Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Arbeidsmarkt

Passende arbeid (II)

Door H. F. HEIJMANS

Passende arbeid heeft als doel de werkloze te beschermen tegen de gemeenschap en de gemeenschap tegen werkloosheid. Vandaar de eis in de Werkloosheidsvoorzieningen dat de onvrijwillig werkloze zich bij het arbeidsbureau moet laten inschrijven, zelf passend werk moet zoeken of aangeboden passende arbeid niet mag weigeren. Om te voorkomen dat hij (of zij) als "lage-loner" of geheel gratis werkjes zou gaan doen om de tijd door te brengen en aldus — ongewild — het bedrijfsleven in de wielen zou kunnen rijden is 0e bepaling gemaakt dat de werkloze (nagenoeg) in ledigheid zijn dagen moest doorbrengen. De vorige staatssecretaris van sociale zaken, De Graaf, heeft deze bepaling verruimd en iemand zonder werk mag nu wel klusjes doen — onder bepaalde voorwaarden. De tegenwoordige Werkloosheidswet (WW) — uit 1949 — en de Wet werkloosheidsvoorziening (WWV) — uit 1964 — stammen uit tijden van eerst wederopbouw en later welvaart, toen er slechts weinig mensen en dan meestal nog voor korte tijd zonder werk zaten. Zelfs in de jaren zeventig, toen de werkloosheid snel toenam, werd nog aangedrongen op verscherping van het begrip "passende arbeid", omdat tegenover het groeiend getal van werklozen nog een groot aantal banen beschikbaar was waarvoor om de een of andere reden geen liefhebbers konden worden gevonden. Het beeld is nu wel heel anders. Tegenover een zeer groot aantal werkzoekenden staat een zeer klein aanbod voor betaald werk. Maar arbeid, waarvoor de gemeenschap niet of nauwelijks meer de prijs kan opbrengen — we zagen het de vorige keer — komt er steeds meer. Vandaar (mede) het werkplan voor jongeren van minister Van der Louw (CRM), waarvan de voorzitter van de socialistische Tweede-kamerfractie, Meijer, zei: "Akkoord, maar dan ook voor de oudere werklozen". Achter deze opmerking zet ik toch wel een vraagteken. In de eerste plaats hebben, in tegenstelling tot de schoolverlaters,

deze oudere mensen wél een arbeidsverleden en dat levert een (extra) criterium op bij de toetsing aan "passende arbeid". Bovendien hebben zij via premies en loonbelasfng betaald om zich tegen het risico van werkloosheid in te ctekken. Gaat het dan wel aan om hen al te snél met dreiging /an strafkorting aan in feite rietpassend werk te "helpen"? Het behoeft overigens deze kant niet uit te gaan. Zeer velen schijnen zich voor zo'ft maatschappelijke dienstverlening — bijvoorbeeld het onderhouden van bossen en parken, waar geen geld meer voor is — te willen inzetten en vandaar de vele banenplannen van provincies en gemeenten. Tussen haakjes: deze ontwikkeling houdt in dat onbetaald werk in feite via de sociale uitkeringen betaalde arbeid wordt. Een "socialisering" van dit verzekeringsstelsel! Maar los hiervan: wanneer we weer rijk zijn en dit soort werk kunnen betalen moeten we uiteraard terug naar ordentelijke arbeidscontracten. Intussen hebben minister Den Uyl en staatssecretaris Dales tijdens de behandeling van de begroting van sociale zaken in de Tweede Kamer gezegd eraan mee te zullen werken, dat mensen met behoud van hun uitkering aan de slag kunnen. Deze toezegging is echter ingetrokken, omdat "het de uitkeringstrekkers zou ontmoedigen actief naar een andere baan te zoeken. Dat zou het functioneren van de arbeidsmarkt schaden". (Algemeen Dagblad 13 januari 1982). Ik begrijp zo'n opmerking bij een arbeidsmarkt van een 473.000 werklozen en 15.000 vacatures niet goed Maar misschien kan er toch wel aan tegemoet worden gekomen door voor bedrijfstakken waarin nog (veel) vraag naar mensen is de bestaande situatie te handhaven of min der te versoepelen. Het is echter al te dwaas dat we enerzijds steeds meer sociale lasten moeten opbrengen terwijl er anderzijds onbetaalbaar (geworden) werk is, dat graag (de ouderen) of al dan niet met enige tegenzin (de jongeren) kan worden opgeknapt. Een nieuwe vorm van Hollanditis?