Alfonso Guerra eerste slachtoffer verval Spaanse socialisten

MADRID, 2 febr. - Op geen enkel moment in de geschiedenis van Spanje is de regering zo vrij geweest van corruptie als vandaag de dag. Wie daaraan twijfelt speelt een gevaarlijk spel, waarschijnlijk uit partijpolitieke overwegingen of om meer kranten te kunnen verkopen. Wie nog verder gaat en durft te vragen om het aftreden van vooraanstaande politici is kennelijk uit op de destabilisering van het land.

Met woorden van deze strekking heeft de Spaanse vice-premier Alfonso Guerra gisteren in een volgepakt en rumoerig Huis van Afgevaardigden een eind proberen te maken aan de affaire die nu al bijna een maand knaagt aan het gezag van de regering en van de regerende sociaal-democratische partij. Tevergeefs. De twee grootste oppositiepartijen vroegen om het aftreden van Guerra en alle fracties, behalve die van zijn eigen PSOE, steunden het verzoek om de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie. Al was het maar om nog eens te kunnen vaststellen dat er inderdaad niets laakbaars is gebeurd en zo de goede naam van parlement en regering veilig te stellen.

Een boze premier Gonzalez zei na afloop van de drieenhalf uur durende beraadslagingen dat hij zelf ook zou aftreden als zijn vriend en vice-premier zich gedwongen zou voelen het ambt te verlaten als gevolg van de voortdurende aanvallen op zijn integriteit. Maar Guerra is een veel te geharde politicus om zich door dat soort sentimenten te laten leiden en de absolute meerderheid van de PSOE staat er borg voor dat een onderzoekscommissie er niet komt. Het debat van gisteravond gaf niettemin een mooie blik op de parlementaire verhoudingen en op de stand van zaken in de Spaanse politiek.

Broer

De affaire-Guerra is ontstaan door de dubieuze zakelijke activiteiten van Juan Guerra, een broer van de vice-premier. Acht jaar geleden was hij nog een werkloze verkoper van naslagwerken, tegenwoordig wordt zijn prive-vermogen geschat op drie miljoen. Juan Guerra verwierf dit geld door de handel in onroerend goed en door op te treden als bemiddelaar tussen het bedrijfsleven en de overheid. Hij kocht grond van de staat voor de helft van de getaxeerde waarde, wist voor zijn clienten moeilijk verkrijgbare vergunningen los te weken en sleepte overheidsopdrachten in de wacht, ook als zijn opdrachtgevers niet het gunstigste bod hadden gedaan. Dat alles zou zo erg niet zijn geweest als Juan Guerra zijn zaken niet jarenlang had gedaan vanuit een overheidsgebouw in Sevilla, waarin hem op verzoek van Alfonso een royaal kantoor ter beschikking was gesteld. Officieel was zijn functie ter plekke die van 'assistent van de vice-premier' in dienst van de PSOE en naar eigen zeggen gebruikte hij de ruimte slechts af en toe om de reizen van zijn broer naar Andalusie voor te bereiden. Ooggetuigen berichten echter dat hij er dagelijks zijn clienten ontving.

Onthullingen over Juan Guerra en zijn zaken hebben in de afgelopen weken duizenden artikelen in dag- en weekbladen opgeleverd. Zijn gezicht met de volle baard en de onafscheidelijke zonnebril was niet van de voorpagina's meer weg te denken en sommige kranten vulden niet een maar wel twee, drie of vier pagina's per dag met nieuwe feiten en commentaren. Ook de andere tien leden van het gezin-Guerra werden uitgebreid belicht. In de eerste plaats natuurlijk de vice-premier, maar vervolgens ook de broers Antonio en Adolfo die op bescheiden wijze eveneens in bemiddelingszaken bleken te zijn gegaan en vervolgens ook de gepensioneerde broers Jose en Manuel en de zusters Carmen en Angeles, wier beider mannen werkloos zijn. Het dagblad El Mundo, dat voorop heeft gelopen in het doen van onthullingen, publiceerde gisterochtend als voorbereiding op het Kamerdebat zelfs een extra bijlage van twaalf pagina's met 'Vijftig Vragen voor Alfonso Guerra', een stamboom van de familie en een uitputtend overzicht van alle dubieuze handelingen, varierend van de levering van gratis melk aan Juan Guerra tot diens veroordelingen wegens verboden wapenbezit en mishandeling van zijn echtgenote.

Hetze

De vice-premier was kort en bondig in zijn openingsverklaring. Politieke vijanden en een pers zonder verantwoordelijkheidsgevoel hadden een hetze tegen hem ontketend. Hij had in 1983 om ruimte in een regeringsgebouw te Sevilla verzocht omdat hij daar vaak moest zijn en er toch kantoren leegstonden; Juan had er als PSOE-medewerker weleens de post opgehaald. Van de zaken van zijn broer was hij verder niet op de hoogte en zelf had hij nooit uit enige commerciele onderneming geld ontvangen. Daaruit concludeerde de vice-premier dat hem geen misbruik van zijn politieke invloed verweten kon worden. Als zijn broer misstappen had begaan, moest de rechter daarover maar een oordeel vellen.

De woordvoerder van Izquierda Unida (Verenigd Links) trachtte vervolgens duidelijk te maken dat er een verschil bestaat tussen juridische- en politieke verantwoordelijkheid. Wie politieke verantwoordelijkheid draagt, kan ook verweten worden dat hij niet op de hoogte was van wat er in zijn naam gebeurde en dient daarvan dan de gevolgen te dragen. De vertegenwoordiger van de rechtse Partido Popular lichtte deze stelling toe door een vergelijking te trekken met de affaire-Guillaume: hoewel hij van niets had geweten trad de Duitse bondskanselier Willy Brandt in 1974 vrijwillig af toen werd ontdekt dat een van zijn naaste medewerkers spioneerde voor de DDR. De vergelijking moet Guerra en de naast hem gezeten Gonzalez in de ziel geraakt hebben, want de Duitse zusterpartij heeft hen in de eerste jaren na Franco's dood op alle mogelijke manieren geholpen en Brandt is als een geestelijke vader voor de twee. Gonzalez zou hem in 1993 graag opvolgen als voorzitter van de Socialistische Internationale.

Niettemin maakte Guerra in tweede termijn een komisch nummer van de vraag naar zijn politieke verantwoordelijkheid. 'Ik zou schuldig zijn en moeten aftreden omdat ik niet bij een misdrijf betrokken was? Daar begrijp ik niets van.'

In het vervolg van zijn antwoord aan de afgevaardigden liet hij zijn aanvankelijk gematigde toon varen en haalde venijnig uit naar verscheidene parlementariers. Daarbij haalde hij uit een dikke map steeds nieuwe brieven waarin blijkbaar stond dat de broer van de PP-woordvoerder hem om een concessie voor een omroepstation had verzocht, dat andere parlementariers hem om aanbevelingen voor familieleden hadden gevraagd, dat de lijsttrekker van de PP in zijn kantoor zakenlieden had ontvangen die later waren veroordeeld - en zo was er nog veel meer, dreigde Guerra terwijl hij de brieven omhoogstak. De aangevallen lijsttrekker zei in een korte interpellatie verachtelijk: 'Meneer Guerra, ik heb medelijden met u', terwijl de vertegenwoordiger van Verenigd Links hem vergeleek met een inktvis die zich een zwarte wolk hult wanneer hij wordt aangevallen.

Dat was het einde van het debat, dat verder geen consequenties zal hebben. De woordvoerder van de regeringsfractie had in zijn eerste bijdrage al duidelijk gemaakt waarom. 'De volkswil heeft de PSOE een mandaat gegeven', zei hij. 'Alleen de socialisten mogen daarom uitmaken wie er regeert en wie er aftreedt.'

Afbrokkelen

Het is de vraag of deze arrogante opvatting over wat het betekent om een parlementaire meerderheid te hebben nog wel op haar plaats is, gezien de kolossale omvang van het huidige schandaal. Juist die omvang duidt er immers op dat de macht van de socialisten aan het afbrokkelen is. Bij de kiezers, in de pers en in het parlement.

Op zichzelf is immers de aanleiding voor de affaire ook weer niet zo bijzonder. Hoewel de transacties van Juan Guerra inderdaad de grenzen van het betamelijke overschreden lijken te hebben, is het gebruikmaken van relaties in Spanje tamelijk gewoon. De spreker van Verenigd Links noemde het vermengen van particuliere- en staatszaken niet voor niets 'een van de oudste ondeugden in ons landsbestuur'.

De sociaal-democraten hebben hun mandaat echter juist te danken aan de belofte om een einde te maken aan die traditie van vriendjespolitiek en steun voor politieke clientele. Nog niet zo lang geleden vierden ze het eeuwfeest van de partij onder het motto 'Honderd jaar eerlijkheid', maar na acht jaar regeringsmacht is het iedereen duidelijk dat het partijlidmaatschap ook materiele voordelen biedt. Voor een benoeming op een invloedrijke overheidspost, waar dan ook, is het bijna een voorwaarde om lid van de PSOE te zijn. Een lange reeks schandalen en schandaaltjes heeft duidelijk gemaakt dat de socialisten, eenmaal op die posten, niet ongevoeliger zijn dan anderen voor de verleiding om misbruik te maken van hun macht.

De herhaalde verzekering van Alfonso Guerra dat zij nog steeds de partij zijn 'van de armen en de verdrukten', wordt inmiddels door steeds minder kiezers geloofd, daarvan getuigt een gestaag kleiner wordend electoraat. Twee jaar geleden verloor de PSOE al haar meerderheid in diverse grote steden en bij de laatste parlementsverkiezingen, in oktober vorig jaar, behield zij nog maar net haar absolute meerderheid. Althans voorlopig, want in drie kiesdistricten werd de uitslag wegens fraude ongeldig verklaard en de mogelijkheid bestaat dat daar opnieuw moet worden gestemd. De oppositie is in jaren niet zo sterk geweest en ontleent daaraan het zelfvertrouwen voor steeds heftiger aanvallen op de ploeg van de nog steeds populaire minister-president.

Zo populair als Felipe Gonzalez mag zijn, zo weinig geliefd is zijn vice-premier. Alfonso Guerra wordt alom beschouwd als de man die met straffe hand de discipline handhaaft in de PSOE, die gunsten uitdeelt aan zijn volgelingen en die als het moet smerige campagnes organiseert tegen zijn vijanden, zowel binnen als buiten de partij. In zekere zin verpersoonlijkt hij alle bezwaren die er leven tegen de manieren van de socialisten. Nu die partij tekenen van verval begint te vertonen is het niet verwonderlijk dat juist hij het eerste slachtoffer is geworden van een schandaaltje dat tot een schandaal is opgeblazen.