge graad van perfectie bereikt. Een robot snijdt met kleine handige vingertjes een plakje uit uw hersenen. Niets om u zorgen over te maken, want u bent verbonden met een computer. De bewustzijnsinhouden die in het verwijderde hersendeel zijn opgeslagen, worden onmiddellijk gesimuleerd door een programma dat in de computer wordt opgenomen. Door een knop in te drukken regelt u zelf het tempo van de operatie. U drukt in, de robot snijdt. U laat los en merkt geen enkel verschil. Wat uit de hersenen verdwenen is, wordt door de computer overgenomen.

Opgelucht drukt u de knop weer in. Laag na laag wordt nu uit uw hersenen weggesneden en verdwijnt door de afzuigkap naar de vuilnisstortplaats. Het mes van de robot heeft nu de hersenstam bereikt.

Uw hersenpan is leeg, maar uw bewustzijn is geheel intact, de loop van uw gedachten is tijdens de operatie zelfs niet onderbroken. De robot trekt het mes terug. Uw lichaam schokt en sterft. Uw 'ik' heeft een nieuw lichaam gekregen, het computerkastje. Het is een lichaam waarvan het model, de kleur en het materiaal geheel aan uw keuze beantwoorden. De geleerde die deze scene schetst als een aantrekkelijk toekomstbeeld is Hans Moravec. Hij is directeur van het Mobile Robot Laboratory van de Carnegie Mellon universiteit. Zijn boek Mind Children: The Future of Robot and Human Intelligence, is uitgegeven door de Harvard University Press, die gewoonlijk geen grappenmakers aan het woord laat. Ik heb het boek niet gelezen, ik ga af op de recensie van de natuurkundige Roger Penrose, die in de New York Review of Books van 1 februari stond. Misschien doe ik de robotman daardoor onrecht, maar dat denk ik niet. Hoe lang hebben we nog te gaan voor we in het computerlichaam kunnen worden opgeborgen? Het zal u misschien verbazen, maar de bescheiden schatting die Moravec maakt is veertig jaar. Dan zullen de computers equivalentie met het menselijk brein hebben bereikt. De volgende stap, naar een toestand waarin ze miljarden malen gecompliceerder en krachtiger zullen zijn, is in verhouding klein. Moravec heeft voor die tijd nog een aardig nieuwtje in petto. Niet alleen de levende mensen zullen computer-gesimuleerd kunnen worden, maar ook de dode. Door een nauwkeurige reconstructie van alle bekende historische feiten zullen figuren uit de geschiedenis weer tot leven gebracht kunnen worden, tot vermaak van de computers.

'Fun' zal het zijn. Dat woord gebruikt Moravec vaak. Een traditioneel denker zou lijkbleek van ontzetting zijn als hij de verschrikkelijke dingen aan zou kondigen die Moravec voor de gewoonste zaak van de wereld houdt. Het einde van de mensen zoals wij ze kennen, binnen veertig jaar. Het oproepen van de doden uit hun graf. Moravec zegt: the fun has just begun. Het is alsof Wammes Waggel de atoombom in zijn handen heeft en giechelend roept: wat enigjes, dat zal me een knal geven! Het valt iedere keer weer op dat de toekomstperspectieven van de voorvechters van de kunstmatige intelligentie iets buitengewoon kinderachtigs hebben. De computer zal superieur worden aan de mens en zijn rol overnemen. Hoe stelt men zich dat voor? Over het algemeen alsof er eigenlijk niets verandert. In de meeste beschrijvingen van de computers van de toekomst ontwikkelen ze een nog koortsachtiger activiteit dan de mensen die hun voorgangers waren.

Waarom eigenlijk? Ze hebben bewustzijn, emoties en verlangens, maar het is toch merkwaardig om aan te nemen dat het precies dezelfde verlangens als die van de mensen zullen zijn. Houden ze van rijden in een snelle trein, van zwemmen, hebben ze een groot huis nodig om in rond te wandelen en willen ze veel en lekker eten? Nee, het is niet goed mogelijk om te bedenken waarom de computers ook maar enige activiteit zouden ontwikkelen.

Het is ook niet goed voor te stellen waarom er meer dan een computer zou zijn. Verspreid over de wereld zouden ze zich zeker door telefoondraden met elkaar verbinden. Belachelijke verspilling. De computers zouden het niet nodig hebben om als een soort imitatiemensen over de aardbol te krioelen. Er zou er slechts een zijn, die niets zou doen. Een zoemende Boeddha, tevreden met zijn rijke gedachtenleven, met slechts een paar bewegende delen om de elektriciteitsvoorziening te waarborgen. Als je het zo ziet besef je ook dat de aanwezigheid van deze superieure geest voor de mensen weinig uit zou maken, omdat hij de wereld toch niet zou veranderen. De supercomputers van de toekomst worden over het algemeen beschreven als een soort Griekse goden. Eigenlijk net mensen, alleen veel knapper. Het is een achterlijk beeld en het zou realistischer zijn om ze te zien als een moderne god, die niet ingrijpt in de wereld. Maar dat is moeilijk en het zou de pioniers van de kunstmatige intelligentie een ongemakkelijk gevoel van zinloosheid kunnen geven.

Ze zouden geconfronteerd worden met de klassieke kindervraag: Waarom is het zo prettig in de hemel. Wat doen we daar eigenlijk, kunnen we daar altijd limonade drinken? De speculaties over de supercomputers kunnen met recht kinderachtig worden genoemd, maar de vraag of Moravec misschien toch gelijk heeft is daarmee nog niet beantwoord. Heeft de gedachte dat de computers ons voorbij zullen streven enige grond? Ik denk dat Europeanen daar over het algemeen anders over zullen denken dan Amerikanen, voor wie op de weg van de vooruitgang geen obstakel onoverkomelijk is. Roger Penrose, die het boek van Moravec besprak, is een Engelsman en hij gelooft er niet in. Ik ook niet. De discussie komt me even vreemd voor als die in de achttiende eeuw over de vraag of klokken en automaten een bewustzijn konden hebben. Het is een wat griezelige gedachte dat er een grote groep mensen is die er wel in geloven. Zeer verstandige mensen. Directeuren van laboratoria en universitaire instituten.

Blakend van energie en bulkend van het lachen werken ze aan publikaties waarin ze het einde van het menselijk ras binnen veertig jaar voorspellen en tegen elkaar roepen ze: de pret is pas begonnen!

    • Hans Ree