Simons: beeindigen leven van coma-patient medisch besluit

DEN HAAG, 2 febr. - Het niet langer toedienen van voedsel aan een coma-patient is in de eerste plaats een medische beslissing en pas daarna een juridisch-ethische aangelegenheid. Dat zei staatssecretaris Simons van volksgezondheid gisteren bij de behandeling van de begroting van WVC. Hij onderschrijft hiermee het standpunt van parlementarier Kohnstamm (D66), die hem hierover eerder deze week vragen had gesteld.

Kohnstamm vindt dat niet de strafrechter, maar het Medisch Tuchtcollege een uitspraak moet doen over de vraag of een arts de behandeling van een coma-patient terecht heeft stopgezet. Hij wil de discussie over euthanasie los zien van het beeindigen van levens van comapatienten. Volgens Kohnstamm gaat het bij coma-patienten om de vraag in hoeverre het coma onomkeerbaar is. Daarna is aan de orde of een verdere medische behandeling zinloos is.

Simons zei gisteren dat de commissie die zoals aangekondigd in het regeerakkoord de euthanasiepraktijk in Nederland gaat onderzoeken, een duidelijk onderscheid moet maken tussen levensbeeindiging in geval van coma en actieve euthanasie.

Deze opvatting ligt in het verlengde van de uitspraak van het Arnhemse Gerechtshof, dat in de zaak-Stinnissen bepaalde dat de beslissing over levensbeeindiging bij coma-patiente Stinissen in eerste instantie zaak van de behandelende arts was. De arts zal, aldus het hof, moeten bepalen of voortzetten van een medische behandeling - waaronder het hof ook kunstmatige voeding rekende - nog zinvol is.