Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Oorlog

Het burma-dagboek van wim kan

Een omgevallen wereld.

Wim Kan: Burma-dagboek 1942-1945, onder redactie van Frans Rühl. Uitg. de Arbeiderspers, ƒ 34,50. Misschien, heb ik wel eens gedacht, zou Wim Kan in de oorlog de enige kleinkunstenaar van belang zijn geweest die had geweigerd zich aan te melden bij de Kultuurkamer. Waarschijnlijk had hij zich principiëler opgesteld dan zijn collega's Toon Hermans en Wim Sonneveld, die halverwege de bezetting hun artistieke doorbraak maakten. Maar de kwestie is zuiver hypothetisch: op 3 december 1939 gingen Wim Kan en Corry Vonk op tournee naar Nederlands-Indië en pas op 1 maart 1946 keerden ze terug op Schiphol. Honderd dagen zou de tournee duren, het werden er 2279. En toen op 30 mei 1942 met pompeus vertoon de Nederlandse Kultuurkamer in Den Haag haar foute werkzaamheden begon, werd Kan van 's Landsopvoedingsgesticht in Bandoeng overgebracht naar het Tjimahi-treinkampement — het eerste van de dertien kampen waarin hij zou verblijven. Geplaagd door verwondingen, ziekten en depressieve aanvallen, schreef hij in krijgsgevangenschap 107 liedjes, zes revues en drie toneelstukken. Hij hield tientallen lezingen over de vooroorlogse toneelen cabaretwereld en hield in schoolschriften, een cahier en een notitieboekje een dagboek bij. Frans Rühl, die bij testament alle dagboeken kreeg toegewezen, heeft uit de notities van 31 mei 1942 tot en met 8 november 1945 een bundel samengesteld onder de titel Burma-dagboek 1942-1945, ontleend aan de episode die het meest tot de verbeelding spreekt — het verblijf aan de beruchte Birmaspoorlijn, die duizenden krijgsgevangenen het leven kostte. Zelf had Wim Kan over zijn tropenjaren kort na de oorlog al het boekje Honderd dagen uit en thuis geschreven, waarvan de luchtig sarcastische toon het best tot uiting komt in de zinsnede: „De keizer van Japan en zijn onderdanen, dat waren tussen 1942 en 1945 geen aardige mensen. Echt niet." Het bestaan van de dagboeken kwam pas in 1971 in dt publiciteit, toen Wim Kan en Corry Vonk protesteerden tegen een bezoek van de

Japanse keizer aan Nederland. Op een persconferentie kregen Japanse journalisten gefotokopieerde bladzijden uit de schriften overhandigd. Hun begrijpelijke gevoelsargumenten — drie jaar lang was hun te verstaan gegeven dat alles geschiedde uit naam van de keizer — legden het af tegen de feiten over de positie van Hirohito in de oorlog. Tijdens zijn bezoek wierpen ze hun Oost-Azië-verzetssterren in de Westeinderplas. „Allebei dromen we van het kamp, nog altijd," zei Kan in 1974 tegen Bibeb.

„Zeker eens in de veertien dagen." De manier waarop hij in die periode de Birma-lijn ter sprake bracht, heeft bij andere ex-krijgsgevangenen enige wrevel opgewekt. Er waren er, die vonden dat Kan makkelijk praten had: natuurlijk was het ook voor hem niet leuk geweest, maar hij bevond zich als erkend artiest in een bevoorrechte positie, hij was meestal gevrijwaard van het zwaarste werk, verbleef in de beschermde kampementen en had de meeste verhalen over de aanleg van de spoorlijn alleen maar van

horen zeggen. Uit de nu gepubliceerde dagboeken blijkt dat dat min of meer klopt. Maar uiteraard is het niet van wezenlijk belang of hij meer of minder heeft geleden dan anderen. Belanrijker is wat de Nederlandse troepencommandant Mantel-in 1946 schreef: „De morele waarde van het werk van Kan is zeer groot geweest en hij kan er verzekerd van zijn, dat alle krijgsgevangenen, die voor enkele uren door hem uit de sleur van het gevangenenbestaan zijn gehaald, hem daarvoor in hoge mate dankbaar zullen blijven." Rühl heeft een aantal liedjes uit de beschreven periode in de tekst opgenomen en ze daarmee in de context gezet. Het opmerkelijkste ervan is de filosofische inhoud; terwijl zijn Nederlandse collega's voornamelijk wezenloze kop-opliedjes zongen, slaagde Wim Kan er blijkbaar in met distantie te schrijven over de barre omstandigheden waar hij zelf middenin zat. Het dagelijkse etensrantsoen was voor hem net zo belangrijk als voor iedereen en toch schreef hij, op de melodie van Mackie Messer: En de mens heeft idealen, maar die gooit-ie overboord. Op 't moment van eten halen is-ie rijp voor massamoord Minder dan de anderen hield hij zich vast aan hoopvolle geruchten. Niettemin zong hij cynisch: „Want ik hou zo van geruchten, waar ik tegen leunen kan." En hoewel het optreden hem minstens zozeer opbeurde als zijn publiek, wees hij in een ander liedje tegelijk op de absurditeit: „We zitten in de jungle op een ongevallen stam / en zingen liedjes uit een omgevallen wereld." Over zijn vermogen afstand te nemen schreef kampgenoot Nico Rayer in 1984 in de bundel Herinneringen aan Wim Kan: „Merkwaardig is dat hij — met zijn onvoorstelbare enthousiasme in deze omstandigheden — boven zichzelf werd uitgetild als iemand die het allemaal wel aanschouwde, maar er zelf niet door geraakt werd. Dit was (en is nog steeds) onbegrijpelijk voor mij. Maar zijn houding

sterkte mijn moreel in grote mate." Alleen in het dagboek liet Kan zich af en toe gaan. „Zo in de put als nog nooit," noteerde hij op 9 juli 1942. „Vind het leven zo beroerd en zo helemaal niks aan. Wat heb ik nou in godsnaam misdreven? Ik wil niets anders dan met 01 gelukkig zijn en samen met haar leven en door een idioot samenstelsel van allerlei dingen schijnt dat niet te kunnen of te mogen. Waarom in 's hemelsnaam niet? Ik wil naar huis. Ik wil hier weg! Het benauwt me. Al die mensen draaien en zwaaien om je heen, met al hun afgrijselijke grapjes over de voorstelling en zo. Ze bedoelen het goed, maar het hangt me zo ongelooflijk mijn keel uit! Als het nog veel langer duurt, weet ik mij heus geen raad." 01 was de koosnaam voor Corry Vonk — en aan haar wijdde Kan zijn wanhopigste regels. Wie later betrokken was bij zijn oudejaarsavondconférences, weet dat Kan de knopen altijd liet doorhakken door zijn vrouw. Zonder haar was hij volstrekt hulpeloos. „Voor de zoveelste keer in mijn leven moet ik weer eens flink zijn en een besluit nemen," schreef hij op 18 juni 1942. „Maar natuurlijk kan ik het weer niet." Meer dan elders liet Kan zich in zijn dagboeken kennen als een twijfelaar met een sombere kijk op de wereld, die alleen bij de gratie van afstandelijkheid en spotternij het vege lijf kon redden. Typerend is dat in de 270 pagina's van deze bundel nergens een aanval op de Japanse bezetters te lezen is. Misschien uit veiligheidsoverwegingen.

Het motto van het boekje Honderd dagen uit en thuis luidde immers: „Wij waren niet bang, maar óervoorzichtig." Het lijkt me echter waarschijnlijker dat Wim Kan zijn levenslange pacifisme ook in krijgsgevangenschap actief beleed. Met veel sarcasme schreef hij tijdens zo'n gruwelijke tocht van het ene kamp naar het andere over "de reisvereniging Nippon", maar uit geen enkele notitie blijkt de hoop op een geallieerde overwinning en een Japanse nederlaag. Nimmer hanteerde hij de begrippen winnen en verliezen. „Oorlog is volkomen waanzin. Laten we vrede sluiten en ermee ophouden!" Het klinkt, ruim veertig jaar na dato, allemaal niet erg opzienbarend en hier en daar zelfs wat zeurderig. De observaties zijn elders allang veel beter geformuleerd en de overpeinzingen gaan zelden verder dan het verlangen van de auteur om naar huis te gaan. Literaire of algemeen historische belangen zijn met deze bundel niet gediend; er bestaan veel aangrijpender en veel beter geschreven oorlogsdagboeken. Het grootste deel van de notities is triviaal of (ondanks een bescheiden notenapparaat) ronduit onbegrijpelijk. Waarom dan toch zoveel aandacht voor een boek dat kennelijk zo weinig kwaliteit heeft? Omdat nog niet eerder zo duidelijk de functie van amusement in afschuwelijke tijden was aangetoond. In bezet Nederland en in het Westerborkcabaret vluchtten de artiesten met hun publiek liever een paar uur weg uit de realiteit. Blijkens zijn teksten koos Kan een andere weg: hij pakte de realiteit, ging op een afstand staan en maakte er grapjes over. Zoals hij de na de oorlog onbereikbare autoriteiten terugbracht tot normale proporties, zo maakte hij in de kampen een ondraaglijke werkelijkheid overzichtelijk en een beetje draaglijk. Als ooggetuigen zeggen dat die teksten hun een hart onder de riem hebben gestoken, is het belang ervan bewezen — ook als een hedendaags lezer er niet meer van onder de indruk kan zijn. Het boek vult voor het publiek van nu vooral een witte plek in de Kan-biografie. Daarmee is alles gezegd; wie niet in de geschiedenis van het amusement geïnteresseerd is, kan het ongelezen laten. HENK VAN GELDER

Wim Kan met zijn accordeonist Nico Rayer tijdens zijn kampconference in de Kurzaal in Scheveningen in 1967