Het zou uitdaging voor me zijn als coach in India te werken

Over negen dagen begint in Lahore het wereldkampioenschap hockey voor mannen. Dat is het laatste toernooi van bondscoach Hans Jorritsma, die op eigen initiatief vertrekt. Hij is afgekeurd als leraar lichamelijke opvoeding en gaat op zoek naar andere werk. Jorritsma wordt opgevolgd door ex-profvoetballer Rob Bianchi. De 40-jarige Amsterdammer, zelf 65-voudig international, is sinds mei 1986 in dienst van de KNHB. Onder zijn leiding behaalde het Nederlands team de Europese titel (1987), een bronzen medaille bij de Olympische Spelen (1988) en twee tweede plaatsen bij het toernooi om de Champions Trophy (1987 en 1989). Jouw besluit om te stoppen kwam voor iedereen als een complete verrassing, zelfs voor de spelers. Er zijn veel mensen die er nog steeds niets van begrijpen. Er zit in ieder geval niets achter. Gek, he? Maar het houdt gewoon een keer op. Ik vind het leuk om eens andere dingen te gaan doen en hoe langer ik wacht hoe moeilijker het wordt om nog op een ander spoor terecht te komen. Het was een ander verhaal geweest als ik nog een baan in het onderwijs had gehad. Dan had ik het bondscoachschap er als een 'schaduwbaan' bij gehouden. Maar die mogelijkheid is weggevallen.

Ik ben me er altijd bewust van geweest dat ik door die kortlopende contracten waarmee de hockeybond werkt risico's liep. En als bondscoach heb je nu eenmaal geen buitensporig inkomen. Rob Bianchi krijgt nu ook weer een contract tot en met het Europees kampioenschap van 1991. Dat is de filosofie van de bond. Daar kan ik best vrede mee hebben, maar de kans bestaat dan wel dat het anders loopt dan verwacht.

Zou je zonder sport kunnen? Ik hang niet aan de sport. Ik weet ook nog niet wat ik straks ga doen. Er zijn twee mogelijkheden, of ik ga werk buiten het hockey zoeken of ik ga voor een aantal jaren naar het buitenland, als hockeycoach. Ik heb al gesprekken gehad met een aantal bedrijven, voornamelijk op het gebied van public relations. Ik zoek iets waar mijn creativiteit meer tot uiting komt. Die kan ik nu ook wel kwijt in de opzet van mijn trainingen of op de manier waarop ik mijn elftal laat spelen, maar het blijft toch beperkt. Ik heb zeker andere interesses. Ik maakte bijvoorbeeld drie jaar deel uit van de Amsterdamse theatergroep De Groep. Ik heb onder artistiek leider Rob Malasch meegewerkt aan een aantal projecten. 'k Heb zelf ook geacteerd. We hebben destijds voor de koningin en het corps diplomatique de jaarlijkse culturele manifestatie in het paleis op Dam verzorgd. Voor die gelegenheid had Malasch het stuk De Fotograaf geschreven. Dat was een boeiende en leerzame periode. Als je als coach naar het buitenland zou gaan dan is dat toch in tegenspraak met de reden waarom je bij het Nederlands elftal weggaat? Kijk, in principe ga ik ander werk doen en zal ik daarnaast waarschijnlijk wel weer een club uit de hoofdklasse gaan trainen.

Maar het is altijd een grote wens van me geweest om een keer in het buitenland te werken, een andere cultuur en een andere taal. Dus daar houd ik de deur voor open. Dat heeft niets met het Nederlands elftal te maken. Ik heb verleden jaar in Amerika een gesprek gehad met mensen van de hockeybond van India. Men wilde Joost Bellaart (manager Nederlands elftal, HK) en mij aantrekken. Wij zouden het hockey in India nieuwe impulsen moeten geven. Ze vertelden me dat als ik daar bondscoach zou worden vijftig procent van het volk voor me zou zijn en vijftig procent tegen me. Mooi, he? Dat vind ik dan een uitdaging. Er gebeurt veel in dat land, niet alleen op gebied van hockey, maar ook wat betreft cultuur en politiek. Ik ben vier keer in India geweest en de herinneringen zijn goed. Het potentieel aan hockeyers is groot, maar door de feodale manier van leiding geven en de uitgestrektheid van het land komt dat er niet helemaal uit. Ik zou best willen proberen daar iets aan te veranderen. Ik heb toen ook gezegd dat ik interesse had. Maar sinds wij bij het WK in dezelfde groep met India zijn terechtgekomen hebben Joost en ik niets meer gehoord. Misschien gebeurt dat nog wel. Vind je sport alleen te beperkt? Zo zou ik het niet willen stellen. Maar ik vind sport leuk tot het laatste fluitsignaal. Daarna is het voorbij voor me. Ik ben niet iemand die uren kan nakaarten. Het liefst maak ik meteen na een wedstrijd een lange wandeling. Ik vind de onverwachte kant van de sport het leukste.

Dat is uniek. Winnen en verliezen liggen heel dicht bij elkaar, maar daartussen kan toch zo veel gebeuren. Ik houd ervan om naar sport te kijken, naar leuke sport. Maar ik kan ook van een goed theaterstuk genieten. Daar zie ik eigenlijk geen verschil in. Ik heb gemerkt dat mijn emoties in dat geval dezelfde zijn. Je bent een perfectionist. Voelt zo iemand zich wel thuis in een amateursport als hockey? Ik voel me niet belemmerd. Iedere trainer of coach, in welke sport dan ook, probeert de grenzen bij zijn spelers te verleggen en naar een hoogtepunt toe te werken. Binnen de mogelijkheden die je hebt probeer je optimaal te werken. En elke discipline kent zijn beperkingen. Meestal liggen die op het finacniele vlak, inderdaad.

Maar ook al heb je voldoende geld dan garandeert dat niet altijd succes.

Ik ben van mening dat de bezieling van de spelers en van de begeleiding de mate van succes bepaalt. Een Nederlands team is meestal een samenraapsel van hoofdklasse-hockeyers. En dan vind ik het leuk als de spelers na al die tijd die we er met z'n allen hebben ingestoken zeggen dat het een echte ploeg is geworden. Dat betekent dat ze zich vertrouwd voelen. Alle spelers van de selectie zijn vol lof over je en betreuren het dat je weggaat. Toch is er in het verleden een aantal ontevreden internationals geweest. Een paar noemden jou zelfs contact-gestoord. Ik denk dat de conflicten die er zijn geweest nodig waren. We hadden een lastige weg af te leggen en ik moest duidelijk maken hoe ik wilde werken. Ik ben niet altijd makkelijk voor spelers. Ik ben best bereid naar ze te luisteren, maar ik kan niet alle persoonlijke wensen vervullen. Het blijft een teamsport. Elke wedstrijd moet je er een aantal teleurstellen. De een kan dat makkelijker accepteren dan de ander. En je kan wel uren gaan debatteren, maar het blijft toch nee.

Ik kan de teleurstelling in zo'n geval ook goed begrijpen, maar ik heb geen medelijden. Het is en blijft altijd de keuze van de speler zelf om in het Nederlands elftal en onder mij te trainen en spelen. Ik probeer altijd wel eerlijk te zijn, maar dat betekent voor velen blijkbaar dat je hard bent. Tijdens het EK van 1987 in Moskou wisselde ik Tom van 't Hek een keer. Dat was hem nog nooit overkomen. Ik merkte dat hij er door verrast was. Na afloop hebben we er een zin aan gewijd, een goede zin. Dat was toen voldoende. Bij anderen heb je soms een heel boek nodig. De huidige ploeg wordt als ideaal bestempeld. Waar is dat op gebaseerd? Het team is heel flexibel van samenstelling. Iedereen heeft een favoriete plaats in het elftal, maar is ook ergens anders inzetbaar.

Daar hebben we op getraind. We pinnen iemand niet op een positie vast. De verjonging die na het WK van 1986 is doorgevoerd speelt een belangrijke rol. We hebben nu spelers van 31, 28, 26, 25, 24 jaar en van rond de 20. Bijna elke leeftijdsgroep is vertegenwoordigd. Dat is altijd mijn ideaalbeeld van een ploeg geweest. Ook met het oog op de continuiteit. Er hoeven op deze manier elk jaar maar een paar spelers, of misschien wel een, bij te komen. We hebben hard en goed getraind. Meer is voor deze spelers die overdag gewoon werken of studeren niet mogelijk. We zitten op de grens. We vertrekken morgen ook vol vertrouwen naar Pakistan. Ik kan in Lahore terugvallen op de items waaraan we op de trainingen hebben gewerkt. Mijn wedstrijdbesprekingen zijn altijd kort, maximaal tien minuten. Ik zal op de wedstrijddag ook nooit trucs aankondigen waar de spelers nog nooit eerder van hebben gehoord. Mijn coaching is een logisch voorzetting van de training. Daarom is het voor mij zo belangrijk dat de voorbereiding goed in elkaar zit. Valt er voor jou wel goed samen te werken met bestuursleden? Volgens mij denken veel mensen dat ik negatief ben over bestuurders.

Maar dat is niet zo. De meeste van de wensen die ik de laatste jaren op tafel heb gelegd zijn ingewilligd. Een paar zijn er blijven liggen.

Dat is onvermijdelijk. Ook aan de maatschappelijke begeleiding wordt gewerkt. Daarin is in samenwerking met de NSF al iets veranderd. De spelers krijgen in deze periode rondom het WK een maandelijkse vergoeding van 400 gulden. Dat is een begin. Ik vind dat bepaalde zaken weleens sneller zouden kunnen worden behandeld. Dat komt omdat ik dagelijks met die sport bezig ben en dus uitga van dat tempo. Op die momenten botsen de verschillende karakters. Ik hoor vaak van de spelers dat ze vinden dat de bestuurders weinig betrokkenheid tonen met de ploeg. Dat is opvallend. Ik heb er zelf minder last van. Ik had altijd veel contact gehad met Ab van Grimbergen (voormalig bestuurslid technische zaken, HK) en nu ook met zijn opvolger Paul Litjens. Wat betreft een verandering van de competitie-opzet zit er helaas niet veel schot in. Ik vind al een jaar of zeven dat we met play-off's moeten gaan werken in het hockey. De competitie heeft nieuw bloed nodig. De hoofdklasse loopt in deze vorm alweer vijftien jaar.

Dat is oude koek geworden. Dat merk je aan de interesse van de media. Die is flink afgenomen. Met play-offs werken we naar een climax toe. Ik heb er weleens een gesprek over gehad met het bestuur, maar dat heeft geen vervolg gekregen. Bij het laatste WK in 1986 eindigde Nederland zeer teleurstellend op de zevende plaats. Nu wordt over goud gesproken. Onze resultaten zijn de laatste jaren zo bemoedigend geweest dat we ons nu als een kandidaat voor de eerste plaats zien. Maar je wordt natuurlijk niet een-twee-drie wereldkampioen. Er spelen zo veel factoren mee en de toplanden ontlopen elkaar weinig. Als we straks verliezen na goed te hebben gehockeyed kan ik daar misschien best vrede mee hebben. Maar als we verliezen en slecht spelen zal ik heel erg de smoor in hebben. Daar kan ik absoluut niet tegen. Hoe zie jij in het algemeen de toekomst van de hockeysport? De belangstelling in de wereld neemt niet toe. We moeten uitkijken dat het hockey als wereldsport niet een langzame dood gaat sterven. Een aantal ontwikkelingen is zorgwekkend. De publieke belangstelling bij de wedstrijden bijvoorbeeld. Zelfs in de toplanden gaat het niet goed. Bij het toernooi om de Champions Trophy in 1988 in Lahore zaten bij de laatste wedstrijd tussen Pakistan en Australie maar 15.000 toeschouwers. Dat was daar vroeger niet mogelijk. Het stadion kon 60.000 mensen bevatten en bij een overwinning van de Pakistanen konden ze zelfs winnaar worden.

Verleden jaar in West-Berlijn werd veel publiek verwacht, maar viel het uiteindelijk erg tegen. En ook in Australie is de interesse niet overweldigend. Dat hebben we laatst nog zelf meegemaakt. Nederland is echt een uitzondering. Hier lopen de mensen nog wel warm voor een WK, EK of Champions Trophy. Tegenwoordig is het belangrijk of een sport tv-geniek is. Ik vind dat daaraan in de hockeywereld veel te weinig aandacht wordt besteed. Een ski-afdaling is ook niet altijd even boeiend, maar door diverse camera's in te zetten en herhalingen te laten zien blijft het toch interessant. Dat heeft met regievoering te maken. Bij het hockey staat vaak maar een camera. Dat is te weinig, want het spel is erg snel. Hockey kan ook heel boeiend zijn. Er gebeuren technisch en taktisch geweldige dingen en er zijn vaak leuke momenten voor de doelen. Met een meer creatieve regie zou dat goed in beeld gebracht kunnen worden. Daar moeten de hockeyers voor vechten.