'Parkstad' Zuid-Holland omstreden

DEN HAAG, 2 febr. - Twintig jaar geleden mocht het open gebied tussen Rotterdam en Den Haag beslist niet dichtslibben tot een grote tuin- of 'parkstad'. Om dat te voorkomen moesten de 'duimschroeven van de ruimtelijke ordening', aldus de Zuidhollandse gedeputeerde Buysert (CDA) in 1977, 'krachtig worden aangedraaid'.

De provincie Zuid-Holland, die zich altijd laat voorstaan op haar overvloed aan groene gebieden, kampt sinds jaren met een groot gebrek aan ruimte voor woningbouw en bedrijfsterreinen. Daarom heeft zij, in afwijking van vroegere planologische concepties, nu het oog laten vallen op het zogenoemde Tussengebied (14.000 hectare) waar een even gevarieerd als aantrekkelijk woon-, werk- en vrijetijdslandschap zou moeten worden ontwikkeld.

Maar de Randstadprovincie zit sinds vorig jaar op een heel andere lijn. Toen presenteerde PvdA-gedeputeerde voor ruimtelijke ordening en architecte L. E. Stolker-Nanninga haar ambitieuze inrichtingsplan 'Een parkstad tussen hof en haven?' voor het gebied tussen de twee grote steden.

Dat betekent dat de bevolking van het grootstedelijk binnengebied, dat de gemeenten Nootdorp, Delfgauw, Pijnacker, Zoetermeer, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk-Bergschenhoek omvat, zou moeten groeien van 55.400 naar 200.000 inwoners. Daarvoor zouden 64.000 nieuwe huizen (6,5 procent van het totaal aantal nieuwe woningen dat Nederland nodig heeft) in de lage dichtheid van 40 per hectare moeten worden gebouwd en zou een uitgebreid sneltramnet met 25 haltes (met als centrale verbinding de bestaande Hofplein-spoorlijn) moeten worden gerealiseerd. Van de regio wordt 32 procent gereserveerd voor stedelijke functies (wonen en werken), 42 procent voor groen- en watervoorzieningen en 26 procent voor de glastuinbouw, die vooral in het midden- en in het oostelijk deel van het gebied sterk kan worden uitgebreid. Onomstreden is het plan beslist niet. Zo zijn niet alleen de tuinders in het gebied tussen Den Haag, Zoetermeer, Zevenhuizen en Rotterdam met Pijnacker als streekcentrum er sterk op tegen. Planologen noemen het plan wat al te gemakkelijk, te gladjes en te gretig. Dat bleek gisteren op een provinciale planologische studiedag in Den Haag waar onder meer Almere-ontwerper ir. D. H. Frieling en ir. H. Leeflang, directeur ruimtelijke planvorming van het ministerie van VROM, aan hun twijfels de vrije loop gaven. Weliswaar prees Frieling de Zuidhollandse studie als 'heel keurig, praktisch en pragmatisch', maar hij vond het plan bepaald niet fantasievol en nauwelijks creatief van opzet. Volgens Frieling is het gebied waar gedeputeerde Stolker in 25 jaar een nieuwe groene identiteit met een aantrekkelijke verstedelijking wil enten een regio zonder enige ruimtelijke kwaliteit.

'Ik bedoel daarmee', zei hij, 'dat deze streek met zijn eindeloze lintbebouwingen gewoonweg lelijk, rommelig en armetierig is, absoluut niet mooi. Het is er leeg; alleen aan de horizon zie je de grote stad Rotterdam of nog vreselijker, die agressieve gebouwen van Zoetermeer.' Frieling vraagt zich af wie eigenlijk in deze 'achtertuin' van Den Haag en Rotterdam zou willen wonen en of men op de veengronden van het Tussengebied wel prettig kan recreeren. Waarop hij tot de conclusie kwam dat de tuinders, wier bedrijfsuitoefening zo weinig grondgebonden is dat 'de kassen net zo goed de ruimte ingeschoten' of naar de Noordoostpolder verplaatst kunnen worden, er op termijn in ieder geval zouden moeten verdwijnen. Bij de Rijksplanologische dienst (RPD) bestaat grote aarzeling over de noodzaak en haalbaarheid van het Zuidhollandse plan. Weliswaar wordt het Groene hart van Holland, dat volgens alle ruimtelijke visies zo veel mogelijk open en onbebouwd moet blijven, niet direct aangetast. 'Maar je moet met zulke provinciale inrichtingsplannen wel verdraaid goed oppassen', zegt ir. Leeflang van de RPD. Gisteren in Den Haag sprak hij niet a titre personnel, 'maar beslist in functie, ook al weet ik niet of onze minister Alders ons standpunt zonder meer deelt'.

Opvallend vond hij dat de provincie het Tussengebied echt als een eigen regio beschouwt en 'helemaal geen rekening houdt met alle mogelijkheden voor woningbouw die nog bestaan binnen de grote steden'.

Leeflangs grootste bezwaar tegen verstedelijking van het Tussengebied is dat het autoverkeer onbedoeld sterk erdoor zal toenemen, gezien de grote achterstand in het openbaar vervoer. Gedeputeerde Stolker kalmeerde haar opponenten met de mededeling dat het plan nog slechts een 'discussiestuk' is met door Gedeputeerde Staten goedgekeurde uitgangspunten. Om het aan overtuigingskracht te doen winnen is volgens haar verder onderzoek en veel overleg nodig. Vooral omdat in het Tussengebied iedereen altijd op alles onmiddelijk 'neen' pleegt te zeggen.