Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

Teylers Museum Haarlem: onze traditie kent nadelen

Minister Brinkman (WVC) wil het Haarlemse Teylers Museum per jaar zes ton extra aan subsidie geven. Teylers is geen gewoon museum, maar doordat alle oude versies van Teylers te zien blijven is het hele museumcomplex een museum geworden, van ontvangsthal tot bibliotheek tot postkamer. Daaraan zijn ook nadelen verbonden. Door RENATE VAN DER ZEE „We hebben genoeg moois te laten zien", zegt F. Jongbloed, hoofd bedrijfsvoering van Teylers Museum. „De omstandigheden waaronder dat bewaard moet worden zijn wel een probleem. Honderd jaar geleden was het niet ongewoon prenten te bewaren in een ruimte waarin ook natte jassen hingen." Het museum werd in 1780 gesticht uit de nalatenschap van Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778), een schatrijk Haarlems lakenkoopman. De kinderloze Teyler wilde dat zijn vermogen van twee miljoen gulden, destijds een geweldig bedrag, zou worden gebruikt ter bevordering van kunst en wetenschap. Daartoe werden twee genootschappen opgericht en een stichting die in korte tijd een museumcollectie bijeenbracht vanuit de verlichtingsgedachte de burger daarmee op te voeden, hem te tonen hoe de wereld in elkaar zat. De eerste directeur, de arts Martinus van Marum, was een van de laatste 'universele' geleerden. Zijn interesse ging onder andere uit naar paleontologie, mineralogie, botanie en chemie. Hij was de uitvinder van de verbeterde snelkookpan en schiep in het museum een laboratorium waar later Nobelprijswinnaar Lorentz zou werken. Voor Van Marum was het demonstreren van de wetenschap een belangrijk doel van het museum. Daarom verzamelde hij de meest vreemde demonstratieappa.aten, waaronder een reusachtige elektriseermachine uit 1784 waaraan hij dikke vuurstralen van zestig centimeter lengte wist te ontlokken. Van Marum zette ook een wetenschappelijke bibliotheek op, die nog steeds wordt geraadpleegd. In 1790 sloeg museumbeheerder en kunstschilder Wybrand Hendriks een grote slag in Rome waar een deel van de kunstcollectie van koningin Christina van Zweden werd verkocht. Hij zag kans tekeningen van Michelangelo, Rafaël en andere Italiaanse meesters aan te kopen. Om de collectie te herbergen was in 1780 aan het woonhuis van Teyler door de 27-jarige architect Leendert Viervaiyt een museumzaal gebouwd. Het was een ovale zaal met een gaanderij. Boven werd

achter gordijnen de bibliotheek opgeborgen, en beneden stonden glazen kasten met demonstratietoestellen en een ovale vitrine met mineralen. Daaronder bevonden zich opbergkastjes voor niet tentoongestelde stukken. Alles bevond zich in één ruimte. Met de enthousiaste verzameldrift van de beheerders raakte het museum in de negentiende eeuw steeds voller. B. Sliggers, verantwoordelijk voor de presentatie: „Het huis van Teyler stond vol met kisten en kasten. Het gebeurde wel dat bij de uitgave van een catalogus snel een supplement moest worden gemaakt, omdat ergens weer een aantal vergeten doeken waren aangetroffen. Laatst gebeurde ons dat ook, toen een aantal fotografische glasplaten tevoorschijn kwam uit een depot. Het museum is nu eenmaal niet gebouwd om veel dingen ordentelijk te herbergen. Boeken uit de bibliotheek staan bijvoorbeeld verspreid door het huis, in kasten en op zolder". Het museum werd in de negentiende eeuw uitgebreid. De Oostenrijkse architect Christian Ulrich gaf het museum Weense allure met een nieuwe ingang aan het Spaarne, een leeszaal en een prachtige gehoorzaal. In het Teylers Museum van nu zijn alle vroegere versies over en door elkaar heen te zien: het is een museum van het verzamelen geworden. Jongbloed: „Dit is een museum-museum, maar daaraan kleven ook nadelen. De depots van de paleontologische afdeling zitten naar achttiende-eeuwse gewoonte direct onder de vitrines. Wanneer de conservator iets moet hebben, zegt hij tegen de bezoekers: 'Gaat u even opzij', en duikt vervolgens in het depot. En natuurlijk gaat iedereen om hem heen staan om te zien wat hij doet." Een ander probleem is de opslag van de collectie prenten en tekeningen. Jongbloed: „Het museum geeft alleen prijs wat het prijs wil gegeven. De rest van de

collectie moet worden opgeslagen. In principe houdt het de kleuren van de tekeningen fris wanneer ze niet constant aan licht staan blootgesteld. Maar we hebben te weinig ruimte. Alles staat opeengepakt. We hebben een heel klein prentenkabinet, terwijl we misschien wel 30.000 tekeningen bezitten. We lenen onze kunst vaak uit aan het buitenland. Maar het zou natuurlijk te gek om los te lopen zijn als onze collectie alleen in het buitenland te zien zou zijn. Het Teylers Museum heeft de laatste jaren een grote groei meegemaakt. Vijf jaar geleden telde men 25.000 bezoekers. In 1988 waren dat er 52.000. Op de tentoonstelling van foto's van Breitner kwamen dit jaar in tweeëneenhalve maand 18.000 bezoekers af. De groei van het museum vereist meer personeel. Maar ook dat levert problemen op. De werkkamers zijn nu gevestigd in het prachtige achttiende-eeuwse woonhuis van Teyler, dat daar helemaal niet geschikt voor is. Sliggers: „De steunen van mijn boekenkast zijn ook al bezweken". Het museum wil uitbreiden, bij voorkeur in een pand dat aan de museumtuin grenst. In totaal vergen de plannen een investering van circa tien miljoen gulden. De zes ton extra subsidie die minister Brinkman heeft voorgesteld vindt men in Haarlem „zeker niet teveel". Volgens Jongbloed is het Teylers Museum in het begin van de jaren '80 uitgeroepen tot museum van nationaal belang. „Dat komt omdat het museum een traditie van tweehonderd jaar herbergt. De in de achttiende eeuw opgerichte Teyler-genootschappen bestaan nog steeds. De opstelling in de ovale zaal is onveranderd. Zelfs het secretariaat en de postkamer ademen nog een achttiende-eeuwse sfeer. Op de geboortedag van Teyler wordt nog steeds een kunstbeschouwing gehouden waarbij Goudse pijpen worden gerookt. Er gaat iets eeuwigs van uit."

'De ovale zaal': bibliotheek, depot en tentoonstellingsruimte tegelijk