CARL GUSTAV JUNG De kroonprins van Freud

On Jung door Anthony Stevens 292 blz., Routledge 1989, f64,65 ISBN 0415046424 Terugkijkend op zijn leven zegt C. G. Jung, dan drieentachtig jaar oud; ' Het lijkt erop dat de vreemdheid, die me zo lang van de wereld gescheiden hield, zich verplaatst heeft naar mijn innerlijk, en daar een voor mij onverwachte onbekendheid met mijzelf heeft geopenbaard'.

Het doet misschien wat vreemd aan dat een tegen die tijd - eind jaren vijftig - zeer gezochte psycholoog en psychiater, die zich met een vrij unieke intensiteit in het innerlijk leven van zichzelf en anderen heeft verdiept, aan het eind van een lang bestaan erkent zichzelf niet te kennen. Toch is deze uitspraak kenmerkend voor de persoonlijkheid van Jung: zijn hele leven heeft van het begin af aan gestaan in het teken van het geheim, van een immense verwondering over dit leven, van ' een besef dat de wereld oneindig groot en onbevattelijk was'.

Dat laatste gold voor Jung nog meer voor de innerlijke wereld - de 'microkosmos' van de alchemisten - dan voor de wereld om ons heen. Geheimzinnigheid, verwondering over het bestaan, dat is de sfeer waarin Jung zelf zijn eigen leven, en dan vooral zijn eigen innerlijke weg, heeft beschreven in zijn posthuum gepubliceerde autobiografie Erinnerungen Traume Gedanken (vert. 'Herinneringen Dromen Gedachten', Lemniscaat '76). Ongelukkig genoeg voor zijn vele latere biografen is dit werk zo veelomvattend, spreekt de levende - en zeer levendige - persoonlijkheid van Jung zo duidelijk in dit werk, dat zij nauwelijks nog iets wezenlijks kunnen toevoegen. Misschien wat interessante details, bijvoorbeeld over Jungs hechte relaties met vrouwen, maar ik ben de afgelopen jaren geen enkele biografie tegengekomen die meer inzicht oplevert dan Jung zelf in de Herinneringen geeft. Integendeel, meestal versluieren ze het zicht op een van de markantste, maar, voor onze overwegend rationele cultuur, ook merkwaardigste persoonlijkheden die deze eeuw gekend heeft. ARCHETYPE VAN DE ANIMA Dat geldt ook voor het recente werk van de Britse psychiater Anthony Stevens, On Jung. Stevens is uitgegaan van de gedachte dat juist het werk van Jung zeer nauw verband houdt met diens eigen persoonlijkheid, en dat dat werk dus alleen van daaruit begrepen kan worden. Hij heeft alles keurig op een rij gezet: bij Jungs kindertijd beschrijft hij de rol van het door Jung gepostuleerde vader- en moederarchetype, het innerlijke aangeboren beeld, dat geactiveerd en tot op zekere hoogte ook bepaald wordt door ervaringen met de ouders.

Dan de adolescentie en de vroege volwassenheid, waarbij het archetype van de anima, de 'innerlijke vrouw' dat de ouderarchetypen moet gaan vervangen, actief wordt. Jungs eigen midlife-crisis komt ter sprake, waarin er een 'omkering van alle waarden' plaatsvond door de doorbraak van intensieve visoenen, en de tijd daarna, waarin het materiaal uit de voorgaande periode - Jung zelf spreekt over 'de oerstof voor een levenswerk' - verwerkt en geordend wordt. Het resultaat is neergelegd in negentien delen Gesammelte Werke, drie delen Briefe en de nu in het Engels verschijnende 'seminars', onder meer over droominterpretatie en Nietzsches Zarathustra, ook al weer vijf delen. Natuurlijk kan, gezien de omvang en diepgang van dit werk - veel is toch betrekkelijk moeilijk toegankelijk - Stevens niet verweten worden dat hij niet meer dan een inleiding geschreven heeft.

Bovendien is wat hij zegt over het algemeen feitelijk juist, maar toch slaat hij herhaaldelijk de plank mis, niet door wat hij zegt, maar door wat hij weglaat. Bijvoorbeeld bij de relatie met Freud in diens invloed op Jungs werk. Wat ontbreekt is bijvoorbeeld de maatschappelijke consequentie van Jungs associatie met Freud. Jungs oudste dochter antwoordde op de vraag of zij, als dochter van een zo eminent psychiater, niet in aanzien stond in hun woonplaats, wat verschrikt dat dat totaal niet het geval was.

Zwitserland was in het begin van deze eeuw zo mogelijk nog puriteinser dan de rest van een Europa, en een vader die geassocieerd werd met Freud, een man die zich met zulke smerige zaken als seksualiteit bezighield, was geen aanbeveling. Integendeel, ouders verboden hun dochters om te gaan met de meisjes Jung. Jung die aan het begin stond van een wetenschappelijke carriere, onder meer door zijn werk over complexen dat hij met voor die tijd vooruitstrevende psychofysiologische experimenten onderbouwde, werd door zijn contacten vanaf l906 met Freud, en diens maatschappelijk shockerende interesse voor seksualiteit, al gauw persona non grata in de conservatieve Zwitserse universitaire wereld.

Zijn voorspoedige loopbaan in de psychoanalytische beweging - vanaf l910 was hij voorzitter van de 'Internationale Psychoanalytische Verein' - kreeg een voortijdig einde door de breuk met Freud. Deze breuk wordt door Stevens nauwelijks verklaard. Natuurlijk was er verschil van inzicht over de rol van symboliek - van Jung is bijvoorbeeld de uitspraak 'ook de penis is een fallussymbool'. Maar Stevens had ook moeten wijzen op het feit dat Jungs grote belangstelling voor innerlijke belevingen op religieus en parapsychologisch gebied levensgroot tussen hem en Freud instond.

Dat blijkt al uit het begin van hun correspondentie - Jung was toen tweeendertig, Freud ruim vijftig - in l907. In de Herinneringen beschrijft Jung zelf een discussie over parapsychologie - waar Freud destijds niets van moest weten - uit l909.

Op het hoogtepunt van dit twistgesprek, op het moment dat Jung zeer emotioneel wordt over de volgens hem oppervlakkige argumentatie waarmee Freud alles, inclusief Jungs eigen ervaringen, afwijst, klinkt er een geweldig gekraak uit Freuds boekenkast. Jung, even erg geschrokken als Freud, zegt nogal pedant: ' Dat is nu een zogenaamd katalytisch exteriorisatie-fenomeen.'

Freud vindt dat grote nonsens, maar Jung zegt dat dat niet zo is, en dat, om te bewijzen dat hij gelijk heeft, dit gekraak zich nog eens zal herhalen. Dat gebeurt ook. Freud is ontzet. Jung begrijpt zelf achteraf niet waar hij die zekerheid vandaan haalde, maar vanaf dat moment was hun zo veelbelovend begonnen relatie - Freud noemde Jung 'mijn kroonprins' - gedoemd tot de ondergang. BIZARRE DETAILS Stevens laat dit soort bizarre details, misschien verstandig genoeg, weg. Toch is dat jammer, want ze vormen juist de kern waar het Jung om ging:de werkelijkheid van het innerlijk leven, van de microkosmos, de 'werkelijkheid van de ziel', zoals hij het zelf zou noemen. Het is nogal ongelukkig dat de erfenis van Jung vrijwel geheel in handen is gekomen van psychotherapeuten, die nauwelijks belang hebben bij een veelomvatende en diepgravende studie van Jungs theorieen en materiaal. Publikaties over Jung of over werk van Jung zijn daarom meestal teleurstellend: het is vrijwel altijd een slap aftreksel of herkauwen van wat de oude meester heeft gezegd. Het interessantste wat er de laatste tijd op dit gebied is verschenen is afkomstig van theoretische fysici, zoals Synchronicity van de Canadees David Peat, of het boek over Jung en Einstein van de Nederlander dr. H. van Erkelens. Echt wetenschappelijk werk wordt op het gebied van Jungs analytische psychologie nauwelijks verricht.

Een therapeut heeft daar ook weinig belang bij, hij of zij is lid van een school, en stel dat het niet zou kloppen.

Toch zou er heel goed onderzoek kunnen worden gedaan, bijvoorbeeld op het gebied van dromen, maar dat is een vrij kostbare zaak. Daar zijn droomlaboratoria voor nodig, veel proefpersonen, veel belegeiders, die ook nog eens 's nachts moeten werken, kortom, een in deze tijd van wetenschappelijke bezuiniging onbegonnen zaak. Bovendien is de echt Jungiaanse aanpak, van droommateriaal met archetypische motieven, met een innerlijk transformatieproces waarin de persoonlijkheid ingrijpend kan veranderen, slechts bij weinigen geboden.

Volgens persoonlijke mededelingen van een Nederlandse psychiater en een psycholoog, de een jarenlang werkzaam als chef de clinique psychiatrie in een academisch ziekenhuis, de ander als klinisch psycholoog in een groot algemeen ziekenhuis, mensen dus die een doorsnee van de psychische problematiek te zien krijgen, komen ze hoogst zelden patienten tegen die dusdanig droom- of fantasiemateriaal naar voren brengen dat een echt jungiaanse aanpak aangewezen en mogelijk is. Jung zelf had overigens ook deze ervaring, meestal, zo zei hij, had hij wel genoeg aan een freudiaanse of adleriaanse aanpak - het ging dan om relatieproblemen of om problemen rond maatschappelijk succes. PHILEMON Therapeuten hebben daarom weinig aanleiding werkelijk 'jungiaans' te zijn, en zich de volle omvang van Jungs denkbeelden te realiseren. Hoe merkwaardig deze zijn, en hoezeer ze een compensatie vormen voor onze extraverte westerse cultuur heb ik zelf pas goed beseft toen ik in '76 Jungs autobiografie vertaalde. Ik was al redelijk thuis in zijn werk, maar pas toen ik Jungs passage over zijn ontmoeting met Philemon in het Nederlands opschreef, drong het echt tot me door hoe werkelijk die andere wereld, die innerlijke wereld voor hem was.

Een enkele keer zijn er wel eens dromen die reeeler lijken dan het leven van alle dag, maar Jung was in staat, zoals destijds de oude sjamanen, deze binenwereld naar willekeur te bezoeken. En daar, in de tijd van innerlijke en maatschappelijke desorientatie na het mislukken van zijn universitaire loopbaan en na de breuk met Freud, ontmoette hij zijn leermeester, de oude wijze Philemon, met wie hij 'door de tuin wandelde', en die hem veel verduidelijkte over de werkelijkheid van de psyche. MERKWAARDIG Merkwaardig? Natuurlijk. Maar op zich niet vreemder dan dit leven zelf.

Als u alleen al beseft wat er op dit moment allemaal in uw hersenen gebeurt terwijl u dit leest: ogen die verschillen tussen licht en donker waarnemen, verschillen die dan weer door de optische zenuw naar de visuele cortex worden getransporteerd, die op zijn beurt (en/of via het bewustzijn) patronen herkent, hiervan - hoe, dat weet nog geen mens - een innerlijk beeld vormt dat tot in allerlei subtiele details buiten onze hersenen waargenomen lijkt te worden, waarna de hersenen (en/of het bewustzijn) in die patronen een bepaalde betekenis zien, tegelijk er allerlei associaties aan toevoegen, waardoor u wellicht heel iets anders leest dan ik bedoeld heb.

Kortom - de hele tastbare realiteit, als je er iets verder over nadenkt, is zo onvoorstelbaar complex en curieus - Jungs reactie op een oppervlakkig rationeel oordeel was bijvoorbeeld: ' Wat is het logische bewijs van een olifant?' - dat grensfeno-menen als parapsychologische verschijnselen best op de koop toe genomen kunnen worden. Ze maken de zaak hooguit nog wat interessanter. Het lijkt heel wat gemakkelijker, en ogenschijnlijk veiliger, de schijn van een verstandige, rationele wereld op te houden.

Goethe zegt in de Faust over de 'geesten', die maar niet willen verdwijnen: ' Ihr seid noch immer da! Nein, das ist unerhort.

Verschwindet doch! Wir haben ja aufgeklart!'.

Maar Verlichting of niet, het irrationele blijft zijn plaats opeisen. Een paar jaar geleden was er in West- Duitsland nogal wat opschudding over een priester, die een duivelsuitdrijvingsritueel had toegepast bij een jong meisje. De reactie van Nederlandse kranten, ook van deze krant, was er een van verbazing: hoe zo iets mogelijk was in deze verlichte tijd. Ik begreep deze verbazing niet zo goed: vreemd, zoiets in Duitsland? Waar nog maar zo kort geleden een enorme irrationele uitbarsting had plaatsgevonden, een complete terugval in het oude heidendom, met alle bijbehorende rituelen en bloedoffers? Wie weet wat er zich straks nog in het Oosten gaat afspelen. Het irrationele, waaronder de werkelijkheid zelf, die we nu eenmaal niet, ook niet met al onze technische hulpmiddelen, in de hand hebben, moet een plaats hebben, en dan is het maar beter dat zo volledig mogelijk onder ogen te zien, dan net te doen alsof het er niet is, zoals een kind dat bij verstoppertje spelen zijn ogen sluit en denkt aldus niet gevonden te worden. Jung heeft dat, aanvankelijk ten koste van carriere en ondanks een dreigende ondergang van zijn persoonlijkheid, gedaan, en heeft daardoor wegen gevonden hoe om te gaan met dit irrationele element van het leven. Om daarachter te komen kan men nog steeds het beste bij Jung zelf terecht, en niet bij zijn biografen of navolgers, hoe verdienstelijk op zich hun pogingen ook zijn.

    • Pety de Vries