Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Schatten onder de waterweg de benarde archeologie in de dynamiek van de rijnmond

I L. P. Louwe Kooijmans ]

Dit weekend vindt in Rotterdam een archeologisch symposium plaats over 'Landschap en bewoning in Rijnmond, 9000 v. Chr.-1300 n Chr.' De resultaten van 25 jaar onderzoek in de bodem van deze modderige rivierdelta worden belicht. Tevens wordt de alarmklok geluid over de sluipende aantasting van nog niet gevonden resten door te kunstmatige verlaging van het grondwater.

K WIL er geen ruzie over maken met de Limburgers of hun provincie inderdaad 'het stukske Nederlan, dat 't schönste is' omvat, noch met de Gelderlanders, die ons in hun provinciale hymne voorzingen dat 'Gelders dreven' de mooiste zijn 'van ons dierbaar Nederland'. Dat leerden wij vroeger allemaal op school en het zal dus wel waar zijn , of tenminste een beetje. Over mooi en lelijk is vruchteloos te twisten. Het is evenwel het lage deel van ons land, de delta van Rijn en Maas, dat Nederland een eigen gezicht geeft. Door de delta is Nederland markant anders dan enig ander land en of wij het volledig kunstmatig landschap nu mooi of lelijk vinden, heeft daar weinig mee te maken en hangt af van de ogen waarmee je ernaar kijkt. Voor archeologen is het een mooi, zelfs een prachtig gebied, maar die pracht is onzichtbaar verborgen onder klei en veen. In een beschouwing over de Nederlandse archeologie stelde de Groningse hoogleraar Waterbolk niet zolang geleden, dat het meest karakteristieke de delta-archeologie is: graven tot vèr onder de grondwaterspiegel, waar archeologische resten ingebed zijn in jonge zand- en kleiafzettingen en er dus nauwe samenwerking met geologen nodig is. Het is de studie van menselijke gemeenschappen uit de tijd van de eerste bedijkingen en vèr daar-voor en wij verwonderen ons erover dat mensen al vanaf het begin dat enorme moeras introkken: hoe kwamen ze daar aan de kost, hoe hielden ze hun hoofd boven water? Bodemarchief Het deltagebied stelt ons met de relatie mens-landschap een boeiend complex van vragen. Maar dat is niet het enige. Door de bijzondere geologische gesteldheid reikt het ook de antwoorden aan. Onder het grondwater en ingebed in klei en veen zijn de archeologische resten van vroegere bewoning beter bewaard dan waar ook. Waar zuurstof ontbreekt krijgt rot geen kans. Zo vinden we in onze delta op oude woonplaatsen nog de onderbouw van houten huizen van 2000 of meer jaar geleden, houten gebruiksvoorwerpen, zaden, botten, skeletresten enzovoort. Bovendien is dat alles veelal kort na de bewoning overgroeid met veen, of afgedekt met klei, waardoor het meeste nog min of meer op de oorspronkelijke plaats ligt. Voor de archeoloog die niet bang is voor wat gemodder een waar eldorado. 'Landschap en bewoning in Rijnmond, 9000 v. Chr. - 1300 na Chr.' heet een symposium, dat dit weekend in Rotterdam wordt gehouden. Niet zomaar een gebied en een willekeurig onderwerp, maar — dat zal na het voorgaande duidelijk zijn — een centraal thema in een centraal gebied. Aanleiding is het 25-jarig bestaan van (houdt U zich even vast) de 'Coördinatie Commissie van Advies inzake Archeologisch Onderzoek binnen het Ressort Rotterdam'. Niet geremd door deze loodzware naam heeft de commissie sedert 1959 zich met verve ingezet voor de archeologie van het Rijnmondgebied. Men ging over tot de instelling ervan

wegens de ernstige verstoringen en vernielingen van woonplaatsen uit de Ijzertijd en de Romeinse tijd in de Broekpolder bij Vlaardingen, waar grote nieuwbouwwijken verrezen. Een jaar later reeds werd op grond van het advies van de commissie door de gemeente Rotterdam een archeoloog aangesteld: de heer C. Hoek, wegens zijn bijzondere verdiensten later onderscheiden met de zilveren anjer. Het was het begin van de eerste gemeentelijke archeologische dienst, het 'bureau voor Oudheidkundig Onderzoek', dat dus komend jaar 25 jaar oud zal zijn. Een dienst weliswaar van de gemeente Rotterdam, maar ten bate van het gehele 'ressort', waarmee toen ongeveer het huidige Rijnmondgebied werd aangeduid. De gemeente Rotterdam fungeerde hier duidelijk als voortrekker onder het motto dat zorg voor de toekomst samen moest gaan met zorg voor het verleden. Pas in de loop van de zestiger jaren werden de eerste provinciale archeologen aangesteld en gemeentelijke archeologen volgden pas in de jaren zeventig. Een echte opgravingsdienst hebben nu naast Rotterdam: Amsterdam, Utrecht, Maastricht, 's Hertogenbosch en Den Haag. Van meer bescheiden opzet en met beperkte tot geen mogelijkheden voor graafwerk zijn archeologische instellingen in een reeks andere plaatsen zoals Hoorn, Hilversum, Heerlen, Haarlem en Amersfoort. Tenslotte

zijn er verschillende steden met een archeologisch fonds en een commissie: Delft, Leiden, Alkmaar en Leeuwarden. Het is duidelijk dat veel steden met een grote, oude binnenstad nog onvoldoende geld en mankracht besteden aan het beheer van het 'oudheidkundig bodemarchief. de 'erosie van de geschiedenis', duidelijk in kaart gebracht in het boekwerk Het bodemarchief bedreigd, wordt in veel plaatsen nog te weinig ingedamd! Ook de provinciale inspanningen omvatten nergens meer dan de aanstelling van een halve archeoloog en een archeologisch noodfonds. Alleen Noord-Holland bezorgde zijn provinciaal archeoloog een assistent. Daartegenover staat het verlies van de gemeentelijke archeologische dienst in Tilburg en de gelukkig afgewende bedreiging van ontslag van de functionaris in Overijssel. Natuurlijk is er begrip voor, dat in deze tijd de archeologische inspanning niet met teveel elan kan worden vergroot. Toch dienen veel bestuurderen zich mijns inziens in sterke mate bewust te worden van hun verantwoordelijkheid in deze en uit

te zien naar mogelijkheden om daaraan gestalte te geven met een hogere prioriteit dan wij momenteel in veel gevallen signaleren. Visfuiken Hoe het ook zij, Rotterdam loopt in deze in het voorste gelid en dan is een 25-jarig jubileum reden voor vreugde. In nauwe samenwerking met de gemeentebesturen binnen het ressort en, niet te vergeten werkgroepen amateurarcheologen zijn er in 25 jaar bergen werk verzet: opgravingen in de binnenstad van Schiedam, in het oude havengebied van Rotterdam, in de uitbreidingsplannen van bijvoorbeeld Vlaardingen en Spijkenisse. Niet alleen zelf voerde men opgravingen uit, maar ook werden andere opgravingsdiensten naar de Rijn gelokt voor het verrichten van noodonderzoek op eerste klas archeologische

terreinen. Ik noem de inheems Romeinse nederzetting te Kethel, opgegraven door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in 1961, de nederzetting van de Vlaardingen-cultuur te Vlaardingen door het Instituut voor Preen Proto-historie van de Universiteit van Amsterdam in 1950-1964, door het Rijksmuseum van Oudheden te Bergschenhoek (1978) en SpijkenisseHekelingen (1980). Een handige provinciaal- of gemeente-archeoloog en een aantrekkelijk noodfonds zorgen zo voor aanzienlijke uitbreiding van de archeologische zorg! Al deze zorgen, die het leven en werken van de archeologen in sterke mate beheersen, zijn dit weekend even opzij gezet. In het symposium wordt de schijnwerper vooral gericht op de verkregen resultaten: het 6000 jaar oude kampplaatsje bij Bergschenhoek met zijn spectaculaire visfuiken. Dankzij de conservering in de klei kunnen we met grote zekerheid stellen dat hier gedurende 10 a 20 jaar regelmatig door enkele jagers is gebivakkeerd en wel in het winterhalfjaar. Er werden overwinterende watervogels gejaagd, zoals de grote zaagbek, de smient en de kleine zwaan en natuurlijk verder ook gevist met fuik en visspeer. Duizend jaar jonger is de bewoning bij Hekelingen: daar woonden mensen van de Vlaardingen-cultuur in bescheiden hutten op de oever van een brede getijdenkreek. Langzamerhand wordt het — vooral door het onderzoek van de botanische resten — duidelijk dat men hier vooral of alleen zomers verbleef, waarschijnlijk vooral voor de steurvisserij. Blijkbaar boden de getijdenkreken

geen permanente bestaansmogelijkheid maar was daar in verschillende seizoenen met speciale expedities toch wel het nodige te halen. Huisplaatsen In de Bronstijd lijkt het gebied verlaten. Vindplaatsen zijn er niet. Maar recente uitgebreide opgravingen onder leiding van drs. M. C. van Trierum, archeoloog in dienst van het 'B.O.O.R.' en organisator van het symposium hebben ons geconfronteerd met kleine boerenbedrijven uit verschillende fasen van de Ijzertijd (de laatste 7 eeuwen voor Chr.). Bijgestaan door studenten en onvermoeibare amateurarcheologen, zoals Cees Herwijer en Joop van Toledo, werd de ruilverkaveling van Voorne en (vooral) Putten 'archeologisch begeleid'. Dat wil zeggen: het nalopen van versgegraven sloten, het systematisch aflopen van akkers vóór en na de uitvoering van werkzaamheden, het uitvoeren van grondboringen en tenslotte het uitvoeren van opgravingen. Soms gaat het om een nederzetting die pas aan het licht kwam doordat een nieuwe wetering er dwars doorheen was gegraven. In gunstiger gevallen was zo'n plaats al van tevoren bekend en kon het archeologisch graven vóór het civieltechnisch graafwerk worden uitgevoerd. De zeer gewaardeerde, goede verstandhouding en samenwerking met de Plaatselijke Commissie voor de Ruilverkaveling was voor het welslagen van dit projekt natuurlijk een absolute vereiste. Zo zijn er enkele tientallen huisplaatsen gekarteerd en zijn er daarvan enkele opgegraven. Ik zeg 'huisplaatsen', want het gaat niet om dorpjes of kleine nederzettingen, maar om verspreide bewoning in afzonderlijke boerderijen, opgetrokken uit een houten geraamte met wanden van

vlechtwerk bestreken met leem. De boerderijen waren op het veen gebouwd of op verse kleiafzettingen, gevormd tijdens een overstromingsfase halverwege de Ijzertijd. De huisplaatsen blijken steeds maar kortstondig te zijn gebruikt: 50 a 100 jaar, in welke periode de boerderijen soms een enkele keer werden vernieuwd. Met andere woorden: regelmatig verplaatste men dus zijn domicilie naar een schoon terrein. Naar de reden daarvan moet nog worden gezocht. Het kan bijvoorbeeld vervuiling van het erf zijn geweest, wateroverlast of uitputting van de akkers rond het erf. In elk geval wordt ons nu het nieuws gepresenteerd van een verspreid wonende boerengemeenschap midden in het veenmoeras, vergelijkbaar met de resultaten van het Amsterdamse onderzoek in de Zaanstreek, in nauwe samenwerking met de amateurarcheologen aldaar. Van groot belang is in beide gevallen de bijdrage van de paleobotanie, het stuifmeelonderzoek en de studie van zaden, om landschap, levensomstandigheden en voedselvoorziening te reconstrueren. Tussen de 'elzen tot aan de horizon' waren kennelijk ontginningen aangelegd en dat zonder de systematische waterbouwkundige werken zoals kades en weteringen, van de 'Cope'-ontginningen uit de 11de en 12de eeuw. Gootjes Het is een intrigerende vraag waarom precies agrarische bewoning in het laatste Neolithicum blijkbaar nog niet mogelijk was en in de Ijzertijd wel. Zijn het de veranderde levensomstandigheden, minder instroom van zeewater en een meer beschutte ligging achter een meer gesloten kustlijn, of soms verbetering in gewassen, agrarische bedrijfsvoering en landbouwwerktuigen, of hebben beide een rol gespeeld? Een fijne kluif voor voortgezet onderzoek. Dan is er de relatie van de IJzertijdboeren met hun achterland. Drs. P. W. van den Broeke is via zijn technologische en typologische studie van aardewerk uit de opgraving in Oss een zeer speciale categorie 'gootjes' uit de vroege Ijzertijd en potten uit de latere Ijzertijd op het spoor gekomen, waarvan hij op goede gronden veronderstelt dat er zout in is verhandeld. Dat zout moet in het kustgebied zijn gewonnen en via ruilhandel ver het binnenland in zijn vervoerd. Als tegenprestatie zouden de onmisbare maalstenen van basaltlava, geproduceerd in de steengroeven in de Eiffel, helemaal naar het kustgebied kunnen zijn gebracht. In de Romeinse tijd worden we geconfronteerd met een geleidelijke romanisering van dergelijke eenvoudige boerengemeenschappen en de vraag naar de mate waarin en de wijze waarop zij werden ingeschakeld in de proviandering van de militaire garnizoenen langs de Rijn en langs de kust. Hebben er in de buurt van Oostvoome en Goeree forten gelegen? Opgebaggerde vondsten wijzen in die richting, maar de castella zelf lijken bij latere overstromingen volledig verloren te zijn gegaan. De vroege Middeleeuwen tonen een catastrofale terugval van de bevolking. Alleen aan de riviermonden, zoals op de noordoever van het Helinium (de Maasmond) zijn enkele grafveldjes en woonplaatsen gevonden. Een periode van overstroming en uitbreiding van kreeksystemen (de zogenaamde Duinkerken-IItransgressiefase) werd daar vroeger voor verantwoordelijk gesteld. Veel belangrijker blijkt nu meer en meer de politieke en economische crisis aan het einde van de Romeinse tijd. Vele eeuwen zijn nodig voor herstel. De gehele tweede dag van het symposium is daaraan gewijd: de heer C. Hoek belicht de vroegste stadsvorming vanuit zijn lange praktijkervaring in met name

Schiedam en Vlaardingen, de 'Cope'-ontginningen worden archeologisch en historisch geografisch in een brede opzet behandeld: Noord-Holland, het mondingsgebied van de Oude Rijn, het Rijnmondgebied (dat archeologen terecht hardnekkig de Maasmond blijven noemen) en het Scheldegebied passeren de revue. Verrotting Het is het verhaal van de definitieve ontginning van de uitgestrekte Hollandse veengebieden, vanuit de oude bewoningskernen langs de rivierlopen, het openleggen, bekaden en ontwateren van de 'landsheerlijke wildernis'. Het ombouwen van een enorm ongerept natuurgebied tot een land van polders en waarden, een volledig kunstmatig landschap, in de ondergrond waarvan de resten van de eerste bewoning in klei en veen liggen ingebed. Dat zijn de archeologische sites, of beter: monumenten, het archeologisch cultureel erfgoed, dat zo goed mogelijk beheerd moet worden. Het wordt constant bedreigd en aangetast door alle bouw- en cultuurmaatregelen van de moderne samenleving. Sommige daarvan zijn duidelijk en voor iedereen zichtbaar: ontgraving, wegenaanleg, bouwwerkzaamheden. Andere vormen een sluipende aantasting, zoals diepploegen en vooral de steeds diepere, voor het moderne boerenbedrijf gewenste, ontwatering. Dit laatste is een acute dreiging in het Rijnmondgebied, waar in grote delen van het eiland Putten de waterstand 25 cm verlaagd zal worden. Boerderijen uit de Ijzertijd en de Romeinse tijd, waarvan de funderingen nu nog ingepakt in klei en veen onder water zijn behouden, zullen straks droogvallen. Zonder dat iemand dat opvalt zullen zij geleidelijk verdwijnen. Eenmaal in de oxidatiezone beland zal rotting na 2000 of meer jaren onverbiddelijk toeslaan. Ook de Steentijdlaag te Hekelingen-Spijkenisse op 280 cm beneden NAP zal dan droogvallen en veel van zijn kostbare inhoud kwijtraken, ondanks de bescherming als monument. Hetzelfde probleem kennen we ook uit andere delen van het deltagebied: de Assendelver Polders bijvoorbeeld en, in nog veel ernstiger mate, in de IJsselmeerpolders, waar honderden scheepswrakken — een archeologische schat van de hoogste orde op een diepte van een meter of meer langzamerhand wegrotten. De grondwaterverlaging stelt de jubilerende Archeologische Commissie te Rotterdam voor een nieuw probleem, waarop via beschermende maatregelen (plaatselijke grondwaterverhoging bijvoorbeeld) en noodopgravingen ingespeeld zal moeten worden. Daarvoor is geld nodig, mankracht en goodwill. Vijfentwintig jaar geleden wees Rotterdam ons onbekrompen de weg in regionaal monumentenbeheer. Wij verwachten dat ook nu de noodzakelijke maatregelen door de jubilerende Commissie zullen worden aanbevolen en dat zij zullen worden uitgevoerd. | Dr. L. P. Louwe Kooijmans is hoogleraar in de prehistorie aan de Rijksuniversiteit Leiden.

Opgraving van een ijzertijdboerderij bij Spijkenisse door het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam in 1983. Het meeste houtwerk is tegen uitdrogen afgedekt met plastic-folie. De rijen palen behoren tot verschillende, na elkaar gebouwde boerderijen.

Zware houten post en een vlechtwerkwand, de resten van een ijzertijdboerderij

Visfuik, 1.70 m lang, 6000 jaar oud, en bewaard gebleven in een kleilaag op 8 m beneden NAP. Opgraving door het Rijksmuseum van Oudheden bij Bergschenhoek

Houten hark uit de Romeinse tijd, perfect geconserveerd in de klei van het Rijnmond gebied.