Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

'Als hij zweeg, sprak hij in zijn hoofd'

J.M. den Uyl, gisteren in de Amsterdamse Nieuwe Kerk herdacht, was een van de onbetwistbare kopstukken van de naoorlogse Nederlandse politiek. Hoe vormde hij zijn ideeën, hoe ging hij om met zijn naasten en zijn tegenstanders. Gesprekken met een groot aantal bekenden van de PvdA-voorman droegen bij tot dit portret van zijn persoon. Door onze redacteur MAARTEN HUYGEN

AMSTERDAM, 31 dec. — Van keuvelen heeft hij nooit gehouden, wel van een gesprek, liefst een debat. Met samengeknepen ogen, de brilpoot tegen de wang, het rokende sigaartje in de mond, de schouders gekromd begon de politicus Joop den Uyl dan te mompelen, tijd winnend met loze zinnen, langzaam gravend in zijn hersenen. De woorden vielen er eerst toevallig uit om zich dan langzaam maar steeds doelgerichter

in slordige slagorde te groeperen rondom een treffer, een conclusie, waar hij zich achter verschanste. Na de repliek volgden nieuwe argumenten en voor de tegenstander doemde in de mist van steeds nadrukkelijker achterin de keel uitgesproken zinnen een hechte stelling op, nauwelijks nog te passeren. „Om weer snel tot de kern te komen...", zei hij soms met een ironisch lachje, omdat hij wel wist dat het hem tijd kostte om „nog vijf, zes punten op een rijtje te zetten". Hij werd tussen tegenstellingen heen en weer geslingerd, zo bleek uit vaste uitdrukkingen als „maar dan voeg ik eraan toe..", „en nou vervolg..", „ik zeg het anders..". " IJrt uitstellen van de beslissende slag, het zwakke, pretentieloze begin en de sterke eindspurt, hebben Den Uyls leven en loopbaan gekenmerkt. Marcel van Dam: „Ik heb de werking van zijn hersens wel vergeleken met de voormalige

Hilversumse mandenwinkel van zijn familie. Alles staat er door elkaar maar als hij iets nodig heeft, weet hij het te vinden." Als hij het gevonden had, kon hij uren onderhandelen over één woord. Als hij niet kon redeneren, omdat iemand anders het woord voerde, sprak hij door in zijn hoofd en keek hij langs de gesprekspartner heen. „Ik wist niet of hij luisterde. Soms dacht ik dat ik mischien beter kon ophouden of weggaan", zegt een ambtenaar, die hem moest voorlichten over een bepaald vraagstuk. „Hij stelde dan plotseling een vraag over een totaal ander onderwerp." Volgens Marcel van Dam is die afwezigheid slechts schijn. „Hij luisterde selectief. Hij zette soms de knop af, maar hij was er wel altijd bij als dat nodig was." Door anderen te provoceren, verlevendigde hij het gesprek. Naar geemotioneerde tegenspraak luisterde hij graag. Zijn voormalige secretaris

bij de fractie Lo Casteleijn zei: „Als je hem geen schop geeft, luistert hij niet". Hij wilde de tegenstander op het slagveld van ideeën lokken, dan werd hij hem de baas. Hij wist dat hij daarin uitblonk en hij won graag, grijnsde als zijn tegenstander schutterde. In het lange doorpraten, het moesjawara, herkent de evenals Den Uyl gereformeerd opgevoede voormalige minister van defensie, Henk Vredeling, de scholing van de kerk, waarin kinderen werden aangemoedigd om te debatteren over geloofspunten. Ook in anti-revolutionaire kringen viel Den Uyl al op. In zijn memoires herinnerde zich de toenmalige anti-revolutionaire voorman Bruins Slot dat de antirevolutionaire jongere Den Uyl weer „fel en met dédain in debat was". Later in de Kamerbanken keek Bruins Slot jaloers naar de uit eigen kring voortgekomen politieke talenten aan de socialistische overzijde. Enigszins onvast met de vinger zwaaiend riep hij eens: „Het is ónze schuld, het is onze schuld, dat jullie daar zijn terechtgekomen".

De enige niet-socialistische spreker, prof.mr. W.F. de Gaay Fortman, voert het woord tijdens de herdenkingsbijeenkomst in de Nieuwe Kerk voor ex-premier Den Uyl. (Foto NRC Handelsblad/ Leo van Velzen.