Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Muziek

Oude koets met hedendaagse motor

Negentiende orchestratie van Monteverdi's opera Poppea is geen reconstructie

Voorstelling: 1'Incoronazione di Poppea van C. Monteverdi door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Sylvain Cambreling. Met: Catherine Malfitano, Marek Torzewski, Trudeliese Schmidt, Elzbieta Ardam en Malcolm King e.a. Regie: Luc Bondy. Gezien: 16/5 Muntschouwburg Brusel. Herhalingen: 19, 21, 24, 26, 31/5 en 2, 4, 6, 8/6.

Door KASPER JANSEN Van de opera 1'Incoronazione di Poppea van Claudio Monteverdi uit 1642 is slechts een deel overgeleverd. Wat we hebben zijn twee incomplete versies van de zangpartijen. Maar van de begeleiding is niet meer bekend dan de becijferde bas. Destijds was die code helder voor de musici, bekend met stijl en uitvoeringspraktijk, maar nu is die voor een getrouwe reproduktie veel te weinig exact. Van veel noten, vooral van de ritornelli, en van de orkestratie weten we helemaal niets. Twee kopieën van het oorspronkelijke Poppea- manuscript zijn er: het in 1888 in de San Marco in Venetië herontdekte exemplaar is nog incompleter dan de in 1930 in Napels gevonden versie. Het speelbaar maken daarvan zou men kunnen vergelijken met de restauratie van een antieke koets. De wielen en een deel van het onderstel zijn er nog, maar van alles daarboven is bijna niets over. Hoe krijgt men het wrak weer rijdend, en vooral: hoe ziet het er dan uit? Want dat Poppea moet worden uitgevoerd staat vast. Het is Monteverdi's laatste werk en zeker een van zijn belangrijkste: 35 jaar na de oervorm van l'Orfeo (1607) bereikt hij hier in opbouw en indeling de voortaan klassieke vorm van de opera. En de inhoud is al even opmerkelijk, voor het eerst is na de Griekse mythologie de historie van het Romeinse rijk het onderwerp. Nero zet hier, na de hinderlijke filosoof Seneca tot zelfmoord te hebben gedwongen, zijn echtgenote Ottavia aan de kant en huwt met de mooie Poppea. De opera als kunstvorm is

dan uitgegroeid van de renaissancistische reconstructie van het Griekse drama tot het moraliserende en politiserende muziektheater waarin de personages zich bewegen in het krachtenveld van macht en liefde. Men kan, zoals Nikolaus Harnoncourt, Roger Norrington, Jean-Claude Malgoire en — in 1971 voor de Nederlandse Opera — Alan Curtis hebben gedaan, naar analogie van andere werken uit die tijd een soort reconstructie maken. Maar erg authentiek kan die niet zijn, hoogstens een beargumenteerd vermoeden van hoe Poppea geklonken zou kunnen hebben. De Belgische componist Philippe Boesmans heeft nu voor

de Brusselse opera een bewerking gemaakt die op geen enkele wijze een restauratie nastreeft. Hij gebruikt een grotendeels hedendaags instrumentarium. Eerder deed Luciano Berio zoiets voor Monteverdi's l'Orfeo en Hans Werner Henze voor zijn II Ritorno di Ulisse in Patria. Sinds Vincent d'Indy in 1905 de moderne wereldpremière van Poppea bracht, moet Boesmans versie inmiddels al de negentiende zijn! Boesmans gebruikt naast een licht electronisch versterkt klavecimbel en een positief-orgel ook modernere toetsinstrumenten: piano, celesta en synthesizer. Verder staan in de bak rond het kamerorkest met klassiek instrumentarium (tot en met basklarinet) een xylofoon, een vibrafoon, slagwerk, klokkenspel en eenharp. De componist heeft zich instrumenterend èn componerend niet ontzien in de koets een hedendaagse motor in te bouwen. Maar hij heeft geen afgerond oordeel over het uiterlijk van de bovenbouw: dan eens klinkt de instrumentatie bepaald modern of een beetje al te gewoon, wanneer vooral de piano hoorbaar is. De functie van het klavecimbel wisselt:

dan eens werkt hij puur historiserend, dan weer ironiserend, als een dubbelzinnig stijlcitaat. Maar vaker klinkt de begeleiding (zoals de xylofoon) heel exotisch, net zoiets als een uitvoering op 'authentiek' barok-instrumentarium overigens, maar dan een beetje anders. Af en toe klinkt het orkest wonderbaarlijk, sprookjesachtig en romantisch. En soms wordt de 'originele', af en toe wat ruige klank gewoon geïmiteerd, maar dan met andere instrumenten, een curieus effect. Boesmans heeft geen muziek gecomponeerd die Monteverdi niet zelf geschreven zou kunnen hebben. Maar geheel onderhorig aan Monteverdi is hij niet, hij geeft op subtiele

wijze zowel eigenzinnig commentaar op de operastijlen van na Monteverdi als op de puristische authentieke muziekpraktijk. Boesmans heeft zich ten doel gesteld verveling tegen te gaan en het drieëneenhalf uur durende werk voor een hedendaags publiek even boeiend en 'nieuw' te laten klinken als Monteverdi's eerste uitvoering, 347 jaar geleden. Daartoe zijn, ondanks 'Napolitaanse' aanvullingen op de onvolledige Venetiaanse versie, toch een aantal coupures aangebracht. Het bereiken van een dramatisch effect op het publiek is voor Boesmans de enige norm, hij heeft geen streng musicologisch uitgangspunt. Alles mag hier nu eenmaal, omdat niet valt te bewijzen hoe het precies moet. Men kan daarom twisten over tal van details en ik kies er één uit: het weglaten van het intermezzo dat de goden zingen in het slotduet. Keizer Nero en zijn nieuwe keizerin Poppea bejubelen hier hun liefde, maar door de coupure worden we niet meer herinnerd aan de goddelijke bestiering van de handeling, waarbij Amor zijn gelijk kan binnenhalen. De opera begon immers met een uitvoerige

proloog, waarin de suprematie van Amor op de Fortuin en de Deugd al werd voorspeld. Maar het moet toegegeven: het lukt musici en zangers inderdaad tijdens een logisch verloop van het verhaal ruimschoots de aandacht gevangen te houden en dat komt nog meer door de overtuigende en meeslepende vocale uitvoering dan door de bewonderenswaardig gespeelde bijdrage uit de orkestbak. Monteverdi's heftige en felle dramatiek wordt volledig recht gedaan door een perfect ensemble van twintig zangers. Catherine Malfitano (Poppea, een rol die ze ook op de plaat van Malgoire zong), Marek Torzewski (Nero), Trudeliese Schmidt (Ottavia) en Malcolm King (Seneca) maken veel indruk met hun grote expressieve stemmen, die zij zeer stijlvol, vrijwel zonder negentiende-eeuws vibrato hanteren. Regisseur Luc Bondy laat de handeling spelen in soms wat onduidelijke decors, maar de getormenteerde beweging van de zangers is identiek aan de hartverscheurende Monteverdi-muziek. Er zijn komische scènes met de rivaliserende gedienstigen van Ottavia en Poppea. Er zijn prachtige scènes, zoals die waarin onder de orerende Seneca een voetstuk, compleet met zijn naam, uit het podium oprijst. En er zijn walgelijke scènes, zoals die waarin Nero en Lucano de liefde bedrijven met Amor, boven op het lijk van Seneca, dol van vreugde over zijn dood, elkaar wellustig besmeurend met zijn bloed. Poppea is een opera, die men vroeger niet aan koningen zou hebben laten zien. Venetië was dan ook een republiek. In andere opera's worden vorsten vooral als nobel voorgesteld, want de voorstellingen werden ook gemaakt in opdracht van vorsten. Keizer Nero, die hier door de goden wordt beloond, is bepaald geen voorbeeldig heerser, dat zag dinsdag ook de Belgische koningin Fabiola bij de première van deze Poppea. Maar, heeft ze wellicht gedacht, mijn koning is ook geen keizer.

Vlnr: Franco Careccia (Lucano); Francoise Golfier (Amor); Marek Torzewski (Nero) en Malcolm King (Seneca)