Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Entertainment

Omzetbelasting voor artiesten nu definitief

DEN HAAG, 10 febr. — Op 1 april zal definitief een nieuwe regeling ingaan die zelfstandig werkende musici en andere artiesten verplicht achttien procent omzetbelasting te betalen. Dit heeft staatssecretaris Kombrink van Financiën mede namens minister^ Van der Louw van CRM geantwoord op vragen van de Tweede Kamerfractie van de PPR. In zijn antwoord merkt Kombrink op dat zelfstandig werkende artiesten al sinds 1940 verplicht zijn om omzetbelasting te betalen. Ingevolge de wet op de loonbelasting 1964 worden artiesten geacht in (fictieve) dienstbetrekking te zijn bij hun opdrachtgever. Onder de vóór 1969 geldende omzetbelastingwetgeving werd aanvaard dat artiesten die in een dergelijke arbeidsverhouding optraden niet als ondernemer-werden aangemerkt. Toen echter bleek dat dat onder de huidige wetgeving met zijn hogere tarieven en door

gewijzigde verhoudingen in de branche de heffing van omzetbelasting geregeld achterwege bleef, is in april 1981 aan de belastingdient te kennen gegeven dat deze richtlijn niet langer kon worden gevolgd. Dit mede om concurrentievervalsing tegen te gaan, aldus Kombrink. In zijn antwoord wijst de staatssecretaris er nog op, dat de heffing een voordeel kan meebrengen voor de artiest die werkt voor opdrachtgevers die zelf al in de heffing van omzetbelasting zijn betrokken. De artiest kan in dat geval deze belasting aftrekken van het door hem af te dragen bedrag. Invoering van deze maatregel zou aanvankelijk per 1 oktober van het vorig jaar geschieden, maar op aandringen van de betrokkenen besloot Kombrink dat uit te stellen tot 1 april van dit jaar. De staatssecretaris gelooft niet dat de nieuwe regeling een taakverzwaring voor artiesten of belastingdienst inhoudt. (ANP)