Gesubsidieerde journalistiek kan misschien wel

Er zijn nogal wat misverstanden gerezen over het plan voor een stimuleringsfonds voor journalistieke projecten. Een informeel samengesteld groepje journalisten, onder wie de schrijvers van dit stuk, heeft dat idee onlangs voorgelegd aan de minister van WVC. Vervolgens ontstond er een merkwaardige discussie - ook in deze krant - die nauwelijks meer iets te maken leek te hebben met het plan zoals wij dat formuleerden maar die vooral gebaseerd leek op vage berichten in de pers, op vermoedens of zelfs geheel op fantomen van eigen makelij. Daarom willen we proberen in kort bestek een paar van de belangrijkste misverstanden weg te nemen. Aan het idee voor dit fonds ligt de gedachte ten grondslag dat er een journalistiek genre bestaat dat in Nederland nauwelijks tot zijn recht komt, en wel de 'Grosse Reportage', het lange journalistieke essay.

Het gaat daarbij om een grondig onderzoek naar maatschappelijke verschijnselen in heden of verleden dat zich enerzijds onderscheidt van het werk van een sociaalwetenschappelijk onderzoeker, door een grotere vrijheid van methode, vaak een persoonlijker benadering en in elk geval een toegankelijker manier van presenteren en dat anderzijds verschilt van de doorsnee dag- en weekbladjournalistiek door een minder vluchtige en op incidenten gerichte aanpak. Een dergelijk werkstuk zal gezien zijn omvang vaak in boekvorm verschijnen, soms zal een dag- of weekblad het ook - zonodig in afleveringen - willen publiceren. In geen geval gaat het louter om het onthullen van een financieel of politiek schandaal; het is een aanvulling op - en geen vervanging voor het werk van de dagbladjournalist. Het genre dat wij bedoelen staat elders volop in bloei en levert dan vaak waardevolle bijdragen aan het openbare debat. Wie wel eens een Amerikaanse boekhandel is binnengestapt heeft er boeken zien liggen over een reeks van onderwerpen, varierend van de neergang van de Amerikaanse auto-industrie tot het ontstaan van de AIDS-epidemie of de wonden die de Vietnam-oorlog heeft geslagen. Stuk voor stuk uitstekend geschreven, het werk van journalisten die langere tijd, vaak zelfs een paar jaar, aan hun onderwerp hebben kunnen besteden. In plaats van de drie of vier vraaggesprekken die het gemiddelde dagbladartikel al een aura van grote doorwrochtheid verlenen, liggen er soms drie- of vierhonderd gesprekken, uitgebreide bronnenstudie en maanden schrijfwerk ten grondslag aan zo'n boek.

Taalgebied

Waarom komt iets dergelijks niet of nauwelijks in Nederland tot stand? Het antwoord op die vraag begint en eindigt met ons beperkte taalgebied. Amerikaanse uitgevers kunnen het zich veroorloven de kosten van zo'n journalistiek onderzoek te dragen omdat zelfs bij een relatief geringe belangstelling voor het eindprodukt de oplage in absolute cijfers nog hoog kan zijn. Bovendien onderhoudt dat zelfde grote taalgebied een aantal tijdschriften - zoals The New Yorker, The Atlantic Monthly, in zekere zin ook The New York Review of Books - die journalistiek werk van langere adem financieren en publiceren. In Nederland hebben de algemene literaire bladen vaak nog wel de plaatsruimte, maar zelden of nooit het geld om auteurs van dit soort grondige journalistieke stukken te kunnen honereren. Voor literaire bijdragen kan men eventueel uit de daartoe bestemde fondsen putten, voor de zogenaamde non-fictie bestaat helemaal niets. Het eerste bezwaar tegen een door de overheid gesubsidieerd fonds voor dit soort journalistiek kan simpel samengevat worden: 'Als er niet voldoende vraag naar is, dan hoeft het ook niet'.

Ofwel: de overheid hoeft niet in te grijpen in zaken die al door de vrije markt geregeld worden. We vinden dat voor Nederland een onzinnig argument. De overheid doet dat op allerlei gebied immers allang. Op het gebied van, bijvoorbeeld, de wetenschappen en helemaal op het gebied van de kunsten. Er zijn talrijke artistieke produkten en produkties die winst maken - bijvoorbeeld het werk van Rien Poortvliet en het Theater van de Lach. Toch heeft de staat der Nederlanden besloten dat er ook andere schilderijen, ander theater, andere film, andere muziek en andere literatuur moet kunnen worden gemaakt, zelfs als het daarvoor nodig is op elke stoel in schouwburg- of concertzaal een stapel bankbiljetten te leggen en museumsuppoosten op rijkskosten van een pet te voorzien. Onafhankelijkheid In het verlengde van het eerstgenoemde bezwaar ligt de gedachte dat de overheid weliswaar cultuuruitingen mag subsidieren, maar dat de media daarvan uitgezonderd moeten zijn omdat anders hun onafhankelijkheid wordt aangetast. Hiertegen zijn twee argumenten aan te voeren. Het eerste is nogal praktisch: waartegen hier bezwaar wordt gemaakt, gebeurt allang. Radio en televisie worden voor een groot deel via de overheid bekostigd, zonder dat dit afdoet aan de betrouwbaarheid van deze media. Daarnaast is er nog een speciaal Stimuleringsfonds voor culturele produkties, programma's dus waarvoor omroepen als het aan hen alleen lag niet genoeg geld zouden overhebben. Voor dit jaar beschikt dit fonds over een bedrag van 32 miljoen gulden. Als het gaat om het geschreven woord springt de overheid bij via het Bedrijfsfonds voor de pers. Kranten die op eigen kracht niet kunnen overleven omdat het lezerspubliek kennelijk te klein is, krijgen daaruit extra geld. Kranten als De Groene Amsterdammer, de Haagse Post en De Waarheid werden de afgelopen jaren op die manier door de regering-Lubbers gesteund, zonder dat het in ook maar in iemands hoofd is opgekomen de aldaar werkzame collega's ervan te betichten dat zij in die tijd het woord spraken van degenen die hun brood verstrekten. Nu gaat het bij deze drie ondernemingen om noodlijdende bedrijven die anders het hoofd niet boven water zouden kunnen houden.

Maar wat te denken van het Telegraaf-concern, Sijthoff Pers en de NDU/Perscombinatie, stuk voor stuk goed renderende ondernemingen die niettemin jaar in jaar uit de hand ophouden zodat hun aandeelhouders niet lijden onder de minder goed draaiende concern-onderdelen Het Nieuws van de Dag, Het Binnenhof en Het Vrije Volk? Zelden hoort men de bij deze bedrijven werkzame journalisten protesteren tegen de afhankelijke opstelling van hun directies. Integriteit Wie of wat beschermt de onafhankelijkheid van de journalist? Allereerst wordt die beschermd door zijn eigen integriteit. Wanneer hij in loondienst is, staat tussen hem en de directie van het bedrijf dat zijn salaris betaalt bovendien de hoofdredacteur, al of niet gesteund door een papier waarin afspraken over de rechten van de redactie zijn vastgelegd: het redactiestatuut. Deze afscherming naar de commerciele kant van het bedrijf betekent overigens niet dat de journalist maar kan schrijven wat hij wil. Hij dient zich aan te passen aan de formule die de directie, al of niet in overleg met de hoofdredacteur, heeft vastgesteld. Die formule bepaalt waarover hij mag schrijven, hoe moeilijk zijn stuk mag zijn en hoe lang het mag worden. Directies vinden het gelukkig meestal niet zo belangrijk wat er in de krant geschreven wordt, ze beschouwen de artikelen als de achterkant van de advertenties. Maar wat als het geschrevene hun rechtstreeks raakt? Een voorbeeld.

Deze krant, NRC Handelsblad, liet vorig jaar een speciaal 'onderzoeksteam' de gangen nagaan van de eigen bedrijfsleiding, toen die verwikkeld was in onderhandelingen over een fusie met een ander krantenbedrijf. De betrokken journalisten werden, terwijl hun 'onderzoek' liep, netjes elke maand door diezelfde directie betaald. Toch moet diezelfde hoofdredacteur aan het eind van elk jaar naar de directie om te onderhandelen over de begroting voor het volgende jaar. Hij vraagt daarbij niet om een bedrag ineens, maar beargumenteert waarvoor hij zijn geld nodig heeft. Voor meer 'onderzoeksteams' bijvoorbeeld. Is hij dan niet heel erg afhankelijk van zijn financiele bazen? Ja en nee. De lezer mag erop vertrouwen dat hij pal staat voor zijn ondergeschikten en hun onafhankelijkheid. Dat is, nogmaals, een kwestie van integriteit en van vertrouwen. Meer garanties zijn er niet. Behalve dan in de opzet van het fonds zoals wij dat hebben voorgesteld.

Daar is het de minister, gecontroleerd door het parlement, die een bedrag uitkeert voor een bepaald genre. Dit bedrag wordt, net als bij soortgelijke fondsen, toevertrouwd aan een bestuur van wijze mannen en vrouwen, die niet in dienst zijn van het ministerie en er geen enkel belang bij hebben de minister naar de mond te praten. Ook zijn zij zelf uitgesloten van het doen van aanvragen voor geld uit het fonds, zelfs wanneer zij het bestuur verlaten hebben. Dit bestuur beoordeelt de aanvragen van journalisten met een plan voor een langlopend project. Daarbij wordt rekening gehouden met de bewezen talenten van de aanvrager, de kwaliteit en de uitvoerbaarheid van zijn idee. De aanvrager is alleen verantwoording schuldig aan het bestuur. De minister kent dus vooraf niet de verschillende plannen waarvoor hij geld geeft, hij bepaalt niet wie wat krijgt, en hij velt geen oordeel achteraf. Met andere woorden: voor zover er ooit buiten het geweten van de journalist garanties zijn te geven voor onafhankelijkheid, dan zijn ze bij het fonds-in-oprichting minstens zo groot als bij een gewoon dag- of weekbladbedrijf - en misschien wel groter. Hoop en geloof Moet ons plan nu zomaar juichend worden geaccepteerd? Wij vinden van niet. Ook nadat we hebben vastgesteld dat de kwestie 'onafhankelijkheid' in dit geval niet aan de orde is, zitten er nog genoeg haken en ogen aan ons voorstel. De allerbelangrijkste vraag is, of het hierboven omschreven genre wel enig bestaansrecht heeft. Worden alle kwesties van belang niet al afdoende en uitputtend behandeld door de sociologen aan onze universiteiten, door de Nederlandse schrijvers in boeken en literaire tijdschriften en door de columnisten en journalisten in onze dag- en weekbladpers? Is het lange, journalistieke essay niet een hybride genre, iets tussen literatuur en wetenschap waarop niemand te wachten zit? En, wanneer we al geloven dat zoiets met recht en reden zou kunnen bestaan, kan het dan wel in Nederland? Zijn er wel journalisten die over voldoende talent en uithoudingsvermogen beschikken en is er een publiek dat geinteresseerd is in wat zij zouden schrijven? Wij hopen en wij geloven dat wij deze vragen met ja mogen beantwoorden, maar eerlijk gezegd: wij weten het niet. Daarom is ons voorstel het maar eens te proberen. Twee jaar lang, met een grondige evaluatie. Misschien zien we iets over het hoofd. Daar worden we dan graag op attent gemaakt. En misschien kan het echt niet, in Nederland.

Dat weten we dan over twee jaar. De auteurs zijn onderscheidenlijk correspondent en ex-redacteur van deze krant.

    • Adriaan van Dis
    • H. M. van den Brink