'Vraag en aanbod van talenkennis beter op elkaar afstemmen'

AMSTERDAM, 3 febr. - Vraag en aanbod van het onderwijs in de moderne talen zijn op tal van punten niet op elkaar afgestemd. De 'vragers' in bijvoorbeeld het bedrijfsleven, wetenschap en overheid hebben nauwelijks een idee van wat de leerling die met Engels, Frans of Duits in het pakket van school komt, nu precies weet.

Als dat wel bekend wordt is de conclusie zelden een erg aangename: de kennis van de scholier of afgestudeerde schiet vaak tekort om in het werk of in de vervolgopleiding goed mee te kunnen. Om vraag en aanbod van talenkennis beter op elkaar af te stemmen schreef de Nijmeegse taalkundige prof. dr. T. J. M. van Els voor het ministerie van onderwijs het Nationaal Actieprogramma Moderne Vreemde Talen. Niet om straks op elk bushokje een poster te laten verschijnen met een oproep aan elke rechtgeaarde Europeaan zich onmiddellijk bij een taleninstituut te melden. Wel om de overheid te adviseren hoe aan de groeiende behoefte aan Engels, Frans en Duits kan worden voldaan. Van Els concludeert dat door de verdere eenwording van de Europese markt die behoefte zo snel groeit dat het traditionele aanbod van het reguliere onderwijs (de middelbare school bijvoorbeeld) daar steeds minder aan kan voldoen. De taalkundige stelt dat de 'rek' er bij het reguliere talenonderwijs uit is. Een flink deel van het lesprogramma wordt al aan moderne talen besteed hoewel het aantal verplichtingen sinds de Mammoetwet is afgenomen. Zo is in de voorstellen van de basisvorming (nieuwe opzet van de onderbouw in het voortgezet onderwijs) alleen Engels nog voorgeschreven. Tussen Frans of Duits moet straks worden gekozen. En deze twee talen zijn juist al zo ondergewaardeerd, schrijft Van Els. 'De populaire opvatting dat men met Engels altijd en overal terecht kan is bij nader onderzoek onvoldoende te funderen.

Bijna iedereen heeft ook Duits nodig en gegeven de snel groeiende internationalisatie van heel veel banen is het uiterst gewenst dat een groeiend deel van de inwoners van ons land ook Frans of Spaans leert.'

Van Els acht een uitbreiding van het reguliere onderwijs in de drie moderne talen echter niet haalbaar. Daarom adviseert hij een verbetering van het rendement van het bestaande onderwijs. Door een helderder en gedetailleerder formulering van de doelstellingen van het moderne talenonderwijs kunen leraren daar beter hun aanpak op afstemmen. Ook kan zo de aansluiting met vervolgopleidingen verbeteren.

Verder zal de efficientie toenemen wanneer het talenonderwijs in de bovenbouw meer wordt toegesneden op de toekomstige behoefte van de leerling: technisch Engels voor de ingenieur, wetenschappelijk Duits voor de taalwetenschapper. Maar dan nog zal het aanbod onvoldoende zijn om de snel groeiende vraag te kunnen bijbenen die de komst van 'Europa 1992' veroorzaakt.

Bovendien kan het gewone onderwijs nu eenmaal niet aan de soms zeer specifieke wensen van bedrijfsleven, hoger onderwijs en overheid beantwoorden. Daarom zal het particuliere aanbod van taleninstituten en van cursussen zoals die van Teleac een steeds belangrijker rol spelen, aldus de auteurs van het actieprogramma. Zij constateren dat dit aanbod nu betrekkelijk chaotisch is. De gebruikte methoden, doelstellingen, terminologieen en niveaus zijn zeer verschillend. Wil de overheid een beleid ontwikkelen waardoor aan de groeiende vraag naar talen kan worden voldaan, dan zal dat alles meer op elkaar afgestemd moeten worden. In het actieprogramma wordt daarom aanbevolen een platform van overheid en andere belangrijke aanbieders van talenonderwijs in het leven te roepen. Hier moeten de doelstellingen van al het beschikbare talenonderwijs expliciet en helder worden geformuleerd.