De schrijvende president (1)

Toen Vaclav Havel tot president van Tsjecholowakije was gekozen voelde ik me meer dan tevreden. Eindelijk weer eens iemand aan het hoofd van een staat die kan lezen en schrijven, dacht ik. Niet dat ik de geletterdheid van staatshoofden en regeringsleiders axiomatisch onderschat, maar ze horen tot een ander soort mensen. Verder leek het me vanzelfsprekend dat iemand die wegens zijn geschriften de kinderachtigste pesterijen had moeten verdragen, herhaaldelijk in de gevangenis was gekomen en zich door al die misdadige venijnigheid niet had laten slopen, maar juist tot het geweten van de natie was geworden, of nog meer: tot een aanmoediging voor iedereen om zich de waarheid niet te laten afpakken, dat zo iemand in roerige tijden de beste president zou zijn. Voor een poosje natuurlijk. Na zekere tijd zal Havel weer gaan schrijven. Wat ik later over de Tsjechische president heb gelezen, is in overeenstemming met deze verwachtingen. 'Niemand is president, ' heet het meeslepend artikel van Gyorgy Konrad in het CS van vorige week. 'Hoe hij het presidentschap opvat? Als een grap natuurlijk maar ook als een bloedserieuze zaak.'

Als ik in Warschau was, ging ik graag op bezoek bij Jacek Kuron, een onverschrokken politieke denker en eerste klas redenaar en iemand die zichzelf zienderogen verbruikte voor de rechtvaardige zaak. Mijn bijdrage tot de zaak was in eerste aanleg een fles wisky, als cadeautje meegebracht, en hij was dan weer bereid, die met mij te delen. Ik luisterde, twee uur, misschien nog langer en ervan afgezien dat ik dan heel wat had opgestoken, voelde ik me zeer verfrist. Zijn analyses, zijn verhalen en zijn plannen, liever gezegd de hele man had iets aanstekelijks. Niets was voorzichtig, abstract of algemeen aan deze vrolijke intellectueel. Soms ging ik niet bij hem op bezoek want dan zat hij in de gevangenis. Nu ging het niet omdat hij ziek was geweest en het als minister van arbeid overigens te druk had. Kuron: een beroepsminister? Dat kan ik me niet van hem voorstellen, evenmin als ik van Havel verwacht dat hij ooit beroepspresident zal worden.

Hebben de tientallen, misschien wel honderden intellectuelen in de Oosteuropese landen de omwenteling veroorzaakt? Hun tegenstanders hebben er met hun domheid, dogmatiek en laf conformisme veel toe bijgedragen, maar als de intellectuelen en kunstenaars zich niet onverslaanbaar hadden getoond was het nooit zo ver gekomen. De revolutie in Midden Europa is in de eerste plaats te danken aan die onversaagde voorhoede. Die heeft er de energie en de vorm aan gegeven.

Het CS waarin ik het artikel van Konrad las, bevat nog een interessant opstel over hetzelfde onderwerp. Het is van K. L. Poll. Hij schrijft: 'Telkens staat bij al die nieuwe namen van revolutionaire politici vermeld dat zo-en-zo van huis uit een filosoof is of een dichter of een natuurkundige of een toneelschrijver of een predikant. Moet je dat toejuichen en bij jezelf denken: nu gaat het vast goed? Of moet je je hart vasthouden en bij jezelf denken: zo gaat het vast mis?' Dan gaat de schrijver te rade bij twee bekende denkers uit het interbellum die wijze woorden hebben geschreven over de intellectuelen en de politiek, maar die daarmee K. L. Poll niet redden uit zijn eigentijds dilemma. Gaat het daar goed of gaat het daar mis nu de schrijvers en hun makkers aan de macht zijn? Dat is de vraag niet. Het feit dat ze aan de macht zijn is het duidelijkste bewijs dat het tot dusver uitstekend is gegaan. Kan het nog beter? Ja, als ze nog een poosje blijven, want alle anderen zijn gecorrumpeerd: de ambtenaren, de politici, de officiele vakbondsleiders, iedereen die geholpen heeft de lakens uit te delen. Tientallen jaren hebben de nationale culturen daar hun leven te danken gehad aan mensen als Havel, Michnik, Dinescu, Kuron, Sacharov, noem ze op. Nu besturen ze ruines die worden bevolkt door mensen die in de politiek niemand meer vertrouwen dan degenen die niet hebben gecollaboreerd. Zal het goed gaan, mislopen? Absurde vraag. Het is alsof Havel in het Westen eigenlijk eerst toelatingsexamen zou moeten doen. Dat heeft K. L. Poll natuurlijk niet bedoeld. Hij beseft ook wel dat hij schrijft in de geordende luxe van het democratische Westen, maar van die luxe wordt hij de 'dupe', om bij zijn terminologie te blijven, min of meer als de man in Plato's grot die dacht dat behalve hij alle mensen plat waren omdat hij alleen hun schaduw zag. Maar in dit geval heeft hij de twee dimensies; de anderen hebben er drie.

    • H. J. A. Hofland