Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Tekort aan technici groot probleem voor watervoorziening Derde wereld

Door onze redacteur F. G. DE RUITER RIJSWIJK, 23 dec. — De gemiddelde Nederlander zal er geen weet van hebben, maar we leven in de "waterdecade", een door de Verenigde Naties gelanceerd tienjarenplan om alle mensen op de wereld van gezond drinkwater te voorzien. Voor Nederland is die actie ook niet bedoeld, want hier heeft iedereen een kraan waar op elk gewenst moment een vloeistof uitkomt, die aan het begrip goed drinkwater voldoet. En als de zaak onverhoopt door de vorst ontregeld mocht zijn, kan men wel bij de buren terecht. Heel anders is het in de Derde wereld, waar volgens ruwe schatting anderhalf miljard mensen niet over voldoende en schoon water op loopafstand beschikken. Ze zijn aangewezen op bezoedelde putten en sterk vervuilde rivieren, die in hoge mate bijdragen tot de sterfte in die Afrikaanse, Aziatische en Zuidamerikaanse landen. De bacteriologische onbetrouwbaarheid van het drinkwater leidt tot epidemieën van cholera, difterie, tyfus en geelzucht, waar soms hele dorpen aan ten offer vallen. Dagelijks bezwijken gemiddeld 50.000 mensen, voor het merendeel kinderen, aan ziekten die ze hebben opgelopen door het gebruik van besmet drinkwater en slechte sanitaire voorzieningen. Naar schatting is 80 procent van alle ziekten op de wereld aan dergelijke omstandigheden te wijten. Als gevolg van de waternood zijn bovendien — opnieuw ruw geschat — 500 miljoen mensen arbeidsongeschikt. Daar komt nog bij dat in de betrokken landen enorm veel energie verloren gaat doordat men vaak vele kilometers moet afleggen om een waterput te bereiken; energie die onttrokken wordt aan bijvoorbeeld het werk op de akker, wat de ontwikkeling van een land afremt. Deze onthutsende feiten zijn voor de VN aanleiding geweest om de periode 1 januari 1981 tot 1 januari 1991 uit te roepen tot "waterdecade", waarvoor het idee was geboren op de grote waterconferentie van 1977 in de Argentijnse plaats Mar del Plata. Somber rapport Van de tien jaren waarover het plan zich uitstrekt, is er nu dus één verstreken, maar al eerder — in oktober jl. — is er een rapport uitgebracht over de voortgang van het plan. Dat rapport, opgesteld door het internationale instituut voor ontwikkelingshulp en milieubescherming Earthscan in Londen, is uitermate somber van toon. Om de hele wereld in dit decennium van betrouwbaar drinkwater en behoorlijk sanitair te voorzien, is 300 miljard dollar nodig, dus 30 miljard per jaar, maar dat bedrag wordt bij lange na niet gehaald. Earthscan schat dat er, gezien de economische omstandigheden, in totaal niet meer dan 12 miljard per jaar zal worden opgebracht. Dat zou maar net voldoende zijn om de behoeften van de groeiende bevolking op te vangen.

Resultaat: omstreeks 1990 zijn er net zo veel mensen die goed drinkwater moeten ontberen als op 1 januari 1981, toen de decade begon. „Het doel dat de Verenigde Naties zich hebben gesteld, zal dus niet worden bereikt", concludeert .Earthscan, met andere woorden: de hele actie is gedoemd te falen. Minder pessimistische geluiden zijn te vernemen bij drs. J. M. G. van Damme, directeur van het International reference centre for community water supply (IRC) in het Zuidhollandse Rijswijk. Dit centrum werd in 1968 gesticht als gezamenlijk project van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Nederlandse regering, die de voornaamste geldschieter is. Doel van het IRC is om de watervoorziening in de Derde wereld te stimuleren door middel van kennisoverdracht (technische hulp en dergelijke). Het instituut speelt een belangrijke rol de verwezenlijking van het door de VN gelanceerde plan. Te weinig geld De financiële middelen die nodig zijn om het gestelde doel, op welke termijn ook, te bereiken, schieten inderdaad ernstig te kort. Van Damme is teleurgesteld dat er bij het uitroepen van de decade geen fonds is gesticht waar de ontwikkelingslanden uit kunnen putten om hun drinkwaterprobleem tot een oplossing te brengen. Wat de donoren — individuele Westerse landen en organisaties van de VN — bijdragen, vindt hij onvoldoende. Toch signaleert hij aan die kant enige verbetering. De Wereldbank richt zich tot zijn voldoening de laatste tijd meer op het platteland, waar 85 procent van de Derde-wereldbevolking woont. De leningen ten behoeve

van de drinkwatervoorziening zijn verhoogd tot een miljard per jaar. Unicef, het kinderfonds van de Verenigde Naties, is van plan om zijn bijdragen voor hetzelfde doel aanzienlijk te verhogen. Maar als hij van vooruitgang spreekt, doelt Van Damme allereerst op de ontwikkelingslanden zelf, die ongeveer tweederde van het totaalbedrag — dus rond 200 miljard dollar — voor hun rekening nemen. In 56 van die landen zijn inmiddels nationale drinkwatercomités ingesteld en van die 56 zijn er ten minste negen waar de zaak zeer voortvarend wordt aangepakt: India, Bangladesh (waar vooral Unicef actief is), Indonesië, Sri Lanka, de Philippijnen, Thailand, Kenia, Malawi en Tanzania. Onderhoud Een van de grootste problemen van de hele waterdecade is volgens Van Damme dat maatregelen ter verbetering nogal eens stuk lopen op een tekort aan bekwame technici ter plekke. De aanleg van bijvoorbeeld een zuiverings- of distributiesysteem roept weinig moeilijkheden op, maar als de installatie er eenmaal staat, kan ze snel in verval raken door onvoldoende onderhoud, of onjuiste ingrepen. De ervaring leert bijvoorbeeld dat van alle handpompen die worden geslagen, 80 procent na een jaar of drie weer buiten gebruik is door kleine defecten als een versleten leertje, maar ook door vandalisme en diefstal van onderdelen. Om vernieling en dergelijke tegen te gaan, worden veel pompen bewaakt en de bewaker zorgt ook voor het onderhoud, maar de kosten hiervan drukken op het eigen budget

en dat geldt als een groot nadeel. „Het zou beter zijn", zegt Van Damme, „als de donorlanden, die de pompen geven, ook het beheer voor hun rekening namen, maar dat gebeurt helaas niet". Een andere handicap is dat de drinkwatervoorziening in sommige ontwikkelingslanden als een- oninteressant politiek onderwerp wordt beschouwd. Het is — anders dan bijvoorbeeld de voedelvoorziening — geen algemeen erkend probleem en ook geen „issue" waar op korte termijn eer aan te behalen valt. „Een groot kunstwerk als een irrigatiedam spreekt meer tot de verbeelding", aldus Van Damme. Onkunde Een factor die remmend werkt, is verder onkunde bij de plaatselijke bevolking. Van Damme: „Men ziet vaak het verband niet tussen goed drinkwater en gezondheid, men beseft niet dat drinken uit een vuile rivier het gevaar van allerlei ziektes meebrengt". Maar dit alles is niet in staat om hem van zijn stuk te brengen: hij ziet de zaken langzaam vooruit gaan en gelooft stellig dat er op lange termijn een toestand bereikbaar is waarin niemand meer uit een troebele bron vol ziektekiemen hoeft te putten. „En als het moet, kan het natuurlijk", besluit de IRC-directeur. „Driehonderd miljard dollar in tien jaar, dat is 80 miljoen dollar per dag...". Hij wijst naar m'n sigaret. „Daar geven we met z'n allen 240 miljoen per dag aan uit en aan bewapening 1400 miljoen...".

Bewoners van een dorp in Tanzania gebruiken de houten handpomp die van ongeveer tien meter diepte zuiver water naar boven haalt.