Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Het verdriet van Nederland

Zo gezien door J.A.A. van Doorn

Het Sint Nicolaasfeest is zonder enige twijfel een oerHollands gebeuren. Is dat toevallig of heeft het iets met onze volksaard te maken? Ja, zullen sommige zeggen, het is een feest van huiselijkheid en vrijgevigheid, typisch Nederlandse eigenschappen. Nee, zullen anderen zeggen, de huiselijkheid 's een gevolg van het klimaat en de vrijgevigheid van Nederlanders wordt in ieder geval door onze zuiderburen niet onmiddellijk pPgemerkt, om van onze reputatie in Frankrijk maar tw zwijgen. Wie door dut twistgesprek uitgedaagd op zoek gaat naar mogelijk andere typisch-Nederlandse 'rekjes, ontmoet dezelfde tegenspraak.

Ordelijkheid misschien? Sla de krant open en volg de stoet van protesten en provocaties, zie de menigte van actiegroepen, de steeds wisselende verontwaardiging over alles wat er in de wereld gebeurt. Nee, Nederlanders zijn juist opvallend rebels en onordelijk. Burgerlijk dan? Maar is dat te rijmen met onze Provo's die wereldfaam verwierven , met onze "walletjes" die een toeristische bezienswaardigheid vormen, met onze krakers, hippies, hash- en heroïnegebruikers? En vooral: met onze opmerkelijke tolerantie voor dit alles? Wellicht is „calvinistisch" een

bruikbare karakteristiek. Er is zeker een en ander mee te beginnen maar de zojuist genoemde lichtzinnigheden passen toch allerminst in het beeld. Zijn wij trouwens niet de permissive society bij uitstek? En hoe is de calvinistische houding van hard individualisme, noest werken en vlijtig sparen te rijmen met onze geperfectioneerde verzorgingsstaat? Zo kan men doorgaan zonder verder te komen. Inderdaad zijn we provincialistisch maar evenzeer kosmopolitisch: georiënteerd op het buitenland en standplaats van een aantal van de bekendste multinationals.

We hebben een monarchie en heel wat Nederlanders zijn Oranjeklanten maar wie ons een volk van republikeinen zou noemen heeft méér dan alleen de vaderlandse geschiedenis aan zijn zijde. *** Zo gaat het niet. In plaats van ongericht naar allerlei typeringen te zoeken zullen we langs empirische weg moeten nagaan hoe ons volk op cruciale evenementen en perioden reageert. Daar, zo menen we, kan een patroon worden ontdekt. Sinds het einde van de 19de eeuw werd de internationale rol van het Vaticaan steeds belangrijker maar Nederland weigerde langer dan vele andere landen het aanknopen van diplomatieke betrekkingen, ondanks zo'n 40% katholieken binnen de landsgrenzen. Overal om ons heen werden tussen de twee wereldoorlogen socialisten in de regering opgenomen maar in weerwil van 25%„ Nederlandse sociaal-democraten gebeurde dat in ons land pas in 1939, onder de dreiging van een nieuwe wereldoorlog. De economische crisis van de jaren dertig verliep hier niet veel

anders dan elders maar juist Nederland stelde de devaluatie van de munt bewust zeer lang uit en benadeelde daardoor het herstelproces. Vóór de Tweede wereldoorlog was Nederland neutraal met een vastberadenheid die alleen uit volslagen naieviteit is te verklaren: van Hitler-Duitsland mocht geen kwaad woord worden gezegd. Na de oorlog werden en bleven we anti-Duits in een mate die vrijwel nergens wordt aangetroffen. In de Indonesische kwestie verdedigden wij ons gelijk vier jaar lang tegen ongeveer de hele wereld. Toen we einde 1949 overstag gingen, hielden we daarna aan ons gelijk in de kwestie Nieuw Guinea meer dan twaalf jaar vast. Onze onvoorwaardelijke steun aan Israël kon pas door een speciaal tegen ons land gerichte Arabische olieboycot worden omgebogen in meer realistische richting. Onze afkeer van forse ingrepen in de sociaal-economische situatie heeft de afgelopen tien jaar waarschijnlijk niet veel verschild van de politiek in andere landen, maar dat we bijzonder laat hebben bijgestuurd — pas sedert 1982 — is

zonneklaar. En dan natuurlijk de kruisraketten. Wat men ook van het regeringsbeleid mag zeggen, het is zonder enige twijfel een politiek van opschuiven en uitstellen geweest die geen ander land ons zal kunnen nadoen. Lubbers was er bovendien niet weinig trots op: geen regering, zo stelde hij vorige maand, had zoveel geduld gevraagd van de Navo-bondgenoten als zijn kabinet. De oppositie was trouwens oer-Nederlands in haar mening dat Lubbers te snel wilde beslissen! Zeven jaar lang was de zaak overhaast! **★ Duidt dit alles nu op schandelijke traagheid of op bewonderenswaardige beginselvastheid? Naar onze mening op geen van beide: het is doodgewoon koppigheid. Dit kan op eenvoudige wijze worden aangetoond door te letten op koerswijzigingen in het beleid, waaronder sommige van 180 graden: de nieuwe koers blijkt met even grote hardnekkigheid te worden gevolgd als de oude. Enkele voorbeelden. In 1949 werd Indonesië de onafhankelijkheid

geschonken en in 1962 werd Nieuw-Guinea overgedragen. In al die jaren — van 1945 tot 1962 — toonde de Nederlandse bevolking zich blijkens opinie-onderzoek in meerderheid tegenstander van dekolonisatie. Nog geen vijf jaar na deze hardnekkig volgehouden koloniale politiek stond Nederland vooraan in het front van antikoloniale mogendheden en in 1975 kreeg Suriname zelfs een paar miljard cadeau als het in godsnaam maar onafhankelijk wilde worden. Geruime tijd behoorde Nederland tot de meest loyale leden van de Navo; sinds de jaren zestig is ons land een risicofactor voor het bondgenootschap geworden. Tot 1960 was katholiek Nederland de trouwste zoon van Rome; in de laatste twintig jaar is het tot een zorgekind van het Vaticaan geworden. Tussen 1955 en 1965 was Nederland trots op het vaderlandse Wirt schaft swunder: we waren, eindelijk, een volwaardige industriële natie geworden. Tussen 1965 en 1975 liepen we voorop in de beweging van het anti-industrialisme; met uitzondering van Japan sloeg de idee van „grenzen

aan de groei' nergens zo aan als juist bij ons. En in al die gevallen, vóór en na de ommekeer, werd het gekozen standpunt voorzien van een uiterst principiële lading en met trots ten voorbeeld gesteld aan de vele ruggegraatloze opportunisten die het wereldtoneel bevolken. Concluderen we. Wie op zoek is naar de eigen aard van de Nederlandse natie zal ontdekken dat niet een bepaalde houding kenmerkend is maar uitsluitend de koppigheid waarmee iedere houding pleegt te worden verdedigd en de beginselvastheid waarmee dat standpunt vervolgens wordt omkleed. Het zat er natuurlijk wel in. Een natie die er een oorlog van tachtig jaar voor over heeft om het alleenrecht te krijgen tot het ontwikkelen van een mistige moerasdelta en daarin ook nog op miraculeuze wijze slaagt — zo'n natie is niet gemakkelijk van haar stuk te brengen. Zij heeft het gelijk aan haar kant, ook al vermogen anderen dat niet te zien en al is het gelijk van gisteren tegengesteld aan het gelijk van morgen.