ROTTERDAM, 2 febr. - Het Nederlands Letterkundig ...

ROTTERDAM, 2 febr. - Het Nederlands Letterkundig Museum ziet mogelijk de grootste en belangrijkste collectie handschriften van de dichter Gerrit Achterberg aan zijn neus voorbij gaan. Het museum meende als enige in aanmerking te komen voor de handschriften - die tot nu toe niet openbaar waren - maar de eigenaars willen de collectie nu laten veilen. Twee Amerikaanse bibliotheken zouden al hebben laten weten geinteresseerd te zijn.

Het gaat om de verzameling van de in 1980 overleden mr. Joan Stakenburg. In de periode 1947-1961 kocht hij, om Achterberg te steunen, vele honderden handschriften van de dichter. De collectie uit Stakenburgs nalatenschap bestaat uit ongeveer driehonderd vellen met daarop ruim tweehonderd gedichten uit in totaal tien bundels. Van vijf bundels, waaronder 'Cenotaaf', 'Ballade van de gasfitter' (beide uit 1953) en 'Spel van de wilde jacht' (1957) zijn alle gedichten compleet, veelal in meer versies. Het grootste gedeelte bestaat uit kladhandschriften; 75 gedichten zijn in net handschrift met slechts enkele doorhalingen en 55 zijn (soms deels) getypt. Tot nu was er slechts een tiental kladhandschriften van Achterberg openbaar. R. L. K. Fokkema, die in 1973 promoveerde op de varianten in de gedrukte teksten van Achterberg, noemt de collectie 'absoluut uniek'.

Ze geven 'een vergaand inzicht in het ontstaan en de structuur van zijn bundels', aldus Fokkema. Sinds 1985 heeft het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag driemaal geprobeerd van WVC een aankoopsubsidie te krijgen. In 1985 werd de waarde van de collectie geschat op 70.000 gulden. De weduwe van Stakenburg zou met dit bedrag akkoord zijn gegaan, aldus Anton Korteweg, directeur van het Letterkundig Museum, maar WVC heeft de subsidieaanvraag steeds afgewezen. Ook het Achterberg-genootschap probeert de collectie te verwerven.

Volgens een woordvoerder van het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper 'ziet men in het buitenland van zoiets veel beter de waarde in'. Pag.12: Vervolg De neerlandicus Redbad Fokkema, die Achterberg beschouwt als 'een van de grootste Nederlandse dichter van de twintigste eeuw', is goed bekend met de collectie-Stakenburg. Tussen 1982 en 1987 waren de handschriften aanwezig op het Instituut voor Neerlandistiek van de Rijksuniversiteit Utrecht. In die periode werd een eerste aanzet gemaakt voor een historisch-kritische bewerking van het materiaal; afspraak met de erfgenamen van Stakenburg was echter dat over de handschriften niet mocht worden gepubliceerd. Bovendien haalde de familie de collectie terug lang voordat het werk was voltooid. Behalve het Letterkundig Museum in Den Haag is ook het Achterberg-genootschap sinds enkele maanden in onderhandeling om de benodigde gelden bij elkaar te krijgen. Bemiddelaar tussen de familie Stakenburg en een mogelijke financier van de aankoop is A. Middeldorp, secretaris van het genootschap en schrijver van twee monografieen over Achterberg. 'Waarschijnlijk wordt het een anonieme financiering door iemand uit het bedrijfsleven, mogelijk aangevuld met een tweede particuliere bron', aldus Middeldorp. Wanneer het genootschap de collectie verwerft zal deze toch terechtkomen in het Letterkundig Museum, want 'dat is de plaats waar ze thuis horen'.

De handschriften zouden geconserveerd moeten worden zodat ze als basis kunnen dienen voor een historisch-kritische uitgave. Middendorp: 'Het is zeer ergelijk dat de overheid geen steun wil verlenen: om zulke dolle bedragen gaat het nu ook weer niet.' De onderhandelingen van het genootschap zouden in vergevorderd stadium zijn, maar vooralsnog staat er niets zwart op wit. Dat geldt eveneens voor de afspraken met het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper. De erfgenamen Stakenburg, die alle publiciteit rond de handschriften nadrukkelijk mijden, en onbereikbaar zijn voor commentaar, gaven Kuyper onlangs opdracht de collectie op de eerstvolgende veiling te brengen. Het veilinghuis bezit de handschriften nu slechts in kopie, maar zegt een afspraak te hebben de originelen binnen twee weken op te halen. De collectie, die niet 'verkaveld' zal worden, zal door Kuyper worden ingezet voor de richtprijs van 90.000 tot 120.000 gulden. Kuyper: 'Ik zie het als een culturele taak de collectie bij elkaar te houden. Zelf zou ik er de voorkeur aan geven om de handschriften in Nederland te houden, maar in het buitenland zien ze van zoiets veel beter de waarde in. Autografen van schrijvers als Dylan Thomas of Rimbaud brengen tonnen op.' Wim Hazeu, die in 1989 een biografie van Gerrit Achterberg publiceerde, heeft de verzameling nooit bestudeerd, maar schat dat de collectie niet meer dan 40.000 gulden zal opbrengen. Hazeu zegt 'ambivalent' tegenover veiling van de handschriften te staan. 'Enerzijds zou er in Nederland geld verzameld moeten worden om de collectie te kopen maar aan de andere kant geldt: als je maar weet waar het blijft. We hebben hier ook brieven van Mozart - het zou toch te gek zijn als Oostenrijk daar tegen zou protesteren. Zaken zijn zaken, dit hoort erbij', aldus Hazeu. Veilinghouder Bubb Kuyper zegt dat twee Amerikaanse bibliotheken met een nederlandstalige hem verzocht hebben kopieen van het volledige materiaal toe te zenden. Volgens Kuyper hebben beide instituten laten weten 'zeer geinteresseerd' te zijn. King Pepermunt Bij de handschriften zal een leeg kartonnen doosje van King Pepermunt worden verkocht. Het verhaal gaat dat Achterberg zijn kladhandschriften altijd weggooide tot Stakenburg hem op een gegeven moment dit doosje overhandigde met de woorden: 'Joh, gooi het voortaan hier maar in, dan koop ik ze'.

Fokkema beschouwt dit overigens als een legende, evenals het verhaal dat Achterberg met de opbrengst van de handschriften de garage van zijn huis in Leusden zou hebben betaald. Zeker is dat Stakenburg niet erg veel voor de handschriften zal hebben betaald. Fokkema schat dat bedrag op ongeveer 6.000 gulden. Bezichtiging van de kopieen leert dat Achterberg de eerste versies van zijn gedichten vaak schreef op handgrote blaadjes uit een kladboekje of zakagenda. Fokkema spreekt van 'buitengewoon priegelwerk'. 'Je kunt uit de handschriften concluderen dat Achterberg vaak onmiddellijk begon met een sonnet-achtige vorm. Hij schrijft wat op en speelt er dan mee tot de definitieve vorm wordt bereikt. Sommige gedichten zijn in een ruk geschreven maar bij sonnetten begint het regelmatig bij de dertiende of veertiende zin te haperen. Wat verder opvalt is dat de structuur heel consistent is: zowel in metrum als in woordgebruik.' Op een enkele uitzondering na zijn de gedichten ongedateerd. Achterberg veranderde regelmatig de titel van een gedicht. In het handschrift 'Autografie' (uit: Podium, 1952) staan als alternatieve titels doorgestreept 'Scribomanie' en 'Tuinbeeld'. 'Terra Incongnita' uit Vergeetboek (1961) blijkt eerst 'Kernreactie' te hebben geheten. En het gedicht 'Necrologie' heette eerst 'Gerard Temme' en is, vrijwel zonder doorhalingen, achter op de rouwkaart van deze Arnhemse kunstenaar geschreven. Kereltje Waarschijnlijk dateert het contact tussen Achterberg en Stakenburg, die bevriend was met Ed. Hoornik, van omstreeks 1943. In zijn Achterberg-biografie citeert Wim Hazeu een brief van 19 juli 1943 waarin Jan Vermeulen, een goede vriend van Achterberg, schrijft over een zondags uitstapje in Amsterdam: 'Hoornik (...) kwam al gauw en bracht mee Joan Th. Stakenburg. Dit kereltje (dat als curiositeit handschriften verzamelt) en een soort jurist is, had als eenige goeie eigenschap dat hij onze biertjes enz. betaalde.'

Als het gezelschap in cafe Eylders is aangeland heet het: 'Hoornik zat te flirten met een hoertje; Jan Elburg zat grote glazen bier te verorberen en vond zich een flinke jongen. Stakenburg hing de maecenas uit. Gerrit en ik waren de buitenlui, die een dagje uit waren en zwegen.' Stakenburg werd geboren in 1917 en werkte na voltooiing van zijn studie enkele jaren als advocaat. Later ging hij van een familiekapitaal leven en wijdde zich op verschillende manieren aan de kunsten. Hij steunde niet alleen Achterberg, maar kocht ook handschriften van Gerard den Brabander, Ed. Hoornik en Martinus Nijhoff. Volgens Hazeu schreef Stakenburg zelf ook gedichten. 'Achterberg werd gevraagd om commentaar te leveren op de gedichten van Stakenburg, wat hij deed... door zich op de vlakte te houden.'

Stakenburg komt ten minste eenmaal voor in brieven van Achterberg aan derden. Zo schrijft de dichter op 16 oktober 1943 aan zijn vriend Vermeulen: 'Moeten we Stakenburg nog geld vragen voor h.s. [handschriften red.] Thebe bv.?' Blijkbaar ging de koop ging niet door, want in de huidige collectie bevinden zich geen handschriften van gedichten uit Thebe (1941). Toen Achterberg in 1946 de Van der Hoogt-prijs, de aanmoedigingsprijs voor letterkunde, voor de tweede maal aan zich voorbij zag gaan, bekroonden zijn vrienden zijn bundel Radar met de speciaal voor deze gelegenheid ingestelde Pinksterprijs. Het aan de prijs verbonden geldbedrag, duizend gulden, werd door Stakenburg geschonken. Tijdens deze prijsuitreiking, die op 27 mei 1946 werd gehouden in Amsterdam, las Achterberg voor het eerst in het openbaar zijn gedichten. De dichter was over een en ander buitengewoon gespannen en schreef diezelfde dag aan zijn mecenas: 'Vergeet ook niet, beste Stakenburg, dat ik a.h.w. een machine had moeten zijn om feilloos te reageren op die lawine van indrukken, bliksemgesprekken etc. etc. en dat ik voor het eerst van m'n leven tusschen zooveel menschen stond.' Korte tijd later vroeg Achterberg aan Stakenburg om voor hem te getuigen bij zijn huwelijk met Cathrien van Baak, maar Stakenburg werd 'afgeblazen', zoals het bij Hazeu heet, toen Ed. Hoornik en Bert Bakker zich voor die functie aandienden.

Achterberg heeft de aandacht voor zijn persoon altijd sterk afgehouden. Hazeu schrijft hierover: 'Er mocht geen biografisch spoor achterblijven. Een verzoek om handschriften van de bibliothecaris van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en van de Leidse Universiteitsbibliotheek van 2 september 1953 werd, op aandringen van de dichter, door Bert Bakker een week later afgewezen. Dat Achterberg de handschriften van zijn gedichten verkocht aan Joan Stakenburg lijkt hiermee in tegenspraak. Pecunia non olet, maar het is voor de dichter soms de enige manier om aan een inkomen te komen.' Hoewel de voorbereidingen voor de veiling al in gang zijn gezet, is Anton Korteweg, directeur van het Letterkundig Museum, optimistisch. 'Ik heb goede reden aan te nemen dat de collectie in het museum komt. De belangstelling vanuit de VS verbaast me niets, Achterberg is een heel grote naam. Ik heb de indruk dat de familie Stakenburg het belang ervan inziet de collectie voor Nederland te behouden. Maar we krijgen het niet cadeau.' Ook Middeldorp van het Genootschap Gerrit Achterberg ziet het niet al te somber in. 'Ik kan me best voorstellen dat de familie haar licht elders heeft opgestoken. Het gaat allemaal erg traag. Toch denk ik dat de onderhandelingen binnen korte tijd kunnen worden afgerond.'Veilinghouder Bubb Kuyper ziet echter geen grond voor optimisme. 'Mevrouw Stakenburg heeft tegen mij gezegd dat ze de collectie nu wil afstoten. Het heeft allemaal al lang genoeg geduurd. Als de afspraak blijft zoals die is, en ik heb geen reden om daar aan te twijfelen, kan het museum de collectie kopen. Maar dan bij mij, op de veiling.'

    • Ewoud Sanders