Belgen willen niet uit West-Duitsland

KEULEN, 3 febr. - Nog geen week nadat het terugtrekken van het Eerste Belgische legerkorps uit de Bondsrepubliek publiekelijk werd overwogen, is al een actie begonnen om van het militaire terrein een natuurgebied te maken. Studenten eisen de woningen van de Belgische soldaten op. Maar de beroepsmilitairen zelf willen helemaal niet weg.

'Terug naar Belgie? Ik heb nog nooit in Belgie gewoond.'

De revolutionaire veranderingen in Oost-Europa hebben het onderwerp troepenreducties bovenaan de politieke agenda geplaatst. Minister Ter Beek wil het aantal Nederlandse militairen in West-Duitsland met 750 verminderen, president Bush stelt een extra reductie van 80.000 soldaten voor. De Belgische minister van defensie Coeme heeft geopperd de hele militaire aanwezigheid van zijn land in de Bondsrepubliek maar te beeindigen. Het gaat om ongeveer een kwart van het hele Belgische leger. De betrokken Belgische militairen waren vooraf niet van zijn ideeen op de hoogte. Zij mogen zich niet hardop afvragen of de terugtrekking militair verantwoord is. Wel beklagen zij openlijk het lot van de getroffen 16.300 beroepsmilitairen, hun 9.300 echtgenoten en hun 11.700 kinderen. 'De miliciens (dienstplichten) willen zo dicht mogelijk bij hun liefjes in Belgie zijn en de officieren zijn gewend te worden overgeplaatst, dus die twee groepen hebben er geen problemen mee', zegt luitenant E. van Cant, hoofdredacteur van het Korpsjournaal en leger-woordvoerder. Maar de onderofficieren en de beroepssoldaten dienen lang bij een onderdeel en zijn geworteld in de Duitse samenleving. Anders dan Nederland heeft Belgie kort na de Tweede wereldoorlog een bezettingsmacht in Duitsland gestationeerd.

'De oudere onder-officieren zitten hier al langer dan twintig jaar. Die kun je niet zomaar terugtrekken.'

Na zich tien jaar te hebben voorbereid op de aanval van de vijand zag luitenant Van Uytven afgelopen herfst de Oostduitsers zijn straat inrijden. Niet in tanks maar in Trabants. Van Uytven was net zo blij als ieder ander, zijn beroep staat daar los van. 'Ik heb de gewone Oosteuropeaan nooit als vijand gezien. Mijn tegenstander was het Warschaupact, het communistische systeem.'

En dat blijft zo.

'Van de televisiebeelden over onderdrukking en corruptie ben ik meer geschrokken dan vroeger van de aantallen tanks en vliegtuigen.

Dat waren maar getallen, nu is het concreter.'

Pag.5: Vervolg De vader en schoonvader van luitenant E. van Uytven behoren tot die ouderen voor wie terugkeer 'ondenkbaar' is, hijzelf ligt nu tien jaar in de Bondsrepubliek. Van Uytven kent Belgie hoofdzakelijk van zijn opleiding. Zijn achtjarige dochtertje voedt hij duitstalig op. 'Als de appelen van de bomen vallen en het zijn er teveel, dan komen ze ons die brengen', zo beschrijft hij het contact met zijn Duitse buren.

En dan is er nog de financiele achteruitgang, rekent Van Cant voor in de comfortabele officiersclub waar een driegangenmenu nog geen zes gulden kost. De Belgische beroepsmilitairen in de Bondsrepubliek wonen gratis en ontvangen elke maand een toeslag van ruim 300 gulden op hun salaris.

Van de veranderingen die aanleiding zijn voor de voorgenomen troepenreducties hebben de Belgische militairen weinig gemerkt.

'Tijdens de opleiding waarschuwden ze nog tegen de Wladimirs, die term hoor je nu niet meer', vertelt dienstplichtig soldaat E. Wullms.

De milicien voelt zich in de Bondsrepubliek geheel overbodig. Zijn diensttijd bestaat uit verveling. 'De politieke veranderingen zijn hier nog niet doorgedrongen', verklaart luitenant Van Uytven wat monterder. 'We gaan gewoon door met oefenen tot er andere richtlijnen komen.'

Luitenant en milicien onderschrijven de waarschuwing tegen te veel optimisme van de Belgische opperbevelhebber in Duitsland: nu het communisme als drijvende kracht even op de achtergrond is geraakt, steekt nationalisme gevaarlijk de kop op, het blijft nodig een leger achter de hand te hebben. In de kazernes merken de soldaten van het einde van de Koude Oorlog misschien weinig, in de stad wel. 'Als ik tien jaar geleden in mijn uitgaansuniform op straat liep keken burgers met bewondering. Nu voel ik de blikken in mijn rug of roepen ze me zelfs openlijk na', constateert luitenant Van Cant met enige weemoed. Hij wijt dit vooral aan het verdwijnen van de nucleaire dreiging. In de omgeving van Keulen, waar het hoofdkwartier van het Eerste Belgische Legerkorps is gevestigd, wordt het mogelijke vertrek van de buitenlandse gasten door winkeliers en een enkele vereniging betreurd, de koppen in de lokale pers maken duidelijk dat met de verdeling van de Belgische bezittingen al is begonnen. 'Nieuwe studentenwoningen wanneer Belgen Keulen verlaten.'

Van Cant slaat met een triest gezicht zijn knipselmap dicht. 'De kranten beginnen te bedaren maar voor ons blijft de vraag: hoe gaat het verder?'

    • Hans Nijenhuis