Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Weer

Tom Poes en de spiegelaar

Door Marten Toonder

2137 De storm ging even snel liggen als hij was opgekomen en nu liepen Tom Poes en heer Bommel weer door de hete, dorre woestijn, zoals tevoren. „We zijn weer even ver!" sprak heer Ollie moedeloos. „Daarnet had ik mijn spiegelbeeld te pakken. Ik had hem bij zijn kraag en probeerde hem op zijn plaats te zetten: in de spiegel waar hij thuis hoort. Maar het lukte niet..." Hij zuchtte diep en sjokte een poosje zwijgend door het mulle zand. Aan de horizon verrezen enkele palmen die er koel en vriendelijk uitzagen. Doch heer Bommel wenkte afwerend. „Allemaal luchtspiegelingen," hernam hij verdrietig, „alles wat er prettig uitziet is maar een fata morgana voor een heer zonder weerkaatsing, als je begrijpt wat ik bedoel."

Tom Poes zag, dat de palmen zich in de trillende lucht oplosten en knikte. „Ja," gaf hij toe, „maar u moet het niet te somber zien, heer Ollie. Een poosje geleden dacht u dat iedere luchtspiegeling werkelijkheid was. En nu gelooft u, dat iedere werkelijkheid een luchtspiegeling is. Dat is allebei fout!" „Jij hebt makkelijk praten," mompelde heer Ollie. „Jij weet niet..." „Daar vliegen gieren!" riep Tom Poes uit. „Dat betekent dat daar iemand ligt, die er slecht aan toe is!" „Ik ben er ook slecht aan toe!" klaagde heer Bommel. Maar hij volgde Tom Poes naar een zandheuvel waar een zwarte hoed boven uit stak. En ja! Daar lag een bewusteloze figuur, half bedolven onder het zand. Het was de dwerg Jodocus.