De kunst van de ingenieur

Hoewel het schijnbaar goed gaat met de architectuur in Nederland, gaat het in werkelijkheid slecht met de architectuur in Nederland.

Dit is een van de opvattingen die Wiek Roling zijn gehoor voorhield tijdens zijn onlangs uitgesproken inaugurele rede bij het aanvaarden van het ambt van gewoon hoogleraar ontwerpen aan de afdeling bouwkunde van de Universiteit Delft. Naar aanleiding van Rolings oratie die de titel droeg 'De kunst van de ingenieur' sprak Max van Rooy met hem over de leerstof die 'Delft' te wachten staat. 1 Hoogtepunten Als hoogleraar ontwerpen moet ik lesgeven in ruim telijke en materiele structuur. Daarom vond ik het erg belangrijk om in mijn inaugurele rede aan te geven waar ik voor sta, wat ik een goed gebouw vind. Mijn leeropdracht gaat dus over materiaal - waarvan je iets maakt; ruimte - waarvoor je iets maakt; en structuur - hoe je iets maakt. Dus doel, middel en methode. Dat is van oudsher de enige bouwkundige vraagstelling, te beginnen bij de iglo's en bij het holletje bouwen. Nu is het de kunst van de ingenieur om de functie, het materiaal en de techniek op een optimale manier te combineren. Bovendien heb ik het idee dat wanneer je over doel, middel en methode spreekt, je het ontwerpprobleem ook kan benaderen als vraagstuk van vorm en inhoud. In mijn oratie zei ik letterlijk 'vorm zonder inhoud is hol en inhoud zonder vorm ben ik nog niet tegengekomen'. X Als hoogleraar ontwerpen moet ik lesgeven in ruimtelijke en materiele structuur. Daarom vond ik het erg belangrijk om in mijn inaugurele rede aan te geven waar ik voor sta, wat ik een goed gebouw vind.

Mijn leeropdracht gaat dus over materiaal - waarvan je iets maakt; ruimte - waarvoor je iets maakt; en structuur - hoe je iets maakt. Dus doel, middel en methode. Dat is van oudsher de enige bouwkundige vraagstelling, te beginnen bij de iglo's en bij het holletje bouwen. Nu is het de kunst van de ingenieur om de functie, het materiaal en de techniek op een optimale manier te combineren. Bovendien heb ik het idee dat wanneer je over doel, middel en methode spreekt, je het ontwerpprobleem ook kan benaderen als vraagstuk van vorm en inhoud. In mijn oratie zei ik letterlijk 'vorm zonder inhoud is hol en inhoud zonder vorm ben ik nog niet tegengekomen'. Zonder de postmodernen en de deconstructivisten te noemen omdat ik vind dat ze moeten worden doodgezwegen, heb ik in mijn voordracht geprobeerd uiteen te zetten hoe in de loop van de geschiedenis de hoogtepunten van de bouwkunst overeenkomen met de momenten waarop doel, middel en methode, alledrie evenredig optimaal tot hun recht komen. Los van de volstrekt natuurlijke bouwvormen die je ziet bij de iglo's, de kafferhutten en bij de leemarchitectuur van de indianen, bouwvormen die bijna dierlijk-natuurlijk tot stand kwamen, zijn er wat mij betreft drie absolute hoogtepunten in de geschiedenis van de bouwkunst aan te wijzen op basis van optimale samenwerking van doel, middel en methode. Als eerste uiteraard de geacheveerde Griekse bouwkunst. Dan de Romaanse architectuur, met het volstrekte samengaan van de devotie en het verlangen om ruimte te maken. Tevens om de manier waarop de Romaanse bouwkunst wordt versierd, zo intens primitief en met een technisch niet vreselijk knap materiaalgebruik, maar aan de andere kant zo volkomen gekund en beheerst.

Een dubieus hoogtepunt is de Renaissance. In feite is het een teruggrijpen op vroegere stijlen, maar dat gaat gepaard met zoveel vitaliteit en herontdekking van waarden en betekenis dat ik de Renaissance toch belangrijk vind, hoewel het in mijn relaas eigenlijk een te verwerpen stijl moet zijn. Het volgende werkelijke hoogtepunt, het derde moment in de geschiedenis van de bouwkunst waarop de drieeenheid doel-middel-methode een optimaal resultaat heeft opgeleverd, valt in de tijd van het Nieuwe Bouwen in de jaren twintig, dertig van deze eeuw met sanatorium Zonnestraal van Ir. J. Duiker als het grote voorbeeld. Zonnestraal is ook een van de eerste gebouwen voortgekomen uit een maatschappijvorm die mij enorm aanspreekt, optimistisch, iedereen werd een optimaal leven toegedacht. Arbeiders, in dit geval diamantarbeiders verzamelden het geld voor het sanatorium bij elkaar.

Aanvankelijk kreeg Berlage de opdracht om Zonnestraal te ontwerpen, maar die had er waarschijnlijk geen tijd voor omdat hij bezig was aan het Haags Gemeentemuseum, of hij vond dat andere talenten maar eens aan bod moesten komen omdat hij al zoveel voor de Diamantbewerkers Bond had gedaan. Het kan ook zijn dat hij Duiker en Bijvoet naar voren schoof omdat zij een prijsvraag hadden gewonnen waarbij Berlage in de jury had gezeten - voor de Academie in Amsterdam - die door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, te wijten aan de eerste wereldoorlog, niet was doorgegaan. Berlage vond dat hij een schuld had in te lossen bij deze begaafde mannen. Zonnestraal kwam tot stand in nauw overleg met de toekomstige gebruikers, de patienten, de verplegers, de mensen die het onder leiding van Jan van Zutphen allemaal organiseerden. Een prachtig voorbeeld van samengaan van doel, middel en methode, van de kunst van de ingenieur. Bijvoet en Duiker waren ingenieurs, dat kan je aan het gebouw zien. Ik vind dat we 'Delft' moeten gebruiken om meer van zulke mensen af te leveren. 2 Mentaliteit X Een prachtig naoorlogs voorbeeld van de kunst van de ingenieur is Centre Pompidou in Parijs. Het is een totaal andere benadering van een gebouw met gebruikmaking van nieuwe materialen en nieuwe technieken.

De ruimtelijke inhoud van Centre Pompidou is eigenlijk vrij triviaal, daarom noemt een van de hoofdarchitecten, Piano, het gebouw ook nadrukkelijk een prototype, een gebouw dat je niet moet nadoen. Een oefening in presentatie en het aardige van dit gebouw is, dat het op een vanzelfsprekende manier in de stad staat. Kijk je bijvoorbeeld van de Sacre Coeur af naar beneden, dan zie je dat Pompidou een waanzinnig groot blok in Parijs in beslag neemt. Maar als je beneden door de straten loopt, dan klopt het. En het klopt, omdat de techniek en de verschijningsvorm met elkaar in overeenstemming zijn. Op deze manier moet in de opleiding van architecten het ingenieurs-aspect aan de orde komen. Onze bouwkunde-opleiding is de laatste tijd een beetje bedreigd. Aan de ene kant kwam uit een onderzoek door het Franse blad Liberation naar de kwaliteit van universitaire opleidingen in Europa de afdeling bouwkunde in Delft als derde naar voren op een lijst van honderd geselecteerde universiteiten. Aan de andere kant is er in opdracht van ons ministerie een zogenaamde visitatiecommissie aan het werk geweest die 'bouwkunde' heeft bekeken en slecht bevonden.

Vooral slecht op het gebied van de techniek. Daarom vind ik het belangrijk om me in te zetten voor de kunst van de ingenieur. Ik voel het ook als een van mijn opdrachten in Delft om de studenten een mentaliteit van dienstbaarheid over te dragen, de grandioze verantwoordelijkheid die je als architect hebt duidelijk te maken. Wat dat betreft heb ik zelf veel te danken aan Van den Broek en Bakema, aan Van Eyck en Hertzberger die mij hebben opgeleid tot een dienstbaar architect. Ik verzet me tegen de heersende neiging om alles maar een beetje zus of zo te maken, als het maar in de smaak valt. Schijnbaar hebben we een geweldige opleving van het belang van architectuur in onze maatschappij en dat komt op allerlei manieren tot uiting. Het ministerie komt met een architectuurnota. Allerlei wethouders nodigen wereldberoemde architecten uit om gebouwen te maken in de hoop dat ze er zelf beter van worden, of dat de stad er beter van wordt. In elk geval vinden ze het belangrijk om architectuur te gebruiken als profilering van hun situatie.

De toeloop naar de bouwkunde-instituten is enorm. Het vak is in de belangstelling. Je hebt tegenwoordig zelfs een experimentenpot voor architectuur. Maar ondanks dit alles is het eigenlijk helemaal niet zo goed gesteld met de architectuur. De gesubsidieerde woningbouw is teruggebracht tot de situatie van voor 1950. Slechter dan ooit. Plattegronden van zeventig vierkante meter worden als gezinshuizen verkocht, terwijl men er in 1960 al van overtuigd was dat voor een gezin met twee kinderen honderd vierkante meter het minimum is. In publicaties wordt de woningbouw nog als gunstig afgeschilderd vergeleken bij de scholenbouw. Volgens de kostenvergoeding die het rijk geeft voor de bouw van een school, de normering, kan je alleen maar een te kleine prefab school bouwen. Dat betekent dat kinderen die thuis al wonen in huisjes waarin alles even hoog is - de minimum kamerhoogte van twee meter vijftig is natuurlijk tevens het maximum - op school ook weer geconfronteerd worden met dezelfde minimale maatjes. Een klaslokaal is dan wel twee meter tachtig, maar toch... En vroeger was een klaslokaal minimaal zesenvijftig vierkante meter. Tegenwoordig wordt zelfs de norm tweeenveertig vierkante meter aangehouden, terwijl het leerlingental per klas weer toeneemt tot ruim boven de dertig. Er worden dus meer dan dertig kinderen gepropt in een kamer van tweeenveertig vierkante meter en dat terwijl de opvoeding veel vrijer is geworden en de leermethoden meer zijn gericht op het werken in groepen. Dit kan gewoon niet. Dat het zo vreselijk goed gaat met de architectuur is dus niet waar. Er is veel te veel geld uitgegeven aan enkele prestige-projecten en over het geheel gezien gaat het met de architectuur vreselijk slecht. Er zijn allemaal merkwaardige factoren die de ontwikkeling van de architectuur belemmeren. Bijvoorbeeld dat de woningbouw zo vreselijk goedkoop moet zijn betekent dat alleen aannemers of projectontwikkelaars die een optimale organisatie in hun bedrijf hebben, in staat zijn nog een produkt te leveren dat min of meer voldoet.

Opvallend is dat die mensen een echt knap logistiek produkt maken met een minimum aan arbeidsuren. Heel knap, maar er is geen ontwerper aan te pas gekomen. Die huizen zien er schijnbaar heel aardig uit, vaak wordt voor de buitenkant een ontwerper gevraagd om even een jasje te tekenen, maar van binnen! Terwijl het voor een ingenieur toch een interessante opdracht zou zijn om uit te zoeken hoe het totale geprefabriceerde produkt huis optimaal gemaakt kan worden. Maar daar wil men geen ontwerper bij hebben.

Nu is het zo dat premiekoopwoningen alleen maar mogen worden gebouwd als daarvoor het Garantie Instituut voor de Woningbouw een acceptatieverklaring is gegeven. Dat instituut is geprivatiseerd, de regering heeft er niets meer mee te maken, maar het ministerie eist dat een dergelijke verklaring wordt afgegeven. De mensen die via dit systeem nu uitmaken wat wel en niet mag, zijn vaak uitermate beperkte lieden die vinden dat een kapje toch het aardigste is en dat een baksteenhuis het 't leukste doet. En dat je hardhout ramen niet hoeft te schilderen omdat het prachtig is om te laten zien dat je hardhout hebt gebruikt.

Dit alles betekent dat er in feite steeds meer stringente regels worden gesteld welke woningen een garantie krijgen van het GIW en welke niet, met het gevolg dat de hele ontwikkeling in de architectuur en de techniek in de architectuur worden stilgezet, zelfs worden teruggedraaid. Dat is vervelend en schadelijk. Ik vind het op de weg van 'Delft' liggen om te onderzoeken of baksteen inderdaad onder alle omstandigheden het beste produkt is en of het niet volkomen verkeerd is dat vanuit zeer beperkte instellingen zulke stringente eisen aan de architectuur in Nederland worden gesteld. 3 Navolging X Waarom ik vind dat Post modernisme en Deconstructivisme moeten worden doodgezwegen? Omdat het nadoen van anderen geweldige nadelen heeft. Dat leg ik uit aan de hand van de Franse onderzoeker, filosoof, criminoloog, socioloog uit het eind van de vorige eeuw Gabriel Tarde. Hij heeft in 1885 het boek Les lois de l'imitation geschreven en daarin toont hij aan dat de ontwikkeling van de mensheid zich eigenlijk langs het pad van de navolging voltrekt, dat steeds een elite wordt nagevolgd door anderen. De hoofdaap wordt nagedaan door de lagere apen. Bij de mensen is het net zo.

Tarde beschrijft dat en toont op een interessante manier aan hoe deze ontwikkeling door de geschiedenis heen gaat, maar hij zegt ook dat een van de kenmerken van het navolgen is, dat men eigenlijk alleen maar in staat is om de oppervlakkige buitenkant na te doen. Op het moment dat je bepaalde uitingen, een stijl, gaat navolgen imiteer je in feite buitenkanten, terwijl voor mij architectuur heel nadrukkelijk het vormgeven van de binnenkant is.

Bovendien kleeft er nog een ander bezwaar aan architectuur waarvan de motieven afkomstig zijn van gekende motieven uit andere tijden. Die overgenomen buitenkant hoort vaak bij een mentaliteit, bij een situatie, bij tijdperken die je helemaal niet wil nastreven. Tenminste ik niet.

Kijk naar de volstrekte teloorgang van de architectuur in Rusland na de jaren dertig, om van andere stijlperiodes in dit tijdvak maar te zwijgen. Wanneer je het standpunt huldigt, en dat doe ik, dat de hoogtepunten van de bouwkunst te maken hebben met het optimaal samengaan van doel, middel en methode, dan is heel veel modieuze architectuur die op het ogenblik wordt gemaakt letterlijk buitenkant. Uitsluitend epater.

Op het moment dat je willekeurige vormen gaat maken, rare uitsteeksels, vreemde materialen gaat toepassen om dingen te bereiken die zich niet vanuit de vorm aandienen, krijg je naar mijn idee - ik wil niet zeggen waardeloze architectuur, maar wel minder waardevolle architectuur. Ik denk dat op die manier de relatief beperkte middelen die er voor architectuur zijn - het is natuurlijk belachelijk om over beperkte middelen te spreken in het rijkste land ter wereld - aan de verkeerde dingen worden besteed. Ook vind ik het echt jammer dat men er zoveel in ziet en eerlijk gezegd voel ik me er ook niet lekker.

Er zijn buitenlandse wijken die door relatief beroemde mannen zijn gemaakt, maar in feite op een decor lijken voor een zelfmoordfilm en niet voor plezierig wonen. Want daar gaat het toch uiteindelijk om. Naar mijn idee moet je als architect de wereld beter achterlaten dan zoals je hem hebt aangetroffen. Dat moet iedereen wel, maar een architect in het bijzonder. Een nieuw gebouw is iets heel ingrijpends waar de omgeving beter van moet worden, niet minder. Zo'n beetje als: laat niet als dank voor het aangenaam verpozen de schillen en de dozen. 4 Het vak X Het is een leuk vak, archi tect. Het betaalt eerlijk gezegd prima, het is een lekkere, goed besmeerde boterham. Maar wat me verbaast, is dat er heel veel mensen zo onverantwoordelijk met het vak omspringen, niet die zelf opgelegde dienstbaarheid naar andere mensen voelen, niet bezig zijn met het maken van zo goed mogelijke gebouwen in een zo goed mogelijke omgeving met een zo goed mogelijke besteding van de beschikbare middelen. En met die beschikbare middelen bedoel ik dan niet alleen het geld, maar ook de invloed die je ermee hebt op het milieu, de vraag van wel of niet tropisch hardhout, het gebruik van kunststof dat moeilijk afbreekbaar is, in produktie allerlei ellende oplevert en in het milieu weer allemaal kwaad nalaat. Ik constateer dat veel architecten nogal luchthartig met die enorme verantwoordelijkheid omspringen. Daarom vind ik het ook ronduit gek dat, wanneer er uit de experimentenpot een opdracht wordt gegeven aan twaalf jonge architecten, ze een folly moeten maken om op de Floriade neer te zetten. Een niemandalletje, een zinloos gebouwtje van niks. Het bemoedigende ervan vond ik wel dat ze het geen van twaalf konden.

Dat heb ik als een van de beste berichten ervaren. Maar het feit dat er tientallen serieuze mensen eerst zo'n opdracht formuleren - er moeten mensen bij geweest zijn die het een uitstekend idee vonden - dat een jury bereid is om te jureren, dat daarna een drukker bereid is om er een waanzinnig duur boek van te maken... Ik vind dat echt uitermate verrassend en gek. Ik denk dat er momenten zijn waarop je gewoon moet zeggen: daar doe ik niet aan mee. Zo beschouwd zijn er veel mensen in dit vak die hun verantwoordelijkheid uit handen laten nemen, in allerlei vormen. Ik vertelde over die prachtig georganiseerde aannemers die niet of nauwelijks ontwerpers in het produktieproces toelaten en dan met - ik druk het zacht uit - niet optimale huizen komen. Dan zijn er toch weer gemeentelijke overheden, schoonheidscommissies waarin architecten zitten, noem maar op, die er voor zorgen dat het allemaal wordt doorgevoerd. Ik geloof dat we bezig zijn ons vak op een rare manier uit te leveren en dat is vreselijk jammer. Een voorbeeld daarvan vind ik ook die krankzinnige belangstelling voor heel grote bureaus. Ik denk dat veel architectuur juist is gebaat met kleine bureautjes, twee of drie man, of desnoods een man. Architecten die hun opdrachten aankunnen, er zelf aan werken, als een bok op de haverkist zitten. Gelukkig zijn er ook veel bemoedigende voorbeelden in Nederland, maar als we niet oppassen wordt ons land volgestampt met die afschuwelijke glazen spiegelkantoren en met die ellenlange rijen, allemaal precies dezelfde huisjes die net voldoen aan de voorschriften en de belegger net die optimale winst geven. Voorbeelden van bemoedigende architectuur in ons land? (...) Gek dat ik daarover zo lang moet nadenken. De architectuur van Arne van Herk en Wijtze Patijn vind ik heel leuk. Ook wat Mecanoo doet. En van wat langer geleden: de uitbreiding van het woonhuis van Martin Visser in Berg-Eyck en het Moederhuis in Amsterdam, beide van Aldo van Eyck.

Centraal Beheer en de Apollo-scholen van Herman Hertzberger en wat mijzelf betreft ben ik met mijn Sonsbeek paviljoen het dichtst bij mijn bedoelingen gekomen. Waar ik helemaal niet van hou is de architectuur die op het Rokin in Amsterdam is verschenen, Rokin Plaza, de Optiebeurs, het nieuwe hoofdkantoor van Pierson, Heldring en Pierson. Dat zijn beschamende rampen, die daar zijn gebeurd.

Ik vind het onbegrijpelijk dat architecten dat zo willen maken. 5 De spanning X Achttien jaar ben ik stads architect van Haarlem geweest en ik heb daar veel van mijn opvattingen in praktijk kunnen brengen.

Weliswaar heb ik niet een derde, niet een kwart kunnen bereiken van wat ik had gehoopt, maar ik heb toch in Haarlem erg naar mijn zin gewerkt. Ik wilde het behoud van de oude stad absoluut buiten twijfel stellen en uiteraard de nieuwbouw zo goed mogelijk doen. De Bavokerk is prachtig opgeknapt, daar is niets mis mee. Daarentegen is zo'n gebouw als Brinkman op de Grote Markt op een idiote manier verbouwd en daar ben ik mee schuldig aan. In de nieuwbouw is het hier en daar niet gelukt om de allerbeste architecten te krijgen. Je kan je afvragen of niet elke stad een eigen architect zou moeten hebben. Het is in elk geval ontzettend belangrijk dat iemand met verstand van zaken de beslissers, of dat nou de raadscommissie is, de wethouder, of de directeur openbare werken, adviseert als het gaat om architectenkeuze of de vervanging van oudbouw door nieuwbouw.

Iemand met een objectiverend oordeel, zodat de mensen weten wat ze kiezen. Omdat je met zoveel hoofden en zoveel zinnen te maken hebt, is het een vrij ingewikkeld vak, want je begeeft je al gauw op het gebied van de smaak. Dan zegt men in Holland dat daarover niet te twisten valt, maar er is juist wel veel over te twisten.

Je merkt ook dat veel inzichten tijd nodig hebben om bij iemand door te dringen. Bijvoorbeeld dat in een oude stad niet alleen de pandjes van voor 1750 moeten blijven bestaan, maar dat het voor de historische continuiteit van de stad heel belangrijk is dat de pandjes van voor 1850 niet allemaal moeten worden afgebroken. Stel je het bizarre gegeven voor: een stad met huizen van voor 1760 en na 1980. Dat zie je bijvoorbeeld in de Jordaan. Daar blijft alles staan wat maar voldoende monument is, voldoende oud is, maar de aardigste huizen uit het eind van de vorige eeuw worden plompverloren afgebroken omdat het geen monumenten zijn, of geen erg belangrijke monumenten.

Daardoor krijg je een volstrekte discontinuiteit in de architectuur van de stad, terwijl juist die historische lijn zo ongelofelijk belangrijk is. Ook door het bewaken van dergelijke processen kan een stadsarchitect belangrijk werk doen.

Ik ben dus een voorstander van zoveel mogelijk stadsarchitecten, hoewel er voor zo'n baantje natuurlijk nooit evenveel goede mensen beschikbaar zijn, als er steden bestaan. In Haarlem word ik in elk geval opgevolgd. In Delft zal ik proberen de kunst van de ingenieur uit te dragen, de kunst van de ingenieur die bestaat uit het optimaal samengaan van doel, middel en methode, de enige basis voor hoogtepunten in de architectuur, voor het bereiken van die onzichtbare spanning waar men een goed gebouw aan herkent. Ik zal een verhaal over Mondriaan vertellen. Er was eens een meneer in Wassenaar en die bezat een schilderij van Mondriaan, tot grote hilariteit van zijn vrienden. Op een goed moment gaat hij voor een jaar naar Amerika en laat zijn vrienden in zijn huis wonen. De vrienden besluiten een grap met hem uit te halen en laten de Mondriaan exact naschilderen. Dit schilderij hangen zij op de plaats van de echte Mondriaan. Na een jaar komt de Wassenaarse heer terug en treft alles in huis aan zoals hij het heeft achtergelaten. Hij bedankt zijn vrienden dat zij zo goed op zijn huis hebben gepast en trekt er weer in. Daarna horen de vrienden niets meer, dus gaat al gauw het praatje dat die liefde van de man voor Mondriaan maar kletskoek was. Na een half jaar spreken de vrienden hem er eens op aan. ' Moet je toch eens zeggen, die Mondriaan..?' Dan zegt hij heel aangedaan: ' Ik heb er nooit met jullie over willen praten, maar ik moet toegeven, jullie hebben gelijk. Op de boot terug besefte ik dat een van de dingen waar ik me het meest op verheugde om terug te zien, dit schilderij was. En ik kwam binnen en zag het meteen: leeg, onzin, niks.'

Het is die spanning die je eigenlijk niet kan herkennen, die zo belangrijk is. Ik vertel dit verhaal als ik wil uitleggen waarom sanatorium Zonnestraal als functioneel gebouw voor mij een hoogtepunt is van de architectuurgeschiedenis. (QR)