Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Muziek

Arthur Rubinstein Een grand-seigneur in de muziek

Door J. REICHENFELD Arthur Rubinstein, die gisteren op 95-jarige leeftijd is overleden, was als pianist een klasse op zichzelf, met niemand te vergelijken. Een grand-seigneur, die onder alle omstandigheden zijn discipline wist te bewaren: in de letterlijke zin door zijn vorstelijke rust op het podium, figuurlijk door de aard van zijn musiceren. Met inspanning, met wilskrachtige concentratie had zijn vertolking niets uit te staan.

Het leek alsof zijn spel geregeld werd door een kosmisch evenwicht: het was onverstoorbaar. Zijn techniek bleek immaterieel — er behoefde althans geen materiële weerstand overwonnen te worden om de geestelijke waarden van de muziek vrij te maken. De gepassioneerdheid van zijn spel werd door het intellect geleid en het intellect stond op zijn beurt weer onder „controle” van het gevoelsleven.

Dit niveau heeft zich bij Rubinstein pas na zijn zestigste jaar uitgekristalliseerd. De voormalige virtuoos was de meester geworden die zijn fenomenale beheersing van het handwerk volledig in dienst stelde van de abstracte hoedanigheden van de toonkunst, zonder hiermee de zinnelijke vreugde van het spel te veronachtzamen. Rubinstein hield zich met de kern bezig door de oppervlakte te raken.

De Latijnse claritas heeft hij beleden met een visionaire gloed: in Beethoven, in Brahms, Tsjaikovsky en Chopin, ja zelfs in het bizarre klimaat van de Petroesjka-suite, door Stravinsky aan hem opgedragen. Het literaire duiden, het „hineininterpretieren” was zijn vertolkingskunst vreemd. De diepte van het kunstwerk kreeg bij hem spelenderwijs gestalte.

Wonderkind

Arthur Rubinstein werd in Warschau geboren op 28 januari 1887 (zelf gaf hij 1889 op als zijn geboortejaar) en hij bracht zijn jeugd door in de Poolse provinciestad Lodz. Zijn loopbaan begon in 1900 in Potsdam, waar hij als veertienjarige voor het eerst in het openbaar optrad toen zijn studie bij Rudolf Breithaupt en Heinrich Barth aan de Berliner Hochschule in een vergevorderd stadium was. Joseph Joachim stond het wonderkind bij zijn debuut als dirigent bij, terwijl Paderewski in die tijd als vaderlijke vriend en mentor zijn weg effende.

Niettemin braken er voor hem nog moeilijke tijden aan. Verblind door de aanvankelijke successen meende hij de wereld in zijn zak te hebben. Het Parijse debuut in 1906 en de drie daaropvolgende tournees door de Verenigde Staten brachten hem echter evenzovele teleurstellingen.

„Misschien was het goed voor mij: het brak mijn zelfoverschatting en dat had ik nodig. Het was niet gemakkelijk, de aanvankelijke successen te vergeten, de illusies uit te bannen, en weer van voren af aan te beginnen”. Aldus karakteriseerde Rubinstein in een terugblik zijn ‘struggle for life’.

De doorslaggevende triomf begon in Spanje. Uit dankbaarheid en uit een natuurlijke predispositie bleef hij de muziek van Albeniz, Granados en De Falla (in die tijd nog onbekend en dus onbemind) in zijn verdere leven propageren. Omstreeks de Eerste Wereldoorlog was zijn roem als een van de grootste virtuozen van het klavier gevestigd.

Kwikzilverachtig

Sindsdien doorkruiste Rubinstein de internationale muziekcentra met de rusteloze zelfverzekerheid van de wereldburger die overal thuis was en nergens een tehuis had, al woonde hij van 1939 af officieel in de Verenigde Staten en al werd hij ook van Pools tot Amerikaans staatsburger. Alleen in Duitsland en Oostenrijk trad hij niet op, al sinds 1914 niet meer. Toen al had hij schoon genoeg van bepaalde minder fijne trekjes in de Germaanse mentaliteit.

Zo tintelend als zijn spel, j s : Rubinstein ook als mens g e . weest: hij had een mobiele kwikzilverachtige geest. Vlijmscherp en vol humor waren zijn opmerkingen en ze sneden hout Op de vraag of hij van Liszt hield, gaf hij eens ten antwoord „Ja, ik speel Liszt graag. Zijn werk is pianistisch fascinerend — maar ik hoor zijn muziek liever niet.”

Chopin was naar het oordeel van Rubinstein „de minst begrepen componist van onze tijd. Hij leefde in een romantisch tijdperk, maar hij was geen romanticus, maar een emotionele extravert”. Mozart was zijn idool „Voor mij is iemand die geen oor heeft voor de schoonheid van zijn muziek, een slecht mens”. Arthur Rubinsteins muzikaliteit is niet te lokaliseren noch te dateren. Naar de kalender gemeten hoorde hij allang tot een voorbije tijd, maar merkwaardigerwijze is zijn spel niet verouderd. Zijn vertolkingskunst kon zowel voor de oudste als de jongste generatie als toonbeeld worden gesteld.

In 1976, zeventig jaar nadat hij zijn Amerikaanse debuut maakte, nam Rubinstein in Londen afscheid van het concertpodium. Sindsdien bleef hij actief: hij voltooide in Parijs het tweede deel van zijn autobiografie, maakte enkele reizen naar zijn kinderen in de Verenigde Staten en verleende medewerking aan .verschillende televisieprogramma’s die aan hem waren gewijd. „Ik mag niet klagen”, zei hij op zijn negentigste verjaardag. „Ik heb een mooi, interessant en druk leven gehad.”

In ons land trad Rubinstein in 1924 voor het eerst op tijdenS een concert in Scheveningen onder leiding van George Lennaüj Schneevoigt. Sindsdien keerde hij met kleine en grotere tussenpozen steeds weer op de Nederlandse podia terug. Men vereerde hem als weinigen. Hij was één van de zeldzame legendarische figuren die zijn legende op elk concert wist waar te maken.

Arthur Rubinstein in een film uit 1979, waarin hij composities speelde van Grieg en Saint-Saëns