Hoge Raad: geen recht op omgang met kind voor donor

DEN HAAG, 2 febr. - De Hoge Raad vindt dat een spermadonor geen recht heeft op een omgangsregeling met het kind dat met zijn zaad is verwekt. Zijn verzoek werd niet ontvankelijk verklaard.

Voor ontvankelijkheid van een dergelijk verzoek is het noodzakelijk dat er sprake is van gezinsleven. Volgens het hoogste rechtscollege is het enkele feit van biologisch vaderschap in ieder geval onvoldoende om van gezinsleven te kunnen spreken. De uitspraak van de Hoge Raad is identiek aan een eerder arrest van het gerechtshof in Amsterdam.

Het ging in deze zaak om een lesbische moeder die zichzelf had geinsemineerd met het sperma van een kennis. In 1987 kreeg ze een dochter. Na de geboorte van het kind kwam de man aanvankelijk wekelijks op bezoek. Maar daar kwam een eind aan toen hij ruzie kreeg met de moeder en haar vriendin.

De man stapte naar de rechter omdat hij contact met het meisje wilde houden. Hij beriep zich daarbij op de emotionele banden die inmiddels waren ontstaan. De Utrechtse kinderrechter bepaalde in december 1988 dat het door de grote persoonlijke conflicten die tussen de donor en de twee vrouwen waren gegroeid niet in het belang van het meisje zou zijn om omgang met de donor te hebben.

Volgens het Clara Wichmann Instituut (CWI) dat via het Proefprocessenfonds Rechtenvrouw de moeder in de procedure ondersteunde is er door de uitspraak van de Hoge Raad eindelijk duidelijkheid gekomen voor vrouwen die via spermadonatie een kind hebben gekregen. 'Zolang er tussen de man die het zaad leverde en het kind geen regelmatige, intensieve contacten worden onderhouden, hoeven zij geen interventie in hun priveleven te vrezen', aldus mr. D. Pessers van het CWI.