Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Eerste echte enige paddenstoelengids

C Bas, Th. W. Kuyper, M. E. Noordeloos & Else C. Vellinga (eds.) Flora Agaricina Neerlandica Vol. I. i General part, key to orders and families of agarics and boleti, Entolomataceae). Published by Balkema, Rotterdam. ISBN 906191860. ƒ 58,30 (geb. ƒ 79,50)

HenrikdeNie

w ie een paddestoel wil determineren net zoals hij een plantje of vogel op naam brengt, dus met een geïllustreerde natuurgids of zakflora, komt vaak bedrogen uit. Deze gidsen voor paddestoelen zijn hopeloos onvolledig en bovendien meestal vertaald, dus afkomstig uit een ander gebied (Britse eilanden of Denemarken). Mensen die zich serieus met zwammen bezighouden (amateur- en beroepsmycologen) worstelen zich daarom bij hun werk door stapels Franse, Duitse en Engelse publikaties. Dit getob wordt overbodig als de Flora Agaricina Neerlandica er is. Het eerste deel van deze standaardflora is nu gereed. Alle in Nederland gevonden paddestoelen zullen in een tiendelige reeks worden beschreven aan de hand van het oorspronkelijke materiaal en met een kritische beschouwing van de eerder verschenen literatuur. Meer dan 2000 soorten Dr. Kees Bas, hoofd van de afdeling mycologie van het Rijksherbarium te Leiden, coördineert dit floraproject. Hij benadrukt dat het teamwork is, de redactie is dan ook in handen van vier personen. In deze flora zit informatie waaraan een heel leger van beroeps en amateur paddestoelzoekers en tekenaars gedurende 30 jaar heeft gewerkt. Bas vindt het heel belangrijk dat dit materiaal toegankelijk wordt gemaakt en niet in herbaria blijft. "Het past in het streven van de bioloog om de flora en fauna van zijn eigen land zo goed mogelijk bekend te laten zijn." Bij de paddestoelen schort het nog steeds aan een goede documentatie. "Toen we in 1981 begonnen, rekenden we op 1600 soorten voor Nederland, nu zijn het er al 1800. Als we klaar zijn, dan schat ik het op meer dan 2000." Het einde is dus nog lang niet in zicht. Deel één is nu verschenen. "De verdere tijdsplanning van dit project is een zwak punt", geeft Bas toe. Er is genoeg aan manuscripten, tekeningen, geld en arbeidskracht om tot 1993 ieder jaar een deel te laten verschijnen. "Maar dan zijn we pas op de helft." Voor de voltooiing van deze flora moet nog een financier gevonden worden. Voor de eerste delen van de paddestoelenflora was er een subsidie van zwo (stichting voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek, thans nwo ), maar de rest wordt niet meer financieel door deze organisatie ondersteund. Taxonomie is geen onderzoek dat voor langdurige subsidieverlening in aanmerking komt. Het Rijksherbarium zelf heeft ook geen geld, want daar is men tot ver na het jaar 2000 bezig met een ander mammoetproject: de beschrijving van de plantentlora van de Maleise Archipel. Toch is een nauwkeurige documentatie van de paddestoelen van grote betekenis. Zwammen en schimmels spelen een belangrijke rol bij de recycling in de natuur, zij breken

dood hout en ander organisch materiaal af. Verder helpen paddestoelen die in symbiose met de wortels van bomen en planten leven (de ectomycorrhiza vormers), bij het 'oppompen' van vocht en meststoffen. De bekendste paddestoel ('rood met witte stippen'), de vliegenzwam, behoort tot deze groep symbionten. Biotechnologische toepassing van schimmels is theoretisch mogelijk om afval af te breken of de groei

van bomen te stimuleren. Helaas is de kans groot dat waardevol materiaal al is uitgestorven. Het blijkt dat de schimmels heel snel reageren op grondwaterverlaging en bodemverzuring door luchtverontreiniging. Schubbige champignon "Je houdt je hart vast als je ziet hoeveel paddestoelen verdwijnen", zegt Bas. Toch weet hij ook te vertellen over vreemdsoortige nieuwe

Entoloma niphoides aanwinsten. "Soms is zo'n nieuwe vondst voor ons een raadsel van kosmische omvang." Hij toont me een aquarel van een zwam die er uitziet als een schubbige champignon. "Dit ding werd in 1973 voor 't eerst in het Amsterdamse bos gevonden. Eerst wisten we niet eens in welk geslacht we hem moesten plaatsen!" "Zo'n grote paddestoel kan vroeger nooit over het hoofd zijn gezien in een druk park dat heel vaak door mycologen wordt bezocht. Het is beslist een exoot, maar we weten absoluut niet waar vandaan." Nergens in de literatuur was hij te vinden, en ook nu, bijna twee jaar na publikatie (in internationaal vakblad) heeft niemand zich gemeld met een zelfde beschrijving. Deze opvallende champignon breidt zich in Nederland uit, er zijn nu ook vindplaatsen in ZuidFlevoland en bij Maarsbergen (Utrecht). Verder zitten er vaak onbekende paddestdelen in tropische kassen, meegekomen met plantmateriaal. Deze zullen uit de Flora worden weggelaten. Een uitzondering maakt Bas echter voor het goudgele parasolzwammetje (Leucocoprinus birnbaumii)), een zwam die nogal eens opduikt in een bloempot, zodat het Rijksherbarium er vaak over wordt opgebeld. In het eerste deel van de flora worden deze opvallende zwammen nog niet behandeld, maar alleen de groep van de Satijnzwammen. Dit deel is vooral interessant om de algemene hoofdstukken waarin aandacht wordt besteed aan geschiedenis en het bedrijven van taxonomie. Verder is er een uitgebreide verklarende lijst van vaktermen en een hoofdstuk over de milieu-eisen van paddestoelen en hun relaties met landschapstypen en methoden van landgebruik sinds de prehistorie van ons land. (Helaas vond ik hierin een

kleine uitglijder; er wordt ten onrechte vermeld dat in Nederland tijdens het Atlantioum geen vaste menselijke nederzettingen bestonden.) Hieruit blijkt dat de recente veranderingen in het landschap onmiddellijk te zien zijn aan de paddestoelenflora. Zeker veertig soorten zwammen, allemaal mycorrhiza-vormers, zijn sinds 1950 bijna of helemaal uit Nederland verdwenen. De amateurs De mycologie mag dan een academisch specialisme zijn, buiten het Rijksherbarium worden de beroepsmycologen bijgestaan door honderden enthousiaste amateurs. Paddestoelen zijn vaak maar een korte tijd zichtbaar, soms helemaal niet. Eigenlijk zijn het de (bovengrondse) vruchten van een ondergronds netwerk van schimmeldraden: de zwamvlok of het mycelium. Deze zwamvlok zorgt voor de afbraak van het organisch materiaal. Echter, alleen de vruchtlichamen (paddestoelen) zijn te herkennen. Daarom zijn de vele liefhebbers die hun vrije tijd besteden aan het zoeken, deskundig verzamelen en determineren van paddestoelen van onschatbare waarde. Samen met de 'beroeps' zijn ze verenigd in de Nederlandse Mycologische Vereniging ( nmv ). Vier amateurmycologen van de nmv zijn in het bezit van de 'Zilveren Anjer', een door het Prins Bernhardfonds toegekende prijs voor verdienste op het gebied van kuituur en wetenschap. Dit zegt veel over het niveau en de toewijding van deze groep. Zonder nmv zou de paddestoelenflora er nooit kunnen komen. "We rekenen erop dat deze flora niet alleen door de vaklui maar ook door de meerderheid van de nmv -leden (450, HdN) zal worden gekocht." Bas verwacht ook veel kopers onder buitenlandse amateurs. "Vooral in midden-Europa en, merkwaardig genoeg, in Italië zijn er veel die ruim geld aan boeken besteden". In elk geval zijn de mensen die een amateurmycoloog in de familie hebben de komende jaren verlost van een probleem: het kopen van een cadeau.