'Eerste hulp aan ongevalspatienten kan veel beter'

AMSTERDAM, 2 febr. - De opvang van ernstige ongevalspatienten moet worden verbeterd. Dat zeggen kinderarts/ intensivist M. J. P. Bruins-Stassen en chirurg/ traumatoloog dr. A. H. Broekhuizen, beiden verbonden aan het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Op een aantal fronten staat deze hulp nog in de kinderschoenen, terwijl er kennis en mogelijkheden zijn om de kans op overlijden tijdens het transport en na aankomst in het ziekenhuis sterk te verkleinen.

Vandaag wordt in de RAI een symposium gewijd aan deze problematiek. Tegelijk verschijnt het eerste Nederlandse boek over de techniek van het transporteren en de eerste behandeling van ernstig zieke en gewonde patienten. Elk jaar gebeuren er in ons land ongeveer 800.000 ongevallen in het verkeer, in bedrijven, bij het sporten en 'in of om het huis'. Dat leidt tot zo'n 150.000 ziekenhuisopnamen. Zo'n 6.000 mensen overlijden aan hun verwondingen. Voor mensen beneden 35 jaar zijn ongelukken de belangrijkste doodsoorzaak. De meeste doden als gevolg van een ongeluk vallen in de privesfeer. Zelfdoding komt in de tweede plaats, gevolgd door verkeersongevallen. Doden door geweld vormen een te verwaarlozen aantal. Poliklinisch worden jaarlijks 660.000 mensen behandeld voor een ongeluk in de privesfeer. Eenderde daarvan komt door sport. Een op de 100 Nederlanders raakt gehandicapt door een ongeval.

Een deel van alle gewonden wordt per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. De Nederlander is gemiddeld twintig minuten van een ziekenhuis verwijderd. De 250 ambulance-diensten rijden jaarlijks 600.000 maal uit om zieken, gewonden of pasgeborenen te vervoeren. Bij de wet is geregeld dat een ambulance binnen een kwartier op de plaats van het ongeval moet zijn. Door het steeds drukkere verkeer is dat niet altijd haalbaar. De Amsterdamse prof. dr. H. J. Th. M. Haarman (chirurg/ traumatoloog) wees er vorig jaar in zijn inaugurele rede op dat het terugdringen van het tijdverlies tussen het tijdstip van het ongeluk en het moment waarop de artsen aan de slag kunnen de schade en de sterfte sterk doen dalen.

Traumatologen (ongevalschirurgen) spreken van het 'gouden uur' dat aanbreekt op het moment dat het ongeluk gebeurt. 'Door optimale behandeling in dat eerste uur kunnen handicaps worden vermeden die de patient anders soms een mensenleven achtervolgen. De behandeling moet dus zo snel mogelijk worden ingezet, liefst al op de plaats van het ongeval. Het ambulance-personeel speelt daarbij een alles bepalende rol', aldus Broekhuizen. Tijdens het vervoer moet de patient in de best mogelijke conditie worden gehouden.

De denkbeelden over de manier waarop een slachtoffer moet worden vervoerd zijn de laatste jaren duidelijk veranderd. Was het vroeger zaak de patient op de brancard te laden en vol gas naar het eerste het beste ziekenhuis te rijden, steeds meer wordt de voorkeur gegeven aan levensreddend handelen op de plek van het ongeluk.

Tijdwinst

Steeds vaker staan regionale traumateams (een chirurg, een anesthesioloog en twee verpleegkundigen) klaar om op verzoek van het ambulancepersoneel hulp te verlenen op de plaats van het ongeluk. Gewapend met een set koffers kunnen ze op straat reanimeren of beperkt operatief ingrijpen.

Het dilemma is, volgens de twee artsen, dat enerzijds geen tijdverlies mag ontstaan bij het vervoer naar het ziekenhuis, maar anderzijds de ambulance niet mag rijden voordat de situatie medisch enigszins onder controle is. In een rijdende auto kan de arts of verpleegkundige geen buis via de mond-keelholte in de luchtpijp brengen als bijvoorbeeld verstikking dreigt. Vooral door verstikking overlijden onnodig meer ongevalsslachtoffers dan door enige andere oorzaak. Ook het inbrengen van een infuus is in een rijdende auto onmogelijk.

Hoewel tijdwinst meegenomen is kan het beter zijn dat een ambulance een kleiner ziekenhuis passeert en doorrijdt naar een universitair en/of een opleidingsziekenhuis, zo stellen Broekhuizen en Bruins-Stassen. Kleine ziekenhuizen zijn zelden ingesteld op opvang van ernstig gewonden. Ze zijn minder ingesteld op ernstige traumapatienten of de noodzakelijke apparatuur ontbreekt, zoals een CT-scan voor onderzoek naar hersenletsel. Bovendien kan het zijn dat operatiekamers in gebruik zijn of dat er geen voorzieningen zijn voor intensive-care of er is geen neurochirurg in zo'n ziekenhuis werkzaam.

De kwaliteit van de zorg in ons land wisselt sterk per regio. Op veel plaatsen werken nog ambulance-begeleiders, EHBO-vrijwilligers en ziekenverzorgers, waar verpleegkundigen noodzakelijk zijn. Volgens de initiatiefnemers van het symposium in Amsterdam zou aan het niveau van de opleiding meer kunnen worden gedaan, vooral op het vlak van praktisch handelen zoals het inbrengen van een infuus. Bovendien zouden zo'n 15 ziekenhuizen een regionale traumafunctie moeten krijgen. Door een groter aanbod van patienten in zo'n centrum kunnen de daar werkzame artsen meer ervaring opdoen, meent Broekhuizen.

Vraag daarbij is of kan worden volstaan met de traditionele ziekenwagen. Haarman gaf vorig jaar al aan dat meer helikopters zouden moeten worden ingezet. Helikopters zijn echter verre van comfortabel. Ze maken zeer veel lawaai en zorgen voor hinderlijke trillingen. Helikopters hebben wel het voordeel snel ter plaatse te zijn. Maar situaties waarin ze onontbeerlijk zijn, zoals bij het evacueren van gewonden op berghellingen, eilanden en boorplatforms, komen in ons land nauwelijks voor. Wel is in het buitenland het nut bewezen als door massale kettingbotsingen wegen onbruikbaar zijn geworden. Tegen het nadeel van herrie en trillingen weegt weer 'de rust' op die een helikopter biedt; hij ligt stabiel in de lucht, heeft geen krijsende sirene en de snelheid is gelijkmatig, in tegenstelling tot een wegambulance die door het verkeer moet slalommen. Daar staat tegenover dat de helikopter een duur apparaat is, waarvoor bovendien een 'crew' permanent beschikbaar moet zijn.

Bij het vervoer van zieke pasgeborenen kunnen helikopters wel goede diensten bewijzen doordat in ons land slechts tien ziekenhuizen zijn aangewezen als centrum voor neonatale- en kinderchirurgische zorg. Gebleken is dat helikopters flinke tijdwinst boeken op de zogenoemde 'babylance' als de te overbruggen afstand meer dan zeventig kilometer bedraagt.

Op de plaats van het ongeval, tijdens het vervoer en na aankomst in het ziekenhuis, moet de behandeling van de patient optimaal zijn om de kans op overlijden of ernstige invaliditeit zo klein mogelijk te houden. Het vanuit de praktijk geschreven boek geeft aan alle hulpverleners de noodzakelijke richtlijnen, zegt Broekhuizen. Zo'n boek was er tot nu toe niet.

    • Bram Pols