Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

Centraal Museum is verhuisd naar mooie stallen

Door RONALD ZOETBROOD UTRECHT, 9 mei — De collectie moderne kunst van het Centraal Museum in Utrecht heeft een nieuwe behuizing gekregen. De royale uitbreiding werd mogelijk dankzij de verbouwing van een oud stallencom'plex uit het begin van de vorige eeuw. Dit enorme complex strekt zich uit tot achter de naburige St. Nicolaaskerk. Het gebouw begint in de museumtuin en grenst aan het park langs de stadssingel. De meest noordelijk gelegen vleugel werd al geruime tijd benut als expositieruimte, maar nu zijn ook het hoofdgebouw en de zuidelijke vleugel toegankelijk. De renovatie van de 'Stallen voor de Kavallerie' is uitgevoerd door architect Mart van Schijndel. Zijn ontwerp voorzag in een compleet nieuw interieur en enkele belangrijke ingrepen aan de gevels. Van Schijndel werkte samen met beeldend kunstenaar Peter Struycken, die voor de buitenmuren een kunstwerk maakte van gemoffelde stalen platen. Het langgerekte gebouw ziet er nu uitdagend en frivool uit. Binnen wordt de argeloze museumbezoeker opnieuw overrompeld. Het publiek betreedt de nieuwe vleugel via trappen en een ondergrondse gang. De eigenlijke entree bevindt zich aan de kop van de noordelijke vleugel. Vanuit het souterrain heeft men toegang tot de eerste zaal; een hoge, helder verlichte ruimte, waar je meteen een doorkijk hebt naar de volgende zalen. De bestaande indeling van het stallengebouw bleef, al valt dat niet direct op, grotendeels gehandhaafd. Tussen de grote zalen, bestemd voor het exposeren van schilderijen, ontstonden smalle overgangsruimtes met verlaagde plafonds. Hier zijn ook brede doorgangen met aan elke kant een zuil. Door het volhouden van een as van symmetrie lijkt het alsof je door een galerij loopt. Wanden en vloeren zijn grijs getint. Natuurlijk licht valt

naar binnen door vensterstroken in de zoldering. Het daglicht weerkaatst op de vloer dankzij een uitgekiende invalshoek, waardoor onaangename reflectie op de geëxposeerde werken kon zo worden voorkomen. Overal heerst dezelfde grijzige atmosfeer. De sobere inrichting laat de tentoonstelling goed tot z'n recht komen. Franse invloed Op verschillende plaatsen maakte Mart van Schijndel handig gebruik van het bestaande bouwwerk. Waar het middengedeelte ten opzichte van de rooilijn enige meters terugspringt, werden de zijmuren vervangen door hoge glazen wanden. Hier bevinden zich tevens de branddeuren. Men heeft er ook een prachtig uitzicht op de beeldentuin en het gevelkunstwerk van Peter Struycken. De glaswanden aan de andere kant van het gebouw bieden uitzicht op het landschapspark aan de singel. Park en stallencomplex dateren uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Ze werden aangelegd na het slechten van de Middeleeuwse stadsmuur. Toen Van Schijndel met de opdracht begon, bleek dat de oude stallen waren ontworpen volgens een maatsysteem dat gebaseerd was op de meter. De Franse bezetting en de invoering van het metriek stelsel lieten kennelijk ook op dit punt sporen achter. Bij de verbouwing van het complex hield men vervolgens rekening met deze historische maatverhouding. Van Schijndel ging zelfs een stapje verder terug in de tijd en oriënteerde zich op de revolutionaire Franse architectuur van de 18de eeuw, met name van Claude-Nicolas Le Doux, die leefde van 1736 tot 1806. Op diens werk is Van Schijndel afgegaan bij het ontwerpen van de nieuwe gevels voor de stallen. Het is te zien op de plaatsen waar vroeger ingangen waren. Kozijnen en deuren moesten plaats maken voor spleten in de vorm van een gelijkbenige

driehoek. De geometrische figuur werd op vier plaatsen herhaald. Binnen is deze opening in de gevelwand slechts vaag en dan nog alleen als een lichtvlek, te zien. Een wand van glazen blokken met een wit vierkant in het midden verhult de opening. Je ziet een subtiele overgang, waarbij geometrische vormen elkaar doordringen. Dit laatste is een belangrijk aspect uit het werk van Le Doux. Hij plaatste vaak cilinders op blokken en bouwde op deze wijze zuilen, maar ook koepels. Zuilen zijn er bij de nieuwe vleugel van het Centraal Museum te over. Elke zaal wordt erdoor begrensd. Het centraal gelegen deel van het hoofdgebouw kreeg een indrukwekkende koepel — de architect spreekt hier consequent van een döme —, met daaronder een zaal die gebruikt zal worden voor het tentoonstellen van beelden. Postmodern Hoewel er parallellen zijn,

blijkt Mart van Schijndel geen epigoon van zijn Franse collega Le Doux. Behalve de uitbreiding van het Centraal Museum bezit Utrecht nog een ander bouwwerk van Van Schijndel. Het werd enkele jaren geleden voltooid aan de Ganzenmarkt. Dit gebouw van het Landelijk Ondersteuningsinstituut voor Kunstzinnige Vorming (LOKV) trekt de aandacht vanwege de afgeknotte pijlers aan weerszijden van de voordeur. Het kost niet veel moeite om deze eigenaardige gevel Postmodern te noemen. Hier is Le Doux trouwens ook terug te vinden, bijvoorbeeld in de stapeling van brokken natuursteen. Het gaat alle proporties te buiten. In de naden van dit rustica-werk werden zelfs vierkante platen gekleurd marmer gezet. Er is weinig fantasie voor nodig om hier een verband te leggen met de befaamde tolhuizen van Le Doux. Parijs kende er vele. (Een fraai exemplaar is nu nog te zien bij een van de poorten van het Pare de Monceau.) Sommige van deze bouwwerken

waren qua ontwerp nogal extreem. Ze bevatten opéénstapelingen van blokken en cilinders, die op vreemde wijze verdikten of ongewone dwarsverbindingen hadden. Onevenredig grote sluitstenen puilden uit de frontons. Het zijn boeiende gebouwen, en voor de achttiende eeuw zeer revolutionair. Ze moeten destijds waarschijnlijk een nachtmerrie zijn geweest voor de navolgers van de fameuze Palladio. In vergelijking met het gebouw aan de Ganzenmarkt is de uitbreiding van het Centraal Museum een bezadigd ontwerp. Toch is de nieuwe vleugel voor de binnenstad van Utrecht een heel bijzonder bouwwerk, ook al bestaat er in deze stad al een eeuwenlange traditie van renovatie gecombineerd met nieuwbouw. Twee voorbeelden uit de vorige eeuw zijn het paleis van koning Lodewijk Napoleon aan de Drift, waar een aantal achttiende-eeuwse woonhuizen bij elkaar werden getrokken, en het stadhuis op de Stadhuisbrug, waar een classicistische fa?ade enkele middeleeuwse stenen huizen tot één geheel maakte. Ook bij recente bouw kent Utrecht opmerkelijke compromissen, zoals bijvoorbeeld het Muziekcentrum Vredenburg van Herman Hertzberger, dat is gebouwd op de — nog zichtbare — resten van kasteel Vredenburg. En het spraakmakende kantongerecht, waar abstracte kunst, net als bij de stallen van het Centraal Museum, deel uitmaakt van de nieuwe architectuur. Symposium. Op zaterdag 16 mei vind in het Edith Steincollege in Den Haag een symposium plaats met als thema Kunst en analytische psychologie. Er worden lezingen gehouden door dr. Hans de Smit, drs. Ben Huisman, dr. ir. Michiel Polak en prof. dr. Hans Locher, die spreekt over 'Symboliek, kleur en structuur in het werk van Mondriaan'.

Het interieur en het exterieur van het verbouwde stallencomplex bij het Centraal Museum (foto's NRC Handelsblad/Leo van Velzen)