Maij-Weggen komt door te optimistische prognose in problemen

DEN HAAG, 3 febr. - Hoe moet het 'gat van Maij' worden voorkomen? Steeds vaker buigen ambtenaren van het ministerie van verkeer en waterstaat zich over die vraag. Het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO) heeft nu gerapporteerd wat insiders al vreesden zo niet wisten: bij alle ambitieuze investeringsplannen voor de komende jaren dreigen de exploitatietekorten bij het openbaar vervoer uit de hand te lopen. Op het departement wordt gepuzzeld aan zo'n vier of vijf 'scenario's': hoe kan worden bereikt dat de tekorten de komende jaren niet de pan uitrijzen zonder dat de tarieven van het openbaar vervoer drastisch worden verhoogd. In een nota aan de Tweede Kamer zal minister Maij-Weggen de problematiek binnenkort uit de doeken doen. Zorgelijk is het thema voor de minister wel. Zij worstelt met al te optimistische prognoses die het departement eerder naar buiten bracht. Ongetwijfeld zal straks de nadruk worden gelegd op de noodzaak van efficiencymaatregelen in het openbaar vervoer. Zo ook op het streven om tot een betere spreiding van reizigers te komen. Op die manier zijn de exploitatietekorten mogelijk te beperken. Niettemin rest op het oog ook dan nog slechts de keuze tussen enkele impopulaire maatregelen of een combinatie daarvan.

Die gaan over belastingen of bezuinigingen, de prijs van het kaartje in het openbaar vervoer en de kosten van het autorijden. De doelstellingen voor het openbaar vervoer zijn ambitieus. Stijgingen met 75 procent of zelfs een verdubbeling van het aantal reizigers worden in de diverse plannen van het ministerie en de openbaar-vervoerbedrijven als een reele verwachting gezien en trouwens als een noodzaak beschouwd. Die nieuwe reizigers brengen weliswaar geld in het laatje maar hun klandizie vergt veel rails, nieuwe stations, busbanen, abri's en talloze andere voorzieningen. Zoveel dat de kosten daarvan de opbrengsten nog meer zullen overtreffen dan bij het huidige niveau van voorzieningen al het geval is. De openbaar-vervoerbedrijven kennen twee bronnen van inkomsten: de opbrengst van de kaartjes en de subsidie van de overheid. Globaal gesproken past de Staat op elk treinkaartje de helft van de kosten bij, worden gebruikers van het streekvervoer voor 60 procent gesubsidieerd en zit op elk kaartje voor het stadsvervoer 75 procent overheidsbijdrage. Toen het vorige kabinet zijn verkeers- en vervoersplannen presenteerde, was het uitgangspunt dat die verdeelsleutel niet verder in het nadeel van de overheid zou veranderen. Dat dreigt de komende jaren dus wel te gebeuren. Nijpender In het regeerakkoord heeft het kabinet beloofd dat de tariefverhoging bij het openbaar vervoer jaarlijks zoveel mogelijk onder de stijging van de autokosten blijft. Dat wordt uit oogpunt van concurrentie wenselijk bevonden en heeft dit jaar geleid tot een beperkte tariefstijging in het openbaar vervoer van 2 procent per 1 april. Terwijl de uitgaven van de openbaar-vervoerbedrijven zo'n 4 1/2 procent omhoog gaan. Het extra negatieve saldo komt voor rekening van de overheid: zo'n 30 miljoen gulden per jaar.

Dat valt de eerste twee jaar nog mee, omdat het ministerie van verkeer dan nog kan beschikken over financiele meevallers bij het openbaar vervoer uit de afgelopen jaren. Daarna kan het tekort alleen maar worden bijgepast door bezuinigingen op andere posten dan wel door hogere belastingen. Nu de exploitatietekorten nog groter dreigen te worden, wordt die situatie alleen maar nijpender. Een andere mogelijkheid is natuurlijk de tarieven van het openbaar vervoer meer kostendekkend te maken. Dat is alleen een maatregel die politiek niet bijster goed zal vallen en ook, voorzichtig gezegd, wat ongelukkig uitkomt nu algemeen aanvaard beleid is dat de automobilist moet worden verleid de overstap op bus, trein, tram of metro te maken. Zo doemt de keuze op tussen een striktere toepassing van het profijtbeginsel via duurdere kaartjes bij het openbaar vervoer of een grotere besteding van belastinggeld aan de exploitatietekorten. Indien het laatste wordt gekozen, is een interessante vraag waar dat geld vandaan moet komen, gelet op de aarzeling in het kabinet om de eerder voorgenomen afschaffing van het reiskostenforfait door te voeren en de afgesproken terughoudendheid bij algemene lastenverzwaringen. Tariefverhoging bij het openbaar vervoer vergt dus nog een impopulaire maatregel: het autorijden moet veel duurder worden gemaakt. De overheid heeft echter de autokosten maar gedeeltelijk in de hand; niet voor niets gingen ze vorig jaar zelfs met een procent omlaag. Kunnen de brandstofaccijnzen al omhoog - om tanken over de grens te voorkomen zijn de mogelijkheden beperkt - dan is het nog de vraag of via een lagere olieprijs dan wel een zuiniger verbruik zo'n stijging niet wordt gecompenseerd. Het zal de invoering van spitsvignetten, rekening-rijden, dan wel soortgelijke maatregelen alleen maar meer noodzakelijk maken.

    • John Kroon