Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

De huizen van Josephine Baker Een beetje koningin

Door Ad Fransen

Al eerder schreef ik op deze pagina dat Josephine Baker in de smaak viel bij kunstenaars, intellectuelen en rijke bohémiens. In haar gloriejaren — en dan hebben we het over de jaren twintig, dertig — werd zij niet alleen bewonderd door schrijvers en schilders als Pablo Picasso, Alexander Calder, Ernest Hemingway en Luigi Pirandello, maar mocht zij ook op aanbidders rekenen in het kamp van de architecten. Het toeval bracht haar in contact met Le Corbusier. In 1929 reisden de architect en de revuester in Rio de Janeiro op hetzelfde schip naar Europa. La Bakaire had net haar succesvolle wereldtournee beëindigd en Le Corbusier had met een reeks lezingen ook het Zuidamerikaanse continent bekend gemaakt met zijn vooruitstrevende architectonische ideeën. De onvermoeibare Baker gaf tijdens de overtocht nog een aantal shows weg, waarvan Le Corbusier diep onder de indruk moet zijn geweest. „Ze is een bewonderenswaardig artieste als ze zingt, en geheel vervreemd van deze wereld als ze danst," noteerde hij in zijn dagboek. Volgens de niet van overdrijving gespeende biografie over Josephine Baker van Lynn Haney moet Le Corbusier zelfs enkele tranen hebben weggepinkt achter zijn dikke brilleglazen toen hij haar zag optreden voor de verwende passagiers van de oceaanstomer. Het werd zelfs een beetje Loveboat tussen die twee. Le Corbusier nodigde haar na haar optreden uit om naar zijn hut te komen. Daar zong Baker — tokkelend op haar ukelele — nog enkele privé-serenades en de architect liet van zijn kant zijn kunsten zien door enkele naaktschetsen van haar te maken. Het verdere verloop kan iedereen wel raden. Stadsarchitect Van meer zakelijke aard is Bakers verhouding geweest met de Weense architect Adolf Loos, die in 1927 een nooit gebouwd huis voor haar ontwierp, waarvan uitgeverij OIO nu een bouwpakket op schaal heeft uitgebracht (ƒ 34,50, inclusief een fraai geïllustreerd boek). De relatie tussen Baker en Loos blijft in de eerder genoemde biografie van Haney een onbeschreven blad, in de zeer uitvoerige en monumentale Loosbiografie van Burkhard Rukschcio en Roland Schachel (Salzburg, Wenen, 1982) krijgt de affaire rond das Haus für Josephine Baker wel een — zij het bescheiden — plaatsje. Loos kwam in 1924 naar Parijs nadat hij de stad Wenen als stadsarchitect de rug had toegekeerd. Meningsverschillen met de socialisten, die zich uit angst

voor de verslapping van het proletariaat verzetten tegen Loos' tuinsteden-ideeën, vormden de hoofdoorzaak van deze breuk. Als toonaangevend architect van de moderne tijd had Loos zijn internationale reputatie reeds vóór de Eerste Wereldoorlog gevestigd. Zijn essay tegen de Jugendstil, Ornament und Verbrechen (1908) had hem een naam bezorgd als belangrijk theoreticus. Als modern architect had hij zich in 1910 definitief bewezen met de bouw en inrichting van het kledingmagazijn Goldman & Salatsch aan de Michaelerplatz in Wenen, dat nu beter bekend is als het Michaelerhaus. Na de oorlog kwamen daar de grote tuinsteden en woonwijken bij voor de stad Wenen en zijn nadrukkelijke aanwezigheid op internationale tentoonstellingen zoals de Salon d'Automne te Parijs in 1920. Ondanks zijn roem is Loos' tijdelijke verblijf in Parijs nooit een echt succes geworden. Bij gebrek aan opdrachten zag hij zich zelfs genoodzaakt zijn Kokoschka-verzameling te laten veilen. Men had nu eenmaal liever een architect die goed de weg kon vinden in de Franse bureaucratie, waarmee Loos als vreemdeling niet goed vertrouwd was. In augustus 1925 kwam er enige verandering in deze malaise. Dadakunstenaar Tristan Tzara gaf Loos de opdracht om zijn nieuwe woonhuis, annex atelier en expositieruimte te ontwerpen en uit te voeren aan de Avenue Junot in Montmartre. In datzelfde jaar, om precies te zijn in oktober moet hij ook voor het eerst Josephine Baker hebben gezien, die in de uit Amerika overgekomen Revue Nègre het Parijse nachtleven gek maakte met haar wilde charleston. Van een persoonlijke ontmoeting was bij deze eerste kennismaking nog geen sprake, die vond pas een jaar later plaats in Chez Josephine , Bakers

eigen nachtclub in de Rue Fontaine. Daar trad ze na haar voorstellingen in de Folies Bergère nog eens tot diep in de nacht op voor artistieke nachtvogels en bohémiens. Ook Loos bracht regelmatig een bezoekje aan dit zeer in trek zijnde trefpunt voor intellectuelen en kunstenaars. Ten dans Het is wellicht deze nachttent geweest, waar zich de volgende anekdote heeft afgespeeld, die Loos' laatste vrouw, de fotografe Claire Beek als volgt beschreef in Adolf Loos privat (Wenen, 1936). „In een chique club vroeg ik een wildvreemde dame ten dans," laat Claire Loos haar man zeggen, „en na het dansen drukte ze me een flink geldstuk in mijn handen... Nooit was ik zo blij geweest over verdiend geld als over dit. Denkt u zich eens in, hoe goed ik gedanst moet hebben, hoe goed ik er wel niet uitgezien heb, dat ze mij voor een dansleraar aanzag! Maar ik had dan ook een uitstekende leermeesteres: Josephine Baker!" Josephine Baker gaf Loos niet alleen danslessen, maar in 1927 presenteerde zij zich ook als nieuwe opdrachtgeefster van de architect. Volgens de biografie van Claire Beek — die we maar niet helemaal op haar woord moeten geloven — is het allemaal zo gegaan. Adolf Loos: „Ze bezocht me en was in een slecht humeur. 'Moet u nagaan, Loos', mopperde Josephine, 'ik wil een grote verbouwing van mijn huis, maar de plannen van mijn architecten

bevallen me niet.' Ik was buiten mezelf. 'Wat', riep ik uit, waarom bent u niet meteen naar mij toegekomen? Weet u dan niet, dat ik het mooiste plan ter wereld kan ontwerpen?' Josephine keek me aan met haar wijd open gesperde kinderogen en vroeg daarna met een lange uithaal: 'Bent u dan architect??? — 'Ze had geen idee wie ik was." Indien de anekdote op waarheid berust dan heeft Loos zich nauwelijks iets aangetrokken van deze onschuldige belediging, want gretig accepteerde hij de opdracht om van twee huizen op de hoek van Avenue Bugeaud te Parijs een combinatie te ontwerpen van een woonhuis en nachtclub

onder een dak. De tekeningen, de foto's van de maquette en uiteraard het nu uitgegeven schaalmodel van het nooit uitgevoerde Haus für Josephine Baker laten een prachtig huis zien, waarbij aan alle luxueuze wensen van de diva en haar dure gasten is gedacht. De meeste indruk maakt nog het zwembad op de tweede etage. In het bassin zou een geheel nieuwe attractie moeten worden opgevoerd, een waterballetrevue. Loos gaf door zijn ontwerp nog een extra dimensie aan het spektakel: op verschillende plaatsen in de wanden van het bassin schreef hij glas voor, zodat de gasten vanuit een zuilengang op de eerste verdieping

ook konden genieten van wat zich onder water afspeelde. "Loos hielt sein Projekt für das Haus Josephine Baker für eine seiner besten Arbeiten. Aus welchem Grunde sich Josephine Baker dann doch nicht zur Realisierung entschliessen konnte, ist nicht bekannt." Aldus besluiten de Loosbiografen Rukschcio en Schachel de episode Loos-Baker en zij tasten dus in het duister over de vraag waarom dit fraaie plan in de koker bleef steken. Niettemin zijn hierover — denk ik — wel een aantal gegronde en wat minder gefundeerde speculaties mogelijk. Allereerst was Josephine Baker toen er sprake was van dit huis reeds ten prooi gevallen aan de Italiaanse gigolo en nepgraaf Pepito de Abatino, een eenvoudige steenhouwer die in Italië nog gewoon Guisseppi Abatino heette, maar in Parijs indruk probeerde te maken met een valse adellijke titel. De nogal jaloerse 'graaf, die door Lynn Haney terecht 'as well oiled as an Italian salad' wordt genoemd, sleepte Josephine Baker in 1927 niet alleen in het huwelijksbootje, maar kreeg als manager en impresario ook het beheer over haar vermogen. Wegens deze tweeledige verbintenis moet Pepito niet alleen financiële bezwaren hebben aangevoerd tegen het kostbare project van Loos, maar Loos' ontwerp ademde ook zoveel bewondering voor Josephine Baker, dat afgunst een rol gespeeld moet hebben. Anderzijds was één zakelijk argument in ieder geval wel steekhoudend genoeg om Baker van de bouw af te houden: In 1927

stond een grootscheeps en meer dan een jaar durende wereldtournee voor de deur. Het was nog maar de vraag of dit een succes zou worden en of zij bij terugkeer in de Franse Lichtstad nog op evenveel populariteit kon rekenen als vóór haar vertrek. Maar ook na haar tournee kon zij zich — nu in Casino de Paris — van een groot publiek verzekeren. Echter haar steeds groeiend vermogen werd niet aan de uitvoering van het Loosproject besteed, maar aan de gigantische villa Le Beau-Chêne in Le Vesinet, vlak bij Parijs aan de westelijke oever van de Seine. Dit dertig kamers tellende, laatnegentiende-eeuwse bouwsel moet in de ogen van Adolf Loos een draak van een gebouw zijn geweest, maar voor Josephine Baker was deze paleiselijke omgeving de juiste entourage om zich een beetje koningin te wanen, iets waar ze al in haar vroege jeugd aan de Mississippi van gedroomd had. 'Tedere nacht droomde ik ervan. Ik wilde ze zien in vlees en bloed. Soms huilde ik wel eens, omdat ik zelf een koningin was geweest." Aldus haar eerste memoires uit 1927. Smaakkloof Dat een revuester met een grote voorkeur voor franje, pompeusheid, barok, kitsch en glamour ooit in een ontwerp van Adolf Loos zou gaan of kunnen wonen, was wel zeer ondenkbaar. De belangrijkste reden voor het niet doorgaan van Loos' Bakerhuis lijkt me dan ook de geweldige smaakkloof die er gaapte tussen de architect en de artieste. Een echte chatelaine zou Josephine Baker overigens pas na de Tweede Wereldoorlog worden, toen zij het vorstelijk aan de zuidoever van de Dordogne gelegen renaissancistische kasteeltje Les Milandes kocht. Samen met haar nieuwe echtgenoot,

de orkestleider Jo Bouillon maakte ze van het kasteel en het gelijknamige dorp een toeristisch centrum en filantropisch oord. De feodale houding die de nieuwe slotvrouwe daarbij aan de dag legde kunnen de dorpsbewoners zich nu nog goed heugen. Landerijen, boerderijen, woonhuizen, winkeltjes alles kocht ze op; de straten kregen de namen van haar eigen favoriete liedjes en music-hallsterren en er werden zelfs eigen — natuurlijk ongeldige — postzegels gedrukt (wie o wie heeft dit nog in zijn verzameling?). Zo kwam haar jeugddroom tot volle werkelijkheid en zwaaide ze de scepter over haar eigen soevereine staatje, dat de naam kreeg Wereldhoofdstad der verdraagzaamheid. Die verdraagzaamheid sloeg met name op haar Regenboogproject. waarbij ze twaalf kinderen van de meest uiteenlopende rassen en nationaliteiten adopteerde. Een loffelijk streven, dat haar in de jaren zestig aan de financiële afgrond bracht. De verwachte toeloop van toeristen, die voor de belangrijkste inkomsten moesten zorgen, bleek snel tegen te vallen en haar man die er als zakelijk leider een dubbele boekhouding op nahield, lichtte haar even hard op als het personeel en de dorpsbewoners. "The workers came on motorcycles and left in cars," wist de broer van Josephine Baker, die in Les Milandes een pompstation runde, zich later tegenover Lynn Haney te herinneren. Het gefraudeer was ook een vorm van wraak tegen de steeds dictatorialer wordende Josephine Bonapart, zoals ze schertsend genoemd werd in het dorp. Een aantal zomers geleden bezocht ik Les Milandes. Het is allang weer rustig in het dorp sinds Josephine Baker in 1969 door haar schuldeisers het kasteel uit werd gezet. In gezelschap van haar dozijn kinderen zou ze haar laatste levensjaren in Roquebrune-Cap-Martin vlak bij Monaco moeten slijten, waar Prinses Gracia en het Rode Kruis voor een ook niet onfraai optrekje hadden gezorgd. Ka» teel Les Milandes is tegenwoof dig te bezichtigen als een soort museum. Nou ja, museum: aan de muren van de salons, slaapkamers en badruimtes hangen enkele vergeelde foto's en tekeningen uit een ver en bruisend verleden, waar de bezoeker ook aan herinnerd wordt als hij de tentoongestelde struisvogelveren ziet en de miniscule rokjes; ooit Bakers pikantie uitdossing in de Folies Bergère het Casino de Paris. Des te idioter is het dan ook dat — zoals ik vernam — de huidige kasteeleigenaar een fabrikant is van bustehouders en corsetten!

Kasteel Les Milandes

Adolf Loos

Maquette van het huis voor Baker

Axonometrie van het huis