Voor- en nadelen van een onverwerkt verleden; Een Spaanse les voor Oost-Europa

Een van de belangrijkste Roemenen van het moment is eigenlijk een Spanjaard. Petre Roman mag dan geboren en getogen zijn in Boekarest, de voorlopige minister-president van de voormalige volksrepubliek is de zoon van een Spaanse moeder die na de burgeroorlog met haar Roemeense generaal het land ontvluchtte. Thuis bij de Romans werd voornamelijk haar taal gesproken en Pedro heeft een zuster die heel gewoon Carmen heet.

Meer had men in Madrid niet nodig om hem als een verloren zoon in de armen en vervolgens in het hart te sluiten. Petre Roman was de afgelopen weken dan ook nauwelijks weg te branden van de Spaanse televisieschermen, waar hij in accentloos castellano toelichting gaf op de gebeurtenissen in zijn land. Twee weken geleden besprak hij bijvoorbeeld ruim een half uur per rechtstreekse straalverbinding de nieuwste ontwikkelingen met vice-president Guerra en diens oude compaan uit de socialistische internationale, de Fransman Regis Debray. Zoals wel vaker in uitzendingen van de door de staat geleide Spaanse televisie bleef het belangrijkste en pijnlijkste onderwerp onaangeroerd. In dit geval: hoe democratisch en hervormingsgezind is eigenlijk die nieuwe regering van Roemenie, gezien de vele personele banden met het oude regime? In de straten van Boekarest wordt die vraag volop en steeds luider gesteld. Ditmaal was het echter naar alle waarschijnlijkheid niet uitsluitend beleefdheid tegenover de gasten of een instructie van de vice-premier waardoor het thema door de Spaanse omroepjournalisten achterwege werd gelaten. Het negeren van diezelfde vraag is immers van cruciaal belang geweest voor het ontstaan en voortbestaan van Spanjes eigen, jonge staatsbestel. Couppoging Tien jaar geleden zat het land midden in de overgang van dictatuur naar democratie; de weliswaar als operette verlopen maar wel degelijk serieus bedoelde couppoging van kolonel Tejero is nog maar negen jaar oud.

Tijdens die overgang werd de regering geleid door een staatsman die ook al minister onder Franco was geweest. Deze Adolfo Suarez, die net als de Roemeense overgangspresident Iliescu ooit aan het hoofd stond van de jeugdbeweging in zijn land en bovendien als secretaris-generaal van Franco's Movimiento Nacional diende, is tot op de dag van vandaag een gezien politicus. Hetzelfde geldt voor Manuel Fraga, minister en ambassadeur onder Franco, op dit moment nog voorzitter van de grootste Spaanse oppositiepartij en onlangs met een absolute meerderheid gekozen als president van de deelregering in Galicie. Net als de Roemeense leiders nu, behoorden Fraga en Suarez tot de meer verlichte of zelfs dissidente paladijnen van een totalitair bewind en het lijdt geen twijfel dat zij tegenwoordig overtuigde democraten zijn. Maar al evenzeer staat vast dat zij in het verleden enthousiaste aanhangers van de dictatuur zijn geweest. Of hun zonden vergeven zijn staat te bezien, maar het grote publiek heeft ze in ieder geval vergeten. Hoe zou een Spanjaard dan ooit op het idee kunnen komen dat Petre Roman voor een democratisch leiderschap gediskwalificeerd zou zijn? Wat hem valt te verwijten is hoogstens dat hij in het nabije verleden tot een kaste van geprivilegieerden behoorde; als zoon van prominente partijleden kon hij een academische opleiding volgen en reizen naar het Westen maken. Spanje heeft met zijn ondemocratische verleden nooit afgerekend.

Het heeft slechts de meest in het oog lopende vertegenwoordigers van het oude bewind eervol ontslagen en met welverdiend pensioen gestuurd.

De politie, het leger, de magistratuur, de wetenschap en het bedrijsleven, kortom de hele sociale infrastructuur, is intact gebleven tijdens de overgang van Franco's autoritaire bewind naar de gekozen alleenheerschappij van Gonzalez' sociaal-democratie. Het land heeft nooit een bijltjesdag gekend en of de beulen van weleer nog eens terecht zouden moeten staan is geen vraag die de publieke opinie verdeeld houdt, zoals in Argentinie, in Uruguay en, straks, in Chili. Men is er in Spanje van overtuigd dat het afzien van vergelding een noodzakelijke prijs is geweest om een rechtse reactie en nieuwe polarisatie, of zelfs een burgeroorlog, te voorkomen in de jaren na Franco's dood. In regeringskringen valt nu te beluisteren dat dit model ook geknipt is voor de verre buren in Oost-Europa. Met andere woorden: een prachtig exportartikel. Cynici zullen zeggen dat het ook het enige produkt is dat op korte termijn op een behoorlijke afzet in het Oosten zou kunnen rekenen, want de economische perspectieven op deze nieuwe markt zijn voor Spanje zeer ongunstig.

Regering en ondernemers kwamen onlangs in gezamenlijk beraad tot de onthutsende conclusie dat de Spaanse export naar Ivoorkust aanzienlijk beter ontwikkeld is dan die naar de DDR. Maar cynici hebben een makkelijk beroep, zij vinden altijd wel ergens een gelijk. In afwachting van een fel verhoopte opleving van Spaans ondernemers-elan heeft de regering in ieder geval de uitvoer van het politieke model stevig ter hand genomen. Koning Juan Carlos was zo vrij in zijn laatste kerstrede de overgang, waarin hijzelf zo'n belangrijke rol heeft gespeeld, aan de landen in het Oostblok ten voorbeeld te stellen. Premier Gonzalez (oud-lid van de falangistische jeugdbeweging) had zoiets al eerder gedaan tegenover de Poolse ex-premier Rakowski en toen hij in november Boedapest bezocht. De Hongaarse regering heeft Madrid inmiddels inderdaad om hulp gevraagd bij het organiseren van de eerste vrije verkiezingen.

Spanje heeft verder kort na de jaarwisseling besloten het personeel van al zijn ambassades in Oost-Europa fors uit te breiden en minister van buitenlandse zaken Fernandez Ordonez (onder Franco president-directeur van het staatsbedrijf INI) begint komende maand aan een reeks van zes bezoeken aan landen van het Warschau-pact, niet alleen om zelf besprekingen te voeren maar ook om kwartier te maken voor mogelijke reizen, nog dit voorjaar, van premier Gonzalez en het koninklijk paar. 'Het aanbieden van Spaanse hulp bij de democratiseringsprocessen' - zo luidt de officiele omschrijving voor het doel van dit levendige Zuid-Oost-verkeer. Wie achter het diplomatieke offensief vooral de vrees vermoedt om weer aan de periferie van Europa te belanden, nu het centrum van de Gemeenschap aanzienlijk minder ver naar het zuiden lijkt te verschuiven dan zich tot voor kort liet aanzien, heeft ook bepaald geen ongelijk. Maar hij doet de Spaanse trots wel schromelijk te kort. Helden van de aftocht Gelukkig voor Madrid zijn er ook buitenlanders met enig gezag die de Vreedzame Transitie aan het Oosten ten voorbeeld willen stellen. El Pais drukte eind vorige maand een opstel af van de dwarse Duitser Hans Magnus Enzensberger, waarin hij betoogt dat Europa in dit tijdsgewricht vooral behoefte heeft aan een soort politici die hij de 'helden van de aftocht' noemt. Deze nieuwe helden houden er geen vast omschreven principes en geen idealen op na; hun werk is immers het ontmantelen van ideologische systemen zonder in conflict te komen met de heersende machten of de hervormingsgezinde krachten.

'Iedere idioot kan een bom gooien, ' schrijft Enzensberger. 'Het is duizend keer moeilijker om haar te demonteren.'

Als voorbeeldige nieuwe helden noemt hij Kadar, Jaruzelski, Krenz en Adamec - en hij wijst nadrukkelijk op de goede afloop van het werk van Suarez. Het essay van Enzensberger zal met instemming gelezen zijn in het Ministerio de Asuntos Exteriores, waar minister Ordonez iedere ochtend op weg naar zijn werkkamer een ononderbroken reeks portretten van voorgangers passeert (onder wie de ultrarechtse ideoloog en zwager van Franco, Serrano Suner), die hem er aan herinneren dat hij geen vertegenwoordiger is van een heel nieuw land, maar eenvoudig dienaar van een maatschappij die met de tijd van opvatting is veranderd. In Roemenie zijn de emoties de afgelopen dagen zo verhit geraakt dat een Spaanse oplossing er op dit moment erg onwaarschijnlijk lijkt. Maar er kleven meer bezwaren aan de vergelijking van Spanje met de landen van Oost-Europa, en aan de uitwerking van Enzensbergers postmoderne politieke moraal. Om te beginnen is er een enorm verschil tussen wat in de meeste van die landen tot voor kort onder een door de staat geleide economische ontwikkeling werd verstaan en wat daar in het Spanje van de late Franco-jaren van was geworden. De caudillo heeft alleen in de eerste jaren van zijn heerschappij serieuze pogingen gedaan, of laten doen, om corporatisme en plan-economie als leidende beginselen in te voeren. Vooral door het toerisme was Spanje in de jaren zeventig al een redelijk welvarend land, dat op alle mogelijke manieren in contact stond met de democratieen van West-Europa. In vergelijking met de Comecon-landen was de achterstand dus veel minder groot. De stormachtige economische ontwikkeling van de jonge democratie in de laatste jaren is daarbij niet iets om louter afgunstig op te zijn.

Samen met industrialisatie van het platteland, modernisering van het bedrijfsleven en privatisering van de immense staatsondernemingen hebben immers alle beroerde bijverschijnselen van een moderne industriele maatschappij hun intree gedaan: een permanent hoge werkloosheid onder ongeschoolde arbeiders, ontvolking van het platteland, milieuvervuiling, het oplossen van traditionele sociale banden, toenemende criminaliteit, een op hol geslagen consumentisme - Spanje heeft er volop zijn deel van gekregen. Ten tweede heeft de vorming van een staat op democratische grondslag geen oplossing gebracht voor problemen die onder Franco al bestonden maar minder merkbaar waren omdat ze hardhandiger werden onderdrukt, zoals de nationaliteitenkwestie. De Baskische terreurbeweging ETA heeft in het afgelopen jaar meer dan vijfentwintig tegenstanders vermoord, terwijl de tegenterreur van rechts in november bij een moordaanslag nog een Baskisch parlementslid doodde.

Onderwijl roeren ook ondergrondse en bovengrondse afscheidingsbewegingen in Galicie en Catalonie zich - de laatste met als streven voor de middellange termijn: verstoring van de Olympische Spelen - en heeft de regering haar handen nog steeds vol aan de linkse guerrillabeweging GRAPO die opnieuw aan het moorden is geslagen en met 49 hongerstakers in verscheidene Spaanse gevangenissen is vertegenwoordigd. Moreel probleem Ten slotte schuilt er een moreel probleem in de overgang-zonder- afrekening. Iedere toerist kent de straten en pleinen in kleine Spaanse dorpen en steden die nog altijd naar Franco of Primo de Rivera heten. De gemeentebegroting heeft kennelijk geen ruimte voor nieuwe verf of nieuw emaille en de inwoners doen of ze wel iets anders aan hun hoofd hebben dan het rechtzetten van de verleden tijd. Al evenmin maken ze zich druk over de demonstraties en bijeenkomsten van fascistische partijen en clubjes, die immers nauwelijks meer enige invloed hebben. De buitenlander verbaast zich er al snel niet meer over, vindt zelfs dat het iets schilderachtigs heeft. Moeilijker al heeft hij het met de handelaar op de hoek van een sjieke winkelstraat die behalve Franco-souvenirs ook hakenkruis- insignes en beeltenissen van Adolf Hitler, al of niet met de generalissimo samen, aan de man brengt. Dat er - voor zover men zich nog met hem bezighoudt - een enigszins genuanceerd beeld van de Spaanse dictator is ontstaan onder invloed van zijn laatste jaren, is wel begrijpelijk. Maar moet een beschaafd Europees land zo kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog niet een stevige, militante afkeer van de Fuhrer demonstreren? In Spanje vindt men kennelijk van niet. Soms lijkt het of daar in de jaren tachtig niet alleen de Franco- tijd, maar meteen ook alle besef van geschiedenis tussen de bladen van het vergeetboek is gestopt. De oudere generaties weten natuurlijk wel beter, maar wie pas onlangs de jaren des onderscheids heeft bereikt, zou daardoor kunnen denken dat de werkelijkheid zoals die zich nu aan hem voordoet de enige dimensie van het moderne Spanje is. Dat kan tot lelijke misverstanden aanleiding geven. Kortgeleden bezocht ik een belangrijk overheidsgebouw in een provinciehoofdstad. Het kantoor, waar dagelijks vele honderden ambtenaren en burgers in- en uitgaan, bleek gevestigd aan een straat genoemd naar de Division Azul, het Spaanse vrijwilligerskorps dat Hitler in de jaren veertig bijstond aan zijn oostelijke front.

Tijdens het wachten op mijn afspraak maakte ik tegen de dienstdoende agent van politie, een jonge man, een opmerking over de merkwaardige naam van de straat waarin we ons bevonden. 'Merkwaardig', vroeg hij oprecht verbaasd. 'Hebben de blauwen dan niet onze democratie verdedigd tegen het Oosten?' Scheiding Er mag veel bewonderenswaardig zijn aan wat Spanje de laatste jaren op politiek en economisch gebied heeft gepresteerd, maar op zo'n moment hoop je dat ze daar in Oost-Europa straks toch een beetje scheiding aanbrengen tussen de namen van voor en die van na de winter van 1989. Hoewel Enzensberger waarschuwt dat zijn helden van de aftocht zelden bedankt worden voor hun heilzame beginselloosheid, zou over een paar jaar een Petre Roman-steeg of -straat de Roemeense hoofdstad niet ontsieren. Maar een wandeling over het Securitate- plein? Dat toch maar liever niet.