Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Bouw

De zeven duivelen

Bijna een kwart eeuw na de dood van de architect J. J.P. Oud wordt vandaag de herbouwde gevel van zijn Rotterdamse Café de Unie onthuld. De meningen lopen uiteen, een postuum eerbetoon of een onzinnige exercitie in nostalgie? Naast de herbouw van de Unie zijn zowel in Duitsland als op diverse plaatsen in Nederland bouwwerken van Oud gerestaureerd. De erfenis van een weerbarstige man. „Mijn man danst niet naar pijpen," heeft zijn echtgenote Annie Dinaux eens van hem gezegd.

door Tracy Metz

„Onze fijne grijze Hollandse atmosfeer leent zich kwalijk tot dergelijke uitheemse proefnemingen. Het is te vreezen dat de gemeente met dit overmoedig dadaïstische voorbeeld de zeven duivelen" zal oproepen uit de massa der reklamezuchtigen. In een stad als Rotterdam vinden onkunde, onmacht en gewichtigdoenerij in het dadaisme een al te vruchtbare voedingsbodem." Dit schreef het Bouwkundig Weekblad in 1925 naar aanleiding van de opening van C^afé de Unie in Rotterdam, een ontwerp van J.J.P. Oud. De architect zelf vond het „een gecomponeerd geheel dat men mooi of lelijk kan vinden, maar waaraan men zuiverheid van bedoeling niet zal kunnen ontzeggen". Oud maakte het ontwerp voor Café de Unie op verzoek van zijn werkgever, de gemeente Rotterdam, voor een café-eigenaar, wiens eigen tekeningen tot drie keer toe waren afgekeurd. Het voorstel van Oud moest een nadrukkelijk contrast vormen met de belendende classicistische panden. Met lichtbakken en uithangborden maakte het reclame voor zichzelf. Het was de bedoeling het gebouw tien jaar te laten staan, maar het trok zo veel internationale belangstelling dat niemand de opdracht durfde te geven het af te breken. De sloop werd uiteindelijk in 1940 niet verricht door de gemeente maar door Duitse bommen. Hans van Zwienen, stedebouwkundige in Rotterdam, herinnerde zich het café nog uit zijn jeugd. Hij' stelde in 1978 voor het opnieuw op te bouwen. Het heeft lang geduurd en veel gekost (twee miljoen gulden), maar nu staat het er. „Het was moeilijk een plek te vinden voor de reconstructie," zegt Van Zwienen. „Het café stond vroeger aan' de Coolsingel. Daar is nu een warenhuis. We wilden het per se in de binnenstad houden, maar het moest een terrein zijn waar de ruim tien meter brede gevel in paste." Met behulp van een advertentie in een plaatselijke krant werd een projectontwikkelaar gevonden, Lisman Inter Holding. Een jaar en één dag geleden metselde directeur-generaal culturele zaken van het ministerie van WVC Jan Riezenkamp de eerste steen. De nieuwe locatie aan de Mauritsweg is ruim twee meter breder dan het oorspronkelijke gebouw. Omdat men de gevel niet wilde uitrekken is er een — overigens zeer uit de toon vallende — deur in een bakstenen omlijsting bijgemaakt, die toegang geeft tot het kantoor van de Rotterdamse Kunststichting, huurder van het pand. De gevel is identiek aan die van Oud. In overleg met verffabrikant Sikkéns is gezocht naar de oorspronkelijke kleuren, door de architect omschreven als vermiljoenrood, ultramarijnblauw en kanariegeel. De begane grond huisvest opnieuw een café en een restaurant, maar van binnen is alles anders. Reyn van der Lugt van de Rotterdamse Kunststichting: „Van buiten leek het gebouw drie verdiepingen hoog, maar in feite waren het er twee, het café en een kantoortje op een tussenverdieping. Om het gebouw goed bruikbaar te maken moest er meer ruimte worden geschapen. Daarom is besloten er twee nieuwe verdiepingen bovenop te bouwen. Die beginnen vier meter achter de gevel, dus vanaf de straat zijn ze nauwelijks zichtbaar. De opbouw is ook zwart geschilderd om de aandacht niet van Ouds gevel af te leiden." Bernard Colenbrander, medewerker van' het Nederlands Documentatiecentrum voor de Bouwkunst, heeft weliswaar als Oud-kenner bij het project geadviseerd, maar echt enthousiast is hij niet. „Een initiatief op dit terrein is altijd prijzenswaardig, maar het is een makkelijk succesje. Ik heb het eindresultaat nog niet gezien, maar ik denk dat de nieuwe verdiepingen vanaf de overkant heel duidelijk te zien zullen zijn. Het is een nieuw gebouw achter een oude gevel, die daardoor niet meer dan een schotje is geworden, iets waar Oud fel tegen was. Monumentenzorg betekende voor hem niet dat je koste wat kost de oude stad moet behouden. De oorspronkelijke Unie was juist frappant door de onverwachte omgeving. Daar zie je nu niets van terug. Er komt nog bij, dat Oud de Unie beschouwde als een frivool intermezzo waarna hij weer met 'beheersing' aan het werk kon gaan. Ik vermoed dat Oud dit niet had gewild.

De door Oud ontworpen lichtreclames hebben bij de herbouw nogal wat hoofdbrekens veroorzaakt. Zij bestonden uit glazen plaatjes met in messing gevat de letters Café de Unie. Glas zou echter te kwetsbaar zijn en het steeds weer aanmaken van de plaatjes te duur. Uiteindelijk is besloten de kunststof acrylaat te gebruiken, dat veel op glas lijkt en precies op kleur kan worden gemaakt. Ook de brievenbus leverde een probleem op. Van der Lugt: „Zelfs met de loep hebben we op geen enkele tekening of foto een brievenbus kunnen ontdekken. We hadden een oplossing bedacht waarbij de brievenbus vertikaal in de deurlijst zou worden verwerkt, maar dat mag niet van de PTT. Dus ook in de nieuwe Unie ontbreekt de brievenbus." Oud mocht zich destijds niet met het interieur bemoeien. De café-eigenaar trok zich bij de inrichting niets aan van de progressieve buitenkant: hij had het lekker ouderwets gehouden, met rieten stoelen en dergelijke. Het nieuwe café krijgt geen namaak-De-Stijl-interieur, maar een 'eigentijdse' inrichting in zo neutraal mogelijke kleuren. Een andere toevoeging is een zaal in de tuin, een eis van de Kunststichting. Daar zijn de komende drie weken voorstellingen, waaronder een aantal projecten rondom Café de Unie. Zo vertoont men de film over de geschiedenis van De Unie, die Peter Verzendaal in opdracht van de Kunststichting heeft gemaakt. De Unie is de laatste weken onzichtbaar geweest voor de buitenwereld. Als een groot glinsterend cadeau stond het ingepakt in een laag spiegelende folie, een kunstwerk van Barbara van Loon (choreografe van een ballet voor hijskranen in de Amsterdamse haven) en Toon Hartoghs. Elke week werd een ander woord op het folie geprojecteerd en konden Rotterdammers prijzen winnen met het bedenken van associaties. De spiegelwand inspireerde ook andere kunstenaars: Van Loon en Hartoghs spanden een kort geding aan tegen een Rotterdamse collega die hun kunstwerk met zijn eigen woordassociaties verrijkte. Vandaag is aan die opwinding definitief een einde gemaakt: met het wegscheuren van deze verpakking is De Unie onthuld. Van achter het folie komt een gevel te voorschijn die sprekend lijkt op Mondriaans schilderij Tableau I. Oud was samen met Theo van Doesburg weliswaar een van de grondleggers van De Stijl, maar het groepsmanifest heeft hij nooit ondertekend ('omdat ik niet weet of ik er volgend jaar nog zo over denk'). Toen hij in 1925 De Unie ontwierp, had hij zich al afgewend van De Stijl. Hij verweet de beweging verstikkend dogmatisme en 'maniertjes'. De vriendschap met Van Doesburg eindigde in daverende ruzie. Oud schreef hem: „Je vermoordt de monumentaliteit van mijn werk door een tekort aan begrip." Van Doesburg kwam tot de volgende conclusie: „Een voorzichtig mensch en een waaghals kunnen niet samenspelen zonder ruzie te krijgen". Als architect van het Nieuwe Bouwen wilde Oud twee elementen met elkaar verzoenen: het rationalisme aan de ene kant en een herkenbare, persoonlijke artisticiteit ('het hoogere') aan de andere. Hij mocht het in theorie eens zijn met het ideaal van De Stijl, een samenwerking zonder hiërarchisch onderscheid tussen beeldende kunst en architectuur, maar zijn karakter leende zich er niet voor. Hij zag bovendien in dat architectuur zich meer moest laten leiden door praktische overwegingen. „De bouwkunst wortelt meer dan een andere kunstvorm in het maatschappelijk leven en blijft zelfs in haar meest individuele uitingen aan maatschappelijke overwegingen gebonden," schreef hij in 1917 in het eerste nummer van De Stijl. „In haar moet de idealiteit van de kunst tot uiting komen langs de weg van de utiliteit." Het jaar daarop aanvaardde Oud een baan als architect bij de dienst volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam. De oplossing voor zijn streven bouwkunst ook gebruikskunst te laten zijn, zocht hij in standaardisatie van het bouwproces, dus massaproduktie. Maar in 1921, het jaar dat hij De Stijl de rug toekeerde, schreef hij: „Zonder in dor rationalisme te vervallen zal de moderne bouwkunst vóór alles zakelijk zijn, maar in deze zakelijkheid

reeds dadelijk het hoogere beleven." Na zijn vertrek uit De Stijl werd hij lid van de Rotterdamse architectenvereniging Opbouw. Ook die groep verliet hij in 1933: de invloed van de politiek werd hem te groot. Hij was bovendien tezeer individualist om op voet van gelijkheid met collega's over het vak te willen discussiëren. Aan de beginselen van het Nieuwe Bouwen gaf Oud zich evenmin van ganser harte over. In 1935 schreef hij: „lk beschouw de nieuwe zakelijkheid als een overgang, maar eigenlijk is zij een verschijnsel van de verwording, waartoe de burgerlijke maatschappij gekomen is." Begin jaren zestig moppert hij: „Tegenwoordig stelt een architect zich al tevreden met een geëmotioneerde stofzuiger." Het Witte Dorp In I922 ontwierp Oud een woningbouwproject voor Rotterdam op een driehoekig terrein in Oud-Mathenesse, bijgenaamd Het Witte Dorp. Tot zijn opluchting kon hij hier voor het eerst de baksteen met wit pleisterwerk aan het oog onttrekken.

Het kleurgebruik herinnert aan zijn De Stijl-periode: witte muren, blauwe deuren, rode pannen. De enige concessie waren de traditionele puntdaken. Jarenlang is het Witte Dorp onderwerp van discussie geweest. Sommigen wilden het als architectuurmonument behouden, anderen verlangden sloop terwille van woningen die beter aan de moderne eisen van comfort voldoen. Het dorp — 343 woningen, acht winkels en een brandhuisje — is in 1925 gebouwd als tijdelijke huisvesting. Het zou niet langer dan 25 jaar blijven staan. Om die reden zijn de huizen niet op palen gefundeerd maar op betonnen platen. In de loop van de tijd zijn ze dan ook gaan verzakken, scheuren en lekken. In 1977 heeft de stad Rotterdam zeveneneenhalf miljoen gulden uitgetrokken voor een gedeeltelijke opknapbeurt, maar het heeft niet mogen baten. De toestand van de huizen is daardoor zelfs verslechterd: muren zijn doorgebroken zonder dat er ankers werden aangebracht, de belasting van de fundamenten is met het gieten van betonnen douchevloeren toegenomen en tegen de technische adviezen in zijn de

straten opgehoogd. H;t eindresultaat was, dat de gerenoveerde woningen er bouwtechnisch gezien slechter aan toe waren dan de niet'gerenoveerde. Rotterdam heeft besloten het Witte Dorp niet op de nationale monumentenlijst te plaatsen: een grondige restauratie zou anderhalve ton per huis kosten. Daardoor zou er de komende 25 jaar geen geld meer zijn voor andere monumenten. Bovendien drongen de bewoners al jaren aan op sloop en nieuwbouw. Dit besluit heeft de woede opgewekt van de Duitse kunsthistoricus Roland Gunter uit Oberhausen. Tijdens een bezoek vorig jaar aan Nederland heeft hij de zijns inziens lakse houding van Rotterdam veroordeeld. „Hoe is dit mogelijk in een stad met een universiteit, met een kunststichting, met een academie van bouwkunst, een stad die ook nog de toekomstige locatie is van het nationale architectuurmuseum?" Volgens Gunter is de opknapbeurt van 1977 zo slordig uitgevoerd, dat het weggegooid geld was. Een goede restauratie hoeft geen anderhalve ton per woning te kosten, meent hij. Gunter heeft een alternatief: „Een van de klachten van de bewoners is dat de woningen naar de huidige maatstaven te klein zijn. Het is heel goed mogelijk het exterieur van de huizen te handhaven maar binnen vier woningen te verbouwen tot drie grotere. Daarbij zou één huis in de originele staat kunnen worden bewaard als een soort museum." In laatste instantie zou het hele Witte Dorp zelfs opnieuw kunnen worden opgebouwd: in Duitsland. „Dortmund en Hannover hebben belangstelling," zegt hij. „Dit zijn serieuze plannen." Roy Bijhouwer, projectleider bij de Rotterdamse dienst stadsontwikkeling, meent dat het intact houden van alleen de fa?ades het dorp tot een toneeldecor zou maken. „Het interieur en het stratenpatroon zijn voor het karakter van een jong monument net zo essentieel," zegt hij. „Van de drie architecten die plannen voor de herbouw van het dorp hebben ingeleverd heeft geen een voorgesteld een replica van het origineel te maken. Wel zijn sporen van de inspiratie van Oud erin terug te vinden." Dit voorjaar is bij 'verkiezingen' in de buurt het nieuwbouwplan van de Amsterdamse architect Paul de Ley gekozen. Voordat de sloop begint wordt een volledige gefotografeerde en getekende documentatie van Ouds dorp aangelegd. Nieuwbouw is overigens ook niet goedkoop: nog afgezien van de bouwkosten kost de sloop en het bouwrijp maken van het terrein drieëneenhalf miljoen. Bovendien moet de stad nog negeneneenhalf miljoen gulden aan leningen voor de restauratie van 1977 afbetalen. Kiefhoek Een ander sociaal woningbouwproject van Oud in Rotterdam, de Kiefhoek (1925-1930), is wel tot monument verklaard. De 298 witgepleisterde woningen, twee winkels (nu een buurthuis) en een kerk hebben onlangs een tussentijdse opknapbeurt gehad. Daarbij zijn nogal ingrijpende wijzigingen aangebracht aan de gevels: de oude houten kozijnen zijn vervangen door kunststoffen, het schilderwerk werd in standaardkleuren overgedaan. Mede daarom, en dank zij een gemeentelijk programma voor werklozen, zijn de kosten beperkt gebleven tot ruim twintigduizend gulden per woning. „Oud heeft drastisch moeten bezuinigen op zijn oorspronkelijke plan voor de Kiefhoek," zegt projectleider Peter Verschure. „Hij heeft niet alleen voorzieningen moeten weglaten als douches en ingebouwde strijkplanken. Maar om de kosten te beperken zijn ook deze woningen gebouwd op betonnen platen. De gevels begonnen een jaar na oplevering al te scheuren. In een witgepleisterde muur zie je dat ook heel duidelijk. Eén blok van acht woningen verkeert in zulke slechte staat dat de stad serieus sloop overweegt. De meeste zijn er wel iets beter aan toe dan het Witte Dorp. Maar er zou pas sprake zijn van echte restauratie na 1990." Twee jaar geleden is nog een ander project van Oud uit 1927 gerenoveerd, een blok van 38 woningen en acht winkels in Hoek van Holland. „Ze zijn klein en landelijk als een dorp," schreef Oud hierover, „met een tuin achter en voor en grote balkons, maar de invloed van de metropool doet zich voelen in de soort van bouw, dicht op elkaar gebouwde etagewoningen." Onder invloed van de zeelucht gingen deze huizen relatief snel achteruit: er ontstonden scheuren, het pleisterwerk viel van de muren, de stalen kozijnen raakten aangetast. Het vervangen van de kozijnen, vooral in de karakteristieke hoekpanden die enorme ruiten hebben, was zowel financieel als technisch gezien een lastige onderneming. De keuze is tenslotte gevallen op aluminium ramen met speciaal ontwikkelde smalle tussenstijlen. Aan de hand van de oorspronkelijke tekeningen zijn de lampjes op de hoeken van de hekken in oude stijl teruggebracht. Weissenhofsiedlung Hoe treurig het lot van het Witte Dorp mag zijn, de bouw ervan in 1922-23 was voor Stuttgart voldoende

aanleiding om Oud in 1927 uit te nodigen deel te nemen aan de Weissenhofsiedlung, een experimenteel woningbouwproject door een aantal coryfeeën van de Europese architectuur onder de artistieke leiding van Mies van der Rohe. Zestien prominenten — onder wie Gropius, Le Corbusier, Hans Poelzig. Mart Stam, Max en Bruno Taut en Hans Scharoun — werd vérzocht een modelwijk van zestig woningen te bouwen aan de rand van Stuttgart. Het project was een idee van de Deutsche Werkbund, die in 1907 werd opgericht om het peil van het Duitse ontwerp te verhogen en de positie van Duitse produkten op de internationale markt te verbeteren. De Werkbund had zoveel gezag dat de gemeente Stuttgart de bouw van de Weissenhofsiedlung in het gewone woningbouwprogramma opnam en een terrein beschikbaar stelde. Ouds bijdrage was een compacte rij van vijf eengezinswoningen, met de tuinen en de officiële voordeur op het zuiden. Stuttgart renoveert de hele Siedlung; op het ogenblik is het blok van Mies van der Rohe aan de beurt. Dat van Oud is anderhalf jaar geleden voltooid. In vier van de vijf woningen zijn de oorspronkelijke bewoners teruggekeerd. Toen de bewoner van de vijfde naar een bejaardentehuis ging werd de woning toegewezen aan architecte Sybille Heeg, docente aan de Universiteit van Stuttgart. Ze heeft niet alleen bewondering voor Oud als architect, maar waardeert ook zijn praktische vernuft bij de indeling van het huis. „Kijk hoe dik de muren zijn", zegt ze, en trekt een kast open. „De verwarming zat tussen de muren, waardoor de warme lucht door het huis kon circuleren. Waar het maar even kon heeft hij die ruimte ook gebruikt voor kasten, een bekend systeem in Amerika maar hier vrij uitzonderlijk." In Heegs huis blijkt dat Oud bijzonder knap omsprong met het toelaten van daglicht: het heeft drie daklichten, zelfs een in de badkamer. Het huis heeft een oppervlakte van slechts 73 meter, maar maakt een ruime indruk. „Pas als ik de trap af moet met m'n armen vol was merk ik hoe klein het huis eigenlijk is." Met de bouw van de Weissenhofsiedlung in 1927 presenteerde het Nieuwe Bouwen zich voor het eerst aan het publiek als een beweging. In zijn toespraak bij de opening noemde Mies van der Rohe het project „onderdeel van de grootse strijd om een nieuwe manier van leven". Het experiment liet de gemoederen niet onberoerd: in de eerste paar maanden na de opening, toen de wijk nog een 'tentoonstelling' was, kwamen er tienduizenden bezoekers. Dat maakte een breed publiek vertrouwd met schone witte oppervlaktes en platte daken, maar het heeft tegelijkertijd de polarisatie tussen de progressieve architecten en de nationaal-socialisten versneld. In 1938 veroordeelde Hitier de Weissenhofsiedlung als Entartete Kunst. De Siedlung moest plaats maken voor een nieuw hoofdkwartier van de Wehrmacht. De sloop is gelukkig niet doorgegaan, wel werden de huizen gebruikt als huisvesting van luchtafweertroepen; het complex van Van der Rohe werd tijdelijk kinderziekenhuis. Erkend Al tijdens zijn leven werd Oud beschouwd als een belangrijke vernieuwer in de Europese bouwkunst; hij kreeg illustere functies aangeboden bij het Bauhaus en de Harvard-universiteit. Hij weigerde. Het Shell-gebouw in Den Haag (1938-1942) leverde hem veel kritiek op van collega's: hij zou zijn eigen veroordeling van het ornament hebben gelogenstraft. Oud, al jaren psychisch geteisterd, kreeg een geestelijke inzinking in 1927 en opnieuw in 1932. Het jaar daarop zette Rotterdam hem op wachtgeld. Na de oorlog heeft hij nog belangrijke opdrachten gekregen — het kantoorgebouw Utrecht in Rotterdam, het Bio-vakantieoord in Arnhem, het Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Den Haag — maar na de Weissenhofsiedlung was hij op de sociale woningbouw uitgekeken. Postuum heeft zijn zoon Hans, ook architect en gepromoveerd op een proefschrift over zijn vader, twee van zijn ontwerpen uitgevoerd, het raadhuis van Almelo en het Congrescentrum in Den Haag. In de jaren twintig was Oud vooral geïnteresseerd in massaproduktie; pas in de jaren dertig begon hij zich bezig te houden met de levensverwachting van zijn gebouwen. Tegen het einde van zijn leven kwam hij tot de conclusie dat „men een gebouw zo compleet en onverwoestbaar mogelijk moet opleveren. Het moet van den aanvang af en voor jaren, nadien zich zelf kunnen redden. Men kan de invloed van het onderhoud van het gebouw niet ernstig genoeg onder de loep nemen bij het ontwerpen. Helaas staan de natuur allesverwoestende krachten ter beschikking en de knappe mens weet tegen sommige daarvan — tegen alle, eigenlijk — maar weinig te doen. Toen men Marléne Dietrich ;ens vroeg wat ze deed om op haar leeftijd zo kwiek te blijven, zei ze: Ik ga ervan uit, dat de tijd steeds gelijk heeft en ik richt me daarïaar'"

Reconstructie Café De Unie van J.J.P. Oud

Het oorspronkelijke Café De Unie in 1925

De Kiefhoek