Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Betoog van prof. Maas veroordeelt de koningin tot lintenknipster 'Staatsrechtelijk wild-westverhaal'

Door Anneke Visser en Theo Westerwoudt Redacteuren NRC Handelsblad

. peze week heeft de Nijmeegse hoogleraar parlementaire geschiedenis prof.dr. P.F. Maas in het blad Beleid en Maatschappij een „leidooi gehouden voor de inper[ in g van de rol van het staatshoofd tijdens kabinetsformaties. 2ijn recept: de benoeming van eeI) minister-formateur om zo 'het laatste koninklijke domein' binnen ollS constitutioneel-parlementair , te lsel te laten vallen. Deze minis, er .formateur zou volledig verantwoordelijk zijn tegenover de Tweede Kamer voor zijn formaHjwerkzaamheden. Maas kritiseert de „schimmige en ongeregelde verhoudingen gedurende elke kabinetsformatie" e n de rol die het staatshoofd daarjn vervult. Hij verwijst onder andere naar de formatie van 1956 l0 en een rol werd toebedeeld aan • e en kamerheer van de Koningin', pe Gaay Fortman sr. Maar hij vermeldt niet dat KVP-fractieleider Romme in een gesprek met juliana op 22 augustus '56 tot twee keer toe een formatie-opdracht weigerde en onder anderen De Gaay Fortman naar voren schoof. Ook Zijlstra adviseerde die dag De Gaay Fortman te benoemen. ( Formatiedagboek Romme 1956, Formatiedossier Zijlj tra 1956). Volgens Maas behoort in een volwassen democratie de verantwoordelijkheid voor regeringsvorming geheel te liggen bij de verantwoordelijke politici. Een mooi, ideaal, maar het probleem is dat de politieke leiders daartoe heel vaak niet in staat zijn. Zowel voor als na verkiezingen bieden de fracties in de Tweede Kamer en de politieke partijen meestal meer het beeld van een kruiwagen vol kikkers dan van een groep energieke staatslieden die bij machte zijn snel en elegant een kabinet te formeren. Het schier eindeloze getouwtrek over regeerakkoorden, zetelverdeling en personen is daar het bewijs van. Maas zegt in de Haagse Post van deze week dat de koningin in hoge mate de richting van de formatie kan bepalen. Dat is overdreven, want de marge waarbinnen zij opereert wordt bepaald door de adviezen die aan haar worden uitgebracht. Haar invloed is recht evenredig aan het onvermogen van haar adviseurs om duidelijk aan te geven in welke richting de formatie moet gaan. Toegegeven: in de praktijk kan een kabinetsformatie soms een wat schimmig karakter krijgen, omdat niet alle daden van het staatshoofd openbaar worden. Maar wie de tegenwoordige procedure zou willen veranderen, vecht tegen de bierkaai: het betekent inperking van de rechten van het staatshoofd en in feite een zo vérgaande wijziging van het stelsel

dat daarvoor in de verste verte geen politieke meerderheid te vinden is. Maar het is zeer de vraag of dat ook wel moet. In ons veel-partijenstelsel, door Kieswet en kiesstelsel gelegitimeerd, heeft tot dusverre geen enkele partij de meerderheid gekregen. Dan is een orgaan dat boven die partijen staat, beperkt leiding kan geven bij formaties en daarin onafhankelijk beslissingen kan nemen, geadviseerd door politiek geschoolde raadgevers, heel handig. Bovendien, wie zoals Maas de verantwoordelijkheid van politici voor de kabinetsformatie wil onderstrepen, zal de behoefte aan zo'n onafhankelijk orgaan juist moeten onderkennen. Zo'n orgaan kan immers voorkómen dat parlementaire minderheden bij formaties worden weggecijferd. Ook in 1981, toen de verkiezingsuitslag verschillende coalities mogelijk maakte, heeft koningin Beatrix haar adviseur De Gaay Fortman sr. om raad gevraagd en hem tot informateur benoemd. Maas kritiseert die benoeming fel, spreekt zelfs van een 'coup' waarvoor de koningin later excuses zou hebben aangeboden. Hij draagt geen enkel bewijs aan voor deze stelling, noch noemt hij een bron. Door zo te werken maakt hij zich schuldig aan legendevorming. Dit staat haaks op de taak waarvoor hij is aangesteld: als hoogleraar op een zindelijke manier wetenschap bedrijven en van zijn bevindingen beargumenteerd verslag doen. Maas doet ook geen poging om het optreden van Beatrix te verklaren. Dat is een ernstige lapsus in zijn betoog.

Na de verkiezingen van 1981 kampte CDA-leider Van Agt met een verdeelde fractie. Een deel van die fractie was ongelukkig met Van Agts advies aan de koningin om een informateur te benoemen die geen voorkeur voor een bepaalde politieke combinatie zou hebben. In de fractie bestond vrees dat met zo'n informateur (Steenkamp werd al genoemd) de kansen op een coalitie met links snel zouden verdampen. Maas vermeldt niet dat De Gaay Fortman door diverse andere adviseurs bij Beatrix als informateur was aanbevolen. De twee direct betrokkenen, Van Agt en De Gaay Fortman, ontkennen trouwens de lezing van

Maas in alle standen. Van Agt zei ons deze week dat hij in zijn gesprek met de koningin weliswaar De Gaay Fortman niet had genoemd als de informateur van zijn voorkeur en dat hij die beslissing ook niet leuk vond, maar dat hij overigens alle respect had en heeft voor de rol die het staatshoofd bij kabinetsformaties speelt, een rol die haar constitutioneel is toebedeeld en volledig is toevertrouwd. Er is, aldus Van Agt, over haar keuze geen conflict geweest, dus was er ook geen reden voor excuses. Volgens de Gaay Fortman was Van Agt weliswaar ongelukkig over de beslissing van de koningin, maar hij legde zich er heel

snel bij neer. „Ik weet zeker dat Maas' beweringen grote onzin zijn. Het is een wild-westverhaal." Ook oud-KVP fractievoorzitter en oud-minister van buitenlandse zaken drs. W.K.N. Schmelzer weerspreekt de beweringen die Maas over hem doet. Maas schrijft dat Schmelzer in 1965, na de val van het kabinet-Marijnen, Cals naar voren schoof als formateur in de veronderstelling dat diens zwakke gezondheid hem zou beletten lang premier te zijn waardoor Schmelzer zichzelf naar voren kon schuiven. „Dit is een ongemotiveerde en zelfs lasterlijke aantijging. Ik laat die voor zijn rekening. Het artikel bevat veel clichématige vooroordelen, iets wat je niet verwacht van iemand die beoogt wetenschap te bedrijven." Maas vraagt zich af waarom Schmelzer zelf het premierschap niet ambieerde en noemt de verklaringen die de oud-fractieleider geeft in het boek Het verschijnsel Schmelzer onbevredigend: zijn voorkeur (net als zijn leermeester Romme) voor het fractievoorzitterschap en het feit dat Cals beter lag bij de PvdA. Voorts wilde Schmelzer een eventuele breuk in het confessionele kamp tijdens de formatie niet op zijn geweten hebben. Schmelzer: „Maas geeft nergens aan waarom deze verklaringen niet bevredigen. Waarom is het voor hem zo onbegrijpelijk dat iemand het fractievoorzitterschap ambieert boven het premierschap? Waarschijnlijk omdat zijn theorie dan in duigen valt. Als ik premier had willen worden, zou het in '67 bijzonder eenvoudig

zijn geweest die stap te zetten als voorzitter van de grootste Kamerfractie." Ook de bewering van Maas dat Schmelzer, in de jaren na de Nacht van oktober '66, voor zijn afhankelijkheid van de ARP een forse prijs moest betalen in de vorm van het premierschap van Biesheuvel in 1971, strookt volgens hem niet met de feiten. „Ik was in '63 al voor Zijlstra als premier. Om zijn bekwaamheid en omdat zo de christen-democratische samenwerking ook op dit niveau gestalte zou krijgen. Het werd Marijnen. Maar om dezelfde reden als waarom ik in '63 voor Zijlstra was, was ik in '71 voor Biesheuvel. Dat ik in arren moede genoegen moest nemen met Buitenlandse Zaken is niet waar. Hij schrijft dat waarschijnlijk omdat anders zijn idee dat ik premier had willen worden, niet meer klopt. BZ is bewust door mij nagestreefd. Al in '52, toen ik lid werd van het partijbestuur van de KVP, hield ik mij bezig met buitenlands beleid. Dat deed ik ook ten tijde van De Quay (1959-1963) en later als fractievoorzitter." Het wordt eentonig. Maas schrijft dat Schmelzer zich had moeten bezinnen op zijn positie toen in '67 de KVP-fractie akkoord ging met de financieel-economische voorstellen van het interim-kabinet-Zijlstra. Immers, tegenover het kabinet-Cals had hij zijn onaanvaarbaar over deze voorstellen uitgesproken. Maas: „Hier verloor Schmelzer zoveel prestige en geloofwaardigheid dat een bezinning op zijn positie voor de hand had gelegen." Schmelzer: „Hij meldt niet dat ik na de val van het kabinet-Cals mijn portefeuille ter beschikking heb gesteld. Maar de fractie wilde daar niet van horen. Na de verkiezingen van '67 heb hetzelfde gedaan. Weer zei de fractie nee." Wie poogt op alle onderdelen van Maas' betoog in te gaan, dreigt door de bomen het bos niet meer te ontwaren. Terug naar zijn belangrijkste punt: de rol die in de grondwet voor het staatshoofd is weggelegd waar het gaat om formaties. Het omverkegelen van die bevoegdheden levert ongetwijfeld weer nieuwe problemen in het systeem op. Los van het feit dat de koningin dan veroordeeld zou worden tot een rol van lintenknipster, is de vraag welke politiek verantwoordelijke persoon (minister-formateur) die haar bevoegdheden zou overnemen, voldoende gezag en onafhankelijkheid in stelling kan brengen. Het staat ook allerminst vast dat met zo'n nieuwe figuur het door Maas aangeduide machtsvacuüm tijdens kabinetsformaties zou worden opgelost.

Koningin Beatrix tijdens de periode van de kabinetsinformatie in 1981. (Foto Stokvis)