Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

BRIEVEN Fazant (1)

In NRC Handelsblad van donderdag 24 april stonden twee artikelen n.a.v. de maatregel van minister Braks om over zes jaar te stoppen met het verlenen van vergunningen tot het uitzetten van fazanten in jachtterreinen. Het artikel op de voorpagina (van de redactie wetenschappen) bevatte een storende onjuistheid: het uitzetten van fazanten zal niet de komende zes jaar verboden zijn, maar pas over zes jaar. Deze onjuistheid valt echter in het niet bij de aaneenschakeling van niet wetenschappelijk gestaafde kreten en de stemmingmakerij in het artikel van drs. W. Bergmans, Nederlands secretaris van het IUCN. In de inleiding geeft Bergmans onmiddellijk al toe dat bij hem subjectieve motieven een rol spelen als hij zegt: „Dieren uitzetten om er vervolgens op te schieten is in veler ogen onzedelijk." Een enorme simplificatie. Volgens de jachtwet zijn beheerders van jachtterreinen verplicht om zorg te dragen voor een goede wildstand in hun terrein. Naast een goed beheer kan uitzetten van dieren daar onderdeel van vormen. Als de zorg van veel jachtbeheerders weg zou vallen zouden de natuurterreinen in Nederland wel eens nóg sneller kunnen aftakelen dan nu het geval is. Vele terreinen kunnen op dit moment alleen maar in stand gehouden worden dank zij de jachthouders. Volgens Bergmans bestaat er echter ook objectieve redenen om het uitzetten van fazanten te staken: „Gegeven onze kennis over de veelal desastreuze gevolgen van verwildering van exoten, gegeven het vaststaande feit dat fazanten reptielen doden (en al of niet eten), gegeven de grote waarschijnlijkheid dat zij reptielenlegsels vernielen, gegeven de grote waarschijnlijkheid dat zowel uitzetters als fazanten veel extra onrust in reptielenterreinen veroorzaken, gegeven ten slotte de ondanks hun wettelijke bescherming bedreigde status en nog steeds verdergaande achteruitgang in aantallen individuen en populaties van alle zeven soorten reptielen is er maar één methode denkbaar om de door geheel herpetologisch west-europa aangenomen fanzantenschade te toetsen en dat is een zo spoedig mogelijk moratorium van het uitzetten van fazanten." „Gegeven het vaststaande feit dat fazanten reptielen doden." Welke

bewijzen voert Bergmans hiervoor aan? „Terwijl algemeen bekend is dat deze vogel hagedissen en slangen doodt" en „Dat fazanten kleine reptielen eten is al geruime tijd bekend", „Uit maaginhoudsonderzoek is gebleken." Waar? Wanneer? Het wordt niet vermeld. „Desondanks hebben de jagers — die zich ook graag wildbeheerders en natuurbeschermers noemen — nooit enig initiatief tot (maaginhoud)onderzoek genomen. Integendeel...", maar „Maaginhoudsonderzoek zou overigens, zeker tegenwoordig, geen volledig uitsluitsel geven" want „van kippen weten we dat zij de gedode reptielen lang niet altijd opeten." Aan Bergmans is erg veel bekend en hij wéét ook ongetwijfeld veel, maar dit slaat werkelijk nergens op. Wél worden de jagers weer in een kwaad daglicht gesteld. Wat dénkt Bergmans wel! Heeft zijn club wél initiatief tot maaginhoudsonderzoek genomen? Het ligt niet op de weg van jagers om zulks te doen, dat is een taak voor wetenschappelijke instanties. „Gegeven de grote waarschijnlijkheid dat zij reptielenlegsels vernielen." Hoe waarschijnlijk is dat dan wel? „Onder extreme omstandigheden graven zij wel 30 cm diep." De in extreme omstandigheden uitgezette fazanten al ploegend rondlopend op zoek naar reptieleneieren. De fantasie neemt hier wel een extreem hoge vlucht. „De grote waarschijnlijkheid dat zowel uitzetters als fazanten veel extra onrust in reptielenterreinen veroorzaken." Bergmans zou toch moeten weten dat beheerders van jachtterreinen ermee gebaat zijn om zoveel mogelijk rust in de door hen beheerde terreinen te handhaven en dat dus de onrust van die zijde te verwaarlozen is vergeleken met de onrust veroorzaakt door de grote aantallen recreanten die de natuurterreinen onveilig maken. Door het toezicht dat van jachtbeheer uitgaat wordt de onrust in terreinen juist beperkt! Als dat weg zou vallen is het hek pas goed van de dam. Is er maar één methode denkbaar die ons in staat zal stellen om de door geheel herpetologisch westeuropa (eerder in het artikel: vele Westeuropese reptielenkenners) waargenomen fazantenschade te toetsen..." Geheel herpetologisch West-Europa (= Bergmans?) weet heel goed dat er maar één methode is om de waargenomen (?) fazantenschade te toetsen en dat is een grondig onderzoek naar de invloed van de fazant op reptielenpopulaties, uitgevoerd door een wetenschappelijke instantie. Maar uit zijn artikel kan men opmaken dat Bergmans zelf de resultaten van dat onderzoek betwijfelt, daarom is het gemakkelijker om gebruik te maken van de vooroordelen die er tegen jagers bestaan en via een, wetenschappelijk niet onderbouwd, tendentieus artikel te pleiten voor een maatregel waarvan het effect zeer twijfelachtig is.

Want Bergrqans weet héél goed wat de werkelijke reden van de achteruitgang is; hij vermeldt dat zelf terloops. „Een belangrijke oorzaak is dat geschikte leefgebieden — met name de duinen en de zandgronden in het oosten, midden en zuiden — worden veranderd, verkleind, verbrokkeld en onderling geïsoleerd en „het is overal (in West-Europa) van hetzelfde laken een pak." En daar is óók de fazant de dupe van! Op het moment dat jagers stellen dat door milieuverarming en verstoring van het evenwicht bepaalde populaties zoals die van de vos, de havik, meeuwen en kraaiachtigen te sterk toenemen waardoor de populaties van weidevogels, zangvogels en Bergeenden worden bedreigd, roept „natuurbeschermend" Nederland in koor tegen beter weten in, dat dit niet waar is en dat de populaties zich handhaven ondanks de predatie. Maar als het zo uitkomt wordt de tegenovergestelde redenering net zo gemakkelijk gevolgd. Het artikel van Bergmans is daarvan een bewijs. Eén ding ziet Bergmans goed, jagers zijn wildbeheerders en natuurbeschermers; ook al insinueert hij door de wijze waarop hij het stelt het tegenovergestelde. Van Bergmans waag ik dat te betwijfelen. De natuurbescherming in Nederland is niet gediend met dit soort navelstaarderij.

Fazant (2) Met stijgende verbazing las ik het artikel van drs. W. Bergmans over het moratorium van het uitzetten van fazanten, omdat deze vogels reptielen zouden doden c.q. consumeren. (NRC van 26 april 1986). Het artikel staat vol van ongefundeerde vooringenomenheid als „het is al jaren bekend, maar onderzoek ontbreekt geheel" en „er is geen enkele reden om aan te nemen dat fazanten niet.. Fazanten komen niet in geheel Nederland voor, doch slechts in voor hen gunstige biotopen, d.w.z. in waterrijke streken met veel dekking. In de duinen zijn de fazanten na het sluiten van de jacht nagenoeg uitgestorven, doch van verbetering van de reptielenstand is blijkbaar geen sprake. Wél is algemeen bekend èn wetenschappelijk bewezen, dat de kleine predatoren zoals bunzing, hermelijn en wezel gaarne reptielen consumeren en dat ook de vos zich hiermede bezig houdt. De kleine predatoren zijn al een groot deel van het jaar beschermd en een algehele bescherming wordt door bepaalde groeperingen bepleit.

Ook is algemeen bekend en bewezen dat de kraaiachtigen en vooral de zwarte kraai, een alleseter is, die er zelfs niet voor schroomt pas geboren lammeren de ogen uit te pikken en er zich vervolgens te goed aan te doen. Het feit, dat kraaien ook reptielen consumeren lijkt mij meer voor de hand te liggen dan dat fazanten dat zouden doen, en kraaien zijn er in ons land aanzienlijk meer dan fazanten. Als wij de reptielen een kans willen geven moeten dus alle kleine predatoren, vossen en kraaiachtigen uit ons land verdwijnen en moet het de mensen verboden worden kippen buiten te laten lopen, zodat wij op legbattterijeieren zijn aangewezen, terwijl het houden van scharrelvarkens helemaal uit den boze is, want varkens eten letterlijk alles en dat hun wilde soortgenoten uitgeroeid moeten worden staat als een paal boven water. Wilde varkens, levende op onze zandgronden graven wel een halve meter diep en de zandhagedissen gaan niet dieper dan 10 centimeter! Ing. A. H. M. Jurgens Nijmegen Naschrift Wim Bergmans De oorspronkelijke versie van mijn artikel was veel uitgebreider en van bronvermeldingen voorzien, maar voor keze krant te lang uitgevallen. Het zou in die vorm veel van bovenstaande opmerkingen hebben voorkomen. Ik ben niet ver ingegaan op subjectieve argumenten of op ingrepen in de natuur anders dan het uitzetten van fazanten, omdat alleen dat laatste aan de orde was. Het leek mij wel eerlijk om duidelijk te maken geen bewonderaar te zijn van het doodschieten van gefokte, losgelaten en bijgevoederde vogels. De kwintessens van mijn verhaal was dat de fazant een exoot is (die niet al 1500 jaar in Nederland voorkomt maar pas sinds de zeventiende eeuw, zich geleidelijk aan uitbreidend tot de situatie van vandaag, waarbij hij in 95,9% van alle 5 x 5 km kwadranten van Nederland is waargenomen en in 89% van die kwadranten broedt). Voorts dat uitgezette exoten al vele malen voor rampen op het gebied van soortenbehoud hebben gezorgd. Dat bekend is dat de fazant een zevental bedreigde soorten belaagt. En dat het daarom niet juist is dat zonder enig onderzoek die exoot uitgezet blijft worden. Ik meen voorts op grond van eigen onderzoek naar de stand van de Nederlandse soorten reptielen dat elke onnodige bedreiging van deze dieren onmiddellijk dient te worden gestaakt. In de resultaten van nieuw onderzoek heb ik, gezien de slechte stand van de reptielen, weinig vertrouwen; die resultaten zullen niet representatief meer zijn en dus niet kunnen dienen als basis voor verder beleid. Dat bioloog Huber dit reden tot

lachen vindt is onthullend. Mijn argumenten zouden niet wetenschappelijk gestaafd zijn. Reptielen worden niet tot 'wild' of tot 'bejaagbare diersoorten' gerekend en hebben zich daarom nooit in de actieve belangstelling van jagers mogen verheugen. Huber en Jurgens geven er blijk van dat zij zelf nooit enige poging tot literatuur- of bronnenonderzoek over het onderhavige onderwerp hebben ondernomen. Hadden zij dat wel gedaan, dan hadden zij mijn bronnen wel gekend. Keer op keer blijkt echter dat jagers weinig lezen en weinig onderzoeken, kennelijk ongeacht een vooropleiding die anders zou doen vermoeden. Een klein voorbeeld, naar aanleiding van het schampschotje van Jurgens, dat kenmerkend is voor de 'kennis' en de mening van veel jagers. Enige jaren geleden publiceerde Strijbosch in het blad De Levende Natuur enkele uitstekende compilaties over diersoorten die reptielen eten. Jurgens, daar uiteraard onkundig van, weet niets beters van stal te halen dan de grote 'zondebokken' bunzing, hermelijn, wezel, vos en kraai — die zijn bij de jagers altijd overal goed voor. En om de reptielen te beschermen, vindt hij, zouden hij en zijn vrienden vergunning moeten krijgen om al die bokken te schieten. Ik ben blij, dat minister Braks verstandiger is. Het wilde zwijn, ter wille van de jacht in onnatuurlijke hoge dichtheid op de Veluwe gehouden, figureerde ook in mijn uitgebreidere artikel. Dat dier hoort hier echter wel thuis en de schade die het ongetwijfeld aan bij voorbeeld zandhagedis en adder berokkent zou, als zijn dichtheid meer natuurlijk was, weinig bezwaren oproepen. Op natuurlijke predatie zijn prooisoorten ingesteld. De fazant is geen natuurlijke predator, en daarom gaat het nu juist. Naar ik hoop zal de uitgebreide versie van mijn artikel binnen afzienbare tijd elders (mogelijk in de De Levende Natuur) verschijnen, met alle bronnen. Maar ik vind het eigenlijk een schande dat deze zich noemende natuurbeschermers die, louter en alleen ten eigen behoeve, fazanten uitzetten, vinden dat anderen maar moeten onderzoeken wat daarvan de effecten zijn, en ook dat zij in plaats van nu eens te beginnen om de in het door hen gewraakte artikel al wèl genoemde bronnen ( nota bene juist die waar Huber zo amechtig om roept) te raadplegen liever onmiddellijk een grote mond opzetten.

Johan Huber

Wim Bergmans Amsterdam