Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Energie

Koppeling aardgas- en olieprijs in strijd met economische ethiek

Door A. A. Het lijkt soms wel of het hier gaat om een ijzeren wetmatigheid die de machteloze politici wordt opgedrongen door de economische wetenschap.

Door A. A. de Boer

Telkens als de aardgasprijs in discussie komt — of het nu is omdat de olieprijs wel of niet stijgt of omdat de kosten van levensonderhoud mede door de aardgasprijs tot grote hoogtes stijgen — duikt het verhaal op van de noodzakelijke koppeling aan de prijs van andere energiedragers. Het lijkt soms wel of het hier gaat om een ijzeren wetmatigheid die de machteloze politici wordt opgedrongen door de economische wetenschap. Zo ook nu de Algemene Energieraad (AER) een rapport heeft gepubliceerd over de prijs van het aardgas waarin, als men de inhoudsopgave mag geloven, gefilosofeerd wordt over de aardgasprijs. De kritische lezer plaatst al gauw op dit punt een vraagteken bij die inhoudsopgave. Toen het aardgas op de markt kwam, werd het ons gepresenteerd als een goedkoop alternatief voor de bestaande bronnen, een voordeel waarvan de consument moest kunnen profiteren. Daarom werd de prijs vastgesteld op basis van een maximalisering van het nationaal-economisch nut over een periode van enige decennia. Het toekomstverkennend gedeelte van de desbetreffende studie vertoont, als we haar achteraf analyseren, misschien enige gelijkenis met een horoscoop, maar de basis was in ieder geval gezond. Om misverstanden te voorkomen: het maximaliseren van het nationaaleconomisch nut betekende geen maximalisering van de winst, maar van de som van de winst en het prijsvoordeel dat wordt gerealiseerd door (niet-marginale groepen) verbruikers. In 1974 werd het begrip marktwaarde geïntroduceerd in de discussie rond het aardgas: gezien de sterke invloed van de olieprijs op de energieprijs en het grote verschil tussen de produktiekosten van aardgas en die energieprijs, moest het aardgas de prijs van de olie volgen. Moest'? Van wie? Laten we

vooropstellen dat er van de economische wetenschap helemaal niets moet. De economie leert ons. binnen zekere grenzen, onder meer wat er gebeurt als men een bepaalde prijspolitiek voert. Het elementaire leerboek economie leert dat de marge tussen olieprijs en de kosten van aardgas ruimte biedt voor grote winsten of kan leiden tot massale overschakeling op aardgas. Datzelfde leerboek leert verder dat men bij een geringe prijselasticiteit en het ontbreken van concurrentie zijn winsten kan verhogen door prijs-opdrijving: die mogelijkheid is bijvoorbeeld aanwezig als men een groot deel van de bevolking min of meer gedwongen op aardgas laat overschakelen en voor elementaire levensbehoeften als koken en verwarmen van aardgas afhankelijk is. Maar het leerboek economie leert jammer genoeg niet dat het niet ethisch is van deze laatste mogelijkheid (prijs-opdrijving ten nadele van de onelastische afnemer) gebruik te maken en te doen of er daartoe een wetenschappelijk bewezen noodzaak is, ter voorkoming van een verstoring van de markt. Deelmarkt Het is verheugend dat de AER er in zijn rapport op wijst dat we hier met deelmarkten te maken hebben en dat er op de deelmarkt die gevormd wordt door de gezinshuishoudingen geen vervangingsmogelijkheden zijn. Dat betekent, is dan mijn eerste reactie, dat ten aanzien van de gezinshuishoudingen sprake is

van een prijszetting, een politieke beslissing waaraan een analyse van de invloed van het niveau van de aardgasprijs ten grondslag moet liggen, en niet een vage economische argumentering die verdere discussie alleen in schijn overbodig maakt. Een degelijk onderzoek zou waarschijnlijk ook het vaak gehanteerde nevenargument voor hoge consumentenprijzen, namelijk dat er nog ruimte is voor verdere besparingen in het huishoudelijk verbruik en dat hoge aardgasprijzen die besparing zou stimuleren, naar het rijk der onethische fabelen doen verhuizen. Het is jammer dat de AER enkele bladzijden verder precies het omgekeerde zegt in het hoofdstuk onder de titel "Filosoferen over de aardgasprijs". Hier lezen wij dat koppelen van de aardgasprijs voor gezinshuishoudingen aan de prijs van huisbrandolie logisch en gerechtvaardigd is omdat op langere termijn huisbrandolie wel eens het alternatief voor het oprakend aardgas zou kunnen zijn. Wat hieraan logisch is, ontgaat mij. We laten nu de kleine consument voor gas de huidige prijs van huisbrandolie betalen, hoewel hij die niet als alternatief kan aanwenden, met als argument dat toekomstige consumenten, onder geheel andere prijsverhoudingen, heel misschien weer op huisbrand-olie moeten overschakelen. Er valt hier dus wel wat recht te zetten. Het model tot maximalisering van het nationaal-economisch nut ging uit van de overweging dat de consument mocht meeprofiteren. In 1974 ontdekte men dat aardgas een

aardige melkkoe kan worden, zowel voor de overheid als voor de betrokken oliemaatschappijen. Koppelen is dan een duidelijke keuze met even duidelijke consequenties. Volledige koppeling betekent dat het voordeel van de consument wordt geëlimineerd en dat deze niet meer meeprofiteert van de omstandigheid dat wij over een goedkope energiebron beschikken. De melkkoe wordt maximaal gemolken. Dat is een politieke — nogal aanvechtbare — keuze die nergens correct wordt toegelicht. Het is ook een keuze voor een prijspolitiek, waarbij de prijs van aardgas is overgeleverd aan de bewegingen van de olieprijs op de wereldmarkt. Met andere woorden: wij beschikken over een eigen energiebron waarvan de prijs niet beroerd wordt door de grillen van de oliemarkt, maar wij wensen van dat voordeel geen gebruik te maken en brengen een kunstmatige koppeling met die grillen tot stand. Eigenlijk geldt dit mutatis mutanidis voor alle deelmarkten. Het is dan ook jammer dat de AER in het filosoferen over de aardgasprijs niet veel verder komt dan het stilzwijgend aanvaarden van het oude verhaal over de noodzakelijke koppeling. Bij naam noemen. Ik vraag mij af of we hiermee nu eens niet kunnen ophouden. Laten we de dingen bij hun naam noemen. Er is niemand die in wetenschappelijke termen zou durven verdedigen dat de prijs van steenkool voor de elektrische

centrales moet worden gekoppeld aan de olieprijs door het heffen van accijns. De afnemers van steenkool en van elektriciteit zouden op hun achterste benen staan. Er is geen principieel verschil tussen dit voorbeeld en het dogma van de koppeling van de aardgasprijs aan de prijs van andere energiedragers. Het verschil ligt in een ander vlak. Verhoging van de aardgasprijs is — blijkbaar — gemakkelijk te verkopen. In een tijd waarin het moeilijk is de inhoud van de schatkist op peil te houden, is de heffing op aardgas, verpakt in de vorm van een hoge aardgasprijs, een mogelijkheid om inkomsten voor die schatkist te verkrijgen ten laste van de gezinshuishoudingen; die prijsbepaling is makkelijker te verdedigen dan bijvoorbeeld het verhogen van belastingen of het korten op uitkeringen. De vaststelling van de aardgasprijs voor gezinshuishoudingen dient te geschieden met zuivere argumenten, rekening houdend met de belangen van de consument. Wie als politicus een beroep doet op de economie om de hoge aardgasprijs voor de gezinshuishoudingen te verdedigen met wetenschappelijke verhandelingen over de dwingende eisen die het marktmechanisme stelt, verdoezelt de werkelijkheid. En wie als econoom in naam van de economie de koppeling blijft verdedigen handelt in strijd met de economische ethiek. Dr. A. A. de Boer is adviseur van het Energieonderzoek Centrum Nederland te Petten en van bureau De Boer en Van Teylingen te Rijswijk.

Foto NRC Handelsblad/Leo van Velzen