Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Economische zaken het gepraat in de aandelenmarkt

Arjo Klamer

^ y eg, ik weet een fantastisch Êm fondsje. Het bedrijf doet het uitstekend en de kans op een bod voor overname is heel groot. Binnen een jaar verdubbel je je geld. Kan niet fout gaan." Mijn Nederlandse informant klonk overtuigend en het leek stom om niet direct al mijn redelijk verdiende spaarcentjes in zijn fondsje te beleggen. Maar mijn economisch geweten waarschuwde dat zekerheid op de aandelenmarkt niet te koop is. De onzekerheid die de aandelenmarkt kenmerkt, is toe te schrijven aan haar volmaaktheid. Dat klinkt misschien vreemd maar het is de conclusie van de gangbare economische theorie. Met de talloze vragers en aanbieders die op de aandelenmarkt opereren, zo luidt de redenering, kan men niet verwachten dat een enkele handelaar al de anderen systematisch te slim af is. Stel dat iemand een formule ontwikkelt die de toekomstige prijs voorspelt op basis van de voorafgaande prijsontwikkeling. Als die formule werkt, denkt u dat deze figuur haar met anderen gaat delen, zelfs tegen een prijs? Natuurlijk niet. Eigenbelang - volgens meeste economen de enige betrouwbare richtlijn in de markt - gebiedt de winsten binnen te harken door de formule zelf toe te passen. Veel economen geloven dat in een goed lopende markt zoals de aandelenmarkt alle belangrijke informatie in de prijs besloten is. We zeggen dat zo'n markt efficiënt is. Informatie over een mogelijk overnamebod op een bedrijf, bij voorbeeld, betekent dat mensen met die informatie het aandeel gaan kopen waardoor de prijs omhoog gaat. In een echt efficiënte markt is die prijsaanpassing bijna onmiddellijk. Daarom valt er weinig te voorspellen in zo'n markt. En daarom denkt menig econoom dat beleggingsadviseurs afzetters zijn. De praktijk lijkt deze economen gelijk te geven. Neem Elaine Garzarelli. Zeven dagen voor de Zwarte Maandag - u weet wel, de dag in 1987 waarop de aandelenkoersen kelderden - voorspelde deze Amerikaanse beleggingsadviseuse op grond van een formule de ineenstorting. Ze werd eerst voor gek verklaard, en toen ze gelijk bleek te hebben was ze beroemd en enorm gewild als adviseuse. Ze beheert nu een reusachtig fonds, maar haar resultaten zijn ondermaats. Aan haar formule gelooft ze zelf niet meer. Een paar jaar geleden was Joe Granville de goeroe waar iedereen naar luisterde. Als hij nu iets roept, lacht men meewarig. Garzarelli en Granville hadden geluk gehad, maar afgezien van Guus Geluk heeft niemand het geluk in pacht. Volgens deze gedachtengang komt speculatie in de aandelenmarkt overeen met het gokken in een casino. In plaats van uw geld naar een beleggingsadviseur te brengen, zou u dus net zo goed aandelen kunnen kiezen door

pijltjes naar de beurspagina te gooien. Een bevriende beleggingsadviseur hier in Amerika is het natuurlijk niet eens met deze gedachtengang. De efficiënte markttheorie van economen is volgens hem onzinnig. Hij vraagt zich af welke informatie op de Zwarte Maandag een vrije val rechtvaardigde. De afgezette borst van Nancy Reagan, zoals weieens beweerd werd? Veel economen zien ook wel dat dit onzinnig is, maar daarmee hebben we nog geen rechtvaardiging voor beleggingsadviseurs. Laat mij een voorstel doen. Economen hebben de neiging zich dood te staren op al dat kwantificeerbaar is en zien het gepraat in de markt over het hoofd. Maar meedoen in de markt betekent vooral meepraten. Handelaars, adviseurs, en portfolio-managers besteden het grootste deel van hun tijd met praten over het laatste nieuws, de koersontwikkeling, andere deelnemers, hun kinderen, of wat hen ook maar kan helpen vat te krijgen op de markt. Niemand weet precies wat de markt gaat doen en daarom praat iedereen. Het praten kweekt stemming. Ik kan nu schrijven dat de financiële sector in de VS moeilijke tijden tegemoet gaat, maar dat wil niet zeggen dat morgen de bankaandelen klappen krijgen. Als evenwel het gerucht volhardt en blijft circuleren in het praatcircuit dan kan op een gegeven moment een ogenschijnlijk onbetekenend voorval de bankaandelen doen kelderen. Iets van dien aard gebeurde op Zwarte Maandag in 1987. In de daaraan voorafgaande maanden waren de koersen flink gestegen en niemand wist echt waarom. Aanvankelijk beheersten optimisten het gesprek. Zij wezen op een gunstig economisch klimaat en voorspelden een verdere dramatische koersstijging. Maar pessimistische geluiden volhardden in het praatcircuit. Het onverklaarbare van de koersstijging bleef mensen bezig houden. „Wat omhoog gaat, komt weer naar beneden", zei men tegen elkaar. Dit gepraat maakte mensen onzeker. Daarom kon de stemming radikaal omslaan nadat op de vrijdag voor Zwarte Maandag de koersen flink begonnen te dalen. Men had elkaar de mogelijkheid van een ineenstorting aangepraat. Het gepraat kan ook stabiliserend werken. Toen vrijdag 13 oktober jongstleden de koersen fors waren gedaald, vreesden de marktdeelnemers een herhaling van Zwarte Maandag. Dus wat deden ze? Wachten tot de handel begon op maandag? Nee, dat weekend werd er getelefoneerd. In dit geval kweekte het gepraat een stemming van vertrouwen. Men praatte elkaar aan dat kopen de beste strategie was. En dus kochten mensen op die maandag. Welnu, beleggingsadviseurs zijn belangrijk omdat zij deel uitmaken van het praatcircuit. Zij weten wat een buitenstaander niet kan weten, namelijk het gepraat in de markt. Mijn informant kon niet zeker zijn van zijn fondsje, maar hij wist hoe erover gepraat werd. Deze keer heb ik me laten bepraten. Het blijft een gok.