Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Human interest

De culturele shock van een russische bannelinge het dagelijks leven in gedwongen vrijheid

Veel artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd. Deze technieken leiden niet altijd tot een correct resultaat. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen. We werken aan verbetering.

door Karei van het Reve

Heel lang geleden omstreeks 1950, las ik een boek van een Duitse officier — zijn naam ben ik vergeten, hij was geloof ik een kleinzoon van Bismarck — die in de Tweede Wereldoorlog in Russische krijgsgevangenschap geraakt was. Daar had men hem tot het antifascisme bekeerd en toen had hij, via luidsprekers, over de frontlinie heen toespraken tot de Duitse soldaten gehouden. Dat gebeurde 's nachts. Hij werd dan door een Russische officier naar het front gebracht in het stikkedonker en die Russische officier had toen een keer geciteerd uit het gedicht Wilkommen und Abschied van Goethe, waarin onder meer gezegd wordt dat de nacht aan de bergen hangt en dat je uit de struiken bekeken wordt door de zwarte ogen van de duisternis. Het ontroerde die Duitser dat zijn Russische begeleider en bewaker dezelfde gedichten kende als hij. Twintig jaar later hoorde en las ik over een Russische schrijver en geleerde, zekere Lev Kopelev, specialist in Duitse literatuur, die in Moskou memoires aan het schrijven was en die tijdens de oorlog iets met Duitse krijgsgevangenen te maken had. Dat moet die anonieme Rus uit dat Duitse boek zijn, dacht ik. Nog weer tien jaar later logeerden Lev Kopelev en zijn vrouw Raisa Orlova in het Amstelhotel. Ze belden mij op en ik kwam ze bezoeken. In Moskou had ik iq 1968 hun dochter Maja ontmoet, de latere vrouw van Pavel Litvinov. De Kopelevs vertelden

honderd uit en hadden enkele Russische zaken te bespreken. Toen zei Raisa: wij hebben veel verteld. Nu moet u iets vertellen. Dat is, voor een Russische emigrant, een opmerkelijke uitspraak. Ik vertelde dat ik lang geleden, omstreeks 1950, dat boek gelezen had van die kleinzoon van Bismarck en dat ik later had gedacht dat hij, Kopelev, die Russische officier geweest was. "Dat was ik inderdaad," zei Kopelev, en hij noemde de naam van die Duitser. Ik citeerde de regels van Goethe: Und Finsternis aus dem Gestrüuche Mit tausend schwarzen Au gen sah. "Hundert," corrigeerde Kopelev. Hij kende dat gedicht nog steeds. Verder wist ik niets te vertellen, behalve dat dit de eerste keer van mijn leven was dat ik, eenvoudige jongen uit het Betondorp, gasten van het Amstelhotel op hun kamer bezocht — ze zaten te ontbijten en boden me meteen een croissant aan — en dat koningin Juliana als zij gasten had die altijd in het Amstelhotel onderbracht. De Kopelevs keken om zich heen en verklaarden dat hun kamer uitstekend was, maar toch ook weer niet zo erg verschilde van andere hotelkamers. Dat vond ik ook. Veel dingen zijn anders dan je je voorgesteld hebt. Ze waren mee op reis naar Amsterdam genomen door een Duitse graaf. "Een groene graaf", zei Kopelev verontschuldigdend, dus iemand die wel, zoals we thuis gehoorde,

maar hij hoorde ook tot de vooruitstrevende groep van de "Grünen", waarmee tegenwoordig niet de Grüne Polizei bedoeld wordt, maar de milieubeschermers. Zo vertelden wij elkaar van alles. Je iton mmen dat ze grote belangstelling voor het Westen hadden en van de ene verbazing in de andere vielen. De vorige dag waren ze in het Anne Frankhuis geweest en daar hadden ze gehoord dat de Nederlandse joden tijdens de bezetting voor negentig procent door de Duitsers waren uitgeroeid. Ze konden dat haast niet geloven en vroegen aan mij of het waar was. Je zou een heel boek kunnen schrijven over de dingen die een Russische intellectueel over het Westen weef en de dingen die hij niet weet. De overvloed van consumptiegoederen hier is hem bekend, maar hij is verbaasd als hij merkt dat je na zes uur 's avonds in heel Westeuropa je haar niet kunt laten wassen. In de Literatoernaja gazeta ziet de Russische intellectueel van tijd tot tijd plaatjes van Westeuropese bedelaars. Die plaatjes beschouwt een rechtgeaarde Rus als communistische propaganda. Maar nu komt Raisa in Duitsland en daar ziet ze opeens een jongen op straat zitten met een bord 'Tch habe Hunger". Wat nu? Trouwhartig vermeldt zij deze verbazing. Wat zij niet weet is dat die bedelende jongen pisnijdig zou zijn geworden als ze in plaats van geld een paar kadetjes in zijn hoed gegooid had.

|op 12 november 1980 arriI veerden de Russische schrijIver Lev Kopelev en zijn I vrouw Raisa Orlova in de I Bondsrepubliek. Hun uitreisI visum was een jaar geldig. Reeds na twee maanden werd I hen het Russische staatsburI gerschap ontnomen door het jpraesidium der Opperste Sovj et - 1 Raisa Orlova schetst haar hulIpeloze kennismaking met een I [and waar zij noodgedwongen 1 logeert - maar dat nooit haar I thuis kan zijn. IBaar echtgenoot Lev Kopelev ontving eerder deze maand I tydens de Frankfurter Buchmesse de Vredesprijs van de Duitse boekverkopers. [ door Raisa Orlova ] 1*-v e Duitse huisdeuren zijn dicht; voor ons iets I ■ vreemds. Aan de deurpost W of verzonken in de muur zitten naambordjes en I belknoppen. Je drukt op leen bepaalde knop en uit een luidsprejker komt de vraag 'Wie daar?' of simipelweg "Hallo?" Je zegt je naam en daarop klinkt er een gezoem als van een elektrisch scheerapparaat. Als je dan meteen tegen de deur duwt, gaat hij open. Laat je dat ene moment echter voorbijgaan, dan zit hij al weer op slot. Alle deuren in dit land, in dit deel van de wereld, gaan langzaam en moeizaam open. De eerste die — letterlijk — gastvrij voor ons openzwaaide, was die van Heinrich Böll aan de Hülchratherstrasse 7 in Keulen, het adres waar wij twintig jaar lang onze brieven naar toe hadden gestuurd. Herfst 1980: de vrolijke kermis van het weerzien. Maar daar kwam al spoedig een eind aan. Wij moesten nu leren leven in een vreemde wereld. Ik was hulpeloos, doof en stom tegelijk. Pas twee weken voor ons vertrek uit Moskou was ik systematisch begonnen met Duits te leren. Maar de taalbarrière was op geen stukken na de enige hindernis waarmee ik te kampen had. Er waren ontelbare kleine dagelijkse dingen. Ik kon bijvoorbeeld niet overweg met de automaat in tram, bus of metro. Hij weigerde gewoon dienst.

Thuis hoefde ik alleen maar een muntstuk in de gleuf te doen en rijden maar, waarheen je maar wilt en zolang je maar wilt! En dan het boodschappen doen! Ik kan n ict goed duidelijk maken wat ik wil hebben, en ik versta weer niet wat men °P mijn gestamel antwoordt. Ik heb een gids nodig. En een Duitse gids, "oe behulpzaam ook, is niet voldoende, w ant hij heeft er geen idee van wat ik allemaal niet weet. Een Russische vriendin die twee jaar geleden dezelfde shock" heeft beleefd en overleefd, bood uitkomst. * Wij zijn gewoon 's ochtends vroeg aan het ontbijt boekweitgrutten te eten. Boekweit is hier alleen maar te krijgen ln reformwinkels. Maar hij smaakt anders dan thuis. Russische emigranten meesmuilen: „In Duitsland krijgt de boekweit eerst nog een beurt met ztfepPoeder." We laten onze grutten nu uit Moskou korhen. Ik word bedolven onder de goede raad: „...levensmiddelen

uitsluitend in de supermarkt kopen." „....eten kun je het beste bij Aldi halen." „....nee, niet in die winkel daar! Dat is een kleine kruidenier en die is veel te duur." Ik zucht. Nog steeds kan ik er maar niet aan wennen dat één en hetzelfde ding nu eens duurder en dan weer goedkoper is, en dan maakt het niet uit of het nu gaat om een broodtrommel, een theeservies, een broek of wat dan ook. De prijs is afhankelijk van het soort winkel, de firma die het maakt, het stadsdeel, de tijd van het jaar. De verschillen zijn aanzienlijk, soms zelfs honderd procent. Een compleet raadsel zijn voor mij de zogenaamde kosten van levensonderhoud. Er is geen aanknopingspunt te vinden, van waaruit je vergelijkingen zou kunnen maken. Ik wist wel. voordat ik naar Duitsland kwam, dat de huren hier een veel groter deel van het maandinkomen verslinden dan bij ons, maar ik stond er versteld van dat een kappersbehandeling evenveel kost als een doorsnee spijkerbroek. Bij ons kun je voor de prijs van een spijkerbroek een jaar lang elke week naar de kapper. De weelderige etalages in de HoheStrasse

in Keulen laten me koud. Maar het doet me wél iets als ik op het trottoir een gebaarde jongeman tegen een etalage geleund zie zitten met een bord voor zich waarop staat "Ik heb honger." Dat is geen fotomontage uit de Literatoernaja gazeta; wat daarin staat,,geloven we al lang niet meer. Deze jongens en meisjes op de Keulse trottoirs heb ik met eigen ogen gezien. De goedgeklede voorbijgangers slaan meestal geen acht op deze jeugdige bedelaars; van tijd tot tijd werpt er één een muntje in de hoed die zij voor zich hebben neergezet. Grote verbazing wekken bij mij de groente- en fruitkramen — midden in de winter. In iedere stad, in elk dorp kun je verse tomaten, druiven, appels, sinaasappels en bananen krijgen. Ik zou al tevreden zijn als ik alleen die groente- en fruitstalletjes naar de straten van Moskou kon verplaatsen! Of in elk geval zoveel, dat er genoeg is voor de kinderen.

Rondom de Dom wemelt het van de toeristen; een Babylonische spraakverwarring, begeleid door klikkende camera's. Een demonstratie trekt voorbij. Op hun spandoek staat te lezen: „Wij protesteren tegen de vervolging van gelovige christenen in Roemenië." Ongeveer honderd mensen nemen deel aan de demonstratie. En net als voor de hongerige jongeman gaan de voorbijgangers nu opzij voor het grote plakkaat met "...werd veroordeeld tot tien jaar strafkamp. En daar komt een andere demonstratie aan met veel meer deelnemers. Spandoeken: „Wij protesteren tegen het Amerikaanse en het Russische imperialisme." Mijn Duitse vriendin legt uit: „Ze protesteren tegen de prijsverhogingen bij bus en tram." Het verband tussen het imperialisme van twee wereldmachten en de prijzen van het "piaatsenjlT"vervoer is mij niettemin onduidelijk gebleven. Het woord "demonstratie" heeft voor mij in de loop van mijn leven een andere betekenis gekregen. De laatste jaren betekende het: Poesjkinplein in Moskou; een dertig- of veertigtal moedige mensen blijft gedurende vijf minuten zwijgend en met ontbloot hoofd staan.

Dat is hun protest tegen de opsluiting van andersdenkenden. De deelnemers aan de demonstratie worden gearresteerd, in politiebusjes geladen en afgevoerd. Op de Duitse televisie heb ik gezien hoe een paar van de vele duizenden demonstranten bij Brokdorf in busjes geknuppeld werden. In Brokdorf werd tegen een atoomcentrale gedemonstreerd, tegen een door de regering genomen besluit. Protesteren tegen een regeringsbesluit — bij ons zou niemand daar zelfs maar aan durven denken! Ik ben ervan overtuigd dat veel van mijn landgenoten na het lezen over de Brokdorfdemonstratie en over de ongeregeldheden bij kraakacties 's avonds in hun keuken (bij ons lost men alle wereldproblemen daar op, in het belangrijkste vertrek in huis) het hoofd hebben geschud en gemompeld hebben: "Die hebben het veel te goed, die kunnen de luxe niet aan... dat soort

zorgen zouden wij ook wel willen hebben." Dergelijke oordelen staan mij tegen. Het komt mij immoreel voor waar het nood en leed betreft de eerste plaats te willen opeisen. Hoe gemakkelijk gaat er temidden van de astronomische getallen van 30, 60 miljoen doden de, dood van een individu verloren, het verdriet van een enkeling, van iemand die ons dierbaar is of ook van een vreemd iemand? Wij hebben er vaak — en met reden — over geklaagd dat men in het buitenland zo weinig van ons en ons leven afweet. Maar andersom is het niet beter: wie van onze vrienden die bij ons in Moskou in- en uitliepen weet dat na het einde van de oorlog veertien miljoen Duitsers verdreven werden uit de landen waar zij thuis waren? De gesneuvelden en degenen die bij bomaanvallen om het leven zijn gekomen dan nog buiten beschouwing gelaten... Zeker, Hitier heeft de oorlog op zijn geweten. Maar al die miljoenen vluchtelingen en verdrevenen, al die vrouwen, kinderen, oude mensen, zij zijn niet schuldiger of onschuldiger aan de gruwelen van de Nazitijd dan de Sovjetburgers aan de gruwelen van de Stalinera. Als ik probeer Duitsland te begrijpen, vergelijk ik het onwillekeurig met Rusland. Het schoolboekjesidee "Duitsers zijn stipt" wordt hier bevestigd. Een afspraak is tot op de minuut een afspraak. Dat spaart tijd en energie. Ik was er niet alleen verbaasd over dat d& Duitsers inderdaad zo stipt zijn als de overlevering wil, maar ook over de strikte programmering, zo niet ritualisering van hun dagindeling. Ontbijt, lunch, avondeten vinden in de meeste gezinnen op een precies vastgesteld uur plaats, en iedereen houdt zich daaraan. Ook het werk stopt op hetzelfde uur. Alle winkels sluiten tegelijk — het woordje "dicht" heeft een bijklank van uitzichtloosheid, 's Zondags is er niet het minste of geringste te krijgen, zelfs geen brood. En als ik om zes uur mijn haar wil laten wassen, is er in die hele reusachtige stad Keulen geen kapsalon te vinden die nog open is, niet eens in de grote liutcls^ Krijg je in Moskou bezoek, dan zet je je gasten vöór wat je op dat moment in huis hebt. Wat een gast hier krijgt, wordt bepaald door het uur van de dag en de aanleiding van het bezoek. Komt iemand — genodigd of ongenodigd — laat in de ochtend, dan zijn er één of meer aperitiefs en bij wat officiëlere gelegenheden sekt met kleine hapjes; 's.middags- koffie of thee met gebak;

na zessen — drankjes met zoutjes en kaascrackers; om acht uut— een volledige maaltijd, warm of koud. Nooit zal een gastheer of gastvrouw op het idee komen je iets anders voor te zetten dan op dat tijdstip van de dag gepast is. Wat is nu het effect van die rituelen? Onderwerpen ze de mens of maken ze zijn geest, zijn innerlijk juist vrij voor hogere, belangrijkere zaken? Als ze dat doen, waarom komt de jeugd dan in opstand? Dat verzet is immers ook gericht tegen de starre maatschappelijke conventies. Ik geloof niet dat die jongens en meisjes de luxe niet aankunnen. Ik zie veel goede gezichten. De gladde, democratische orde in de vrije wereld beklemt hen, beneemt hun de adem. Met de constatering dat er in andere delen van de wereld geen vrijheid is, dat de banden daar onvergelijkelijk veel knellender zijn, zijn zij niet geholpen. Zij hebben andere problemen.

Vervolg op pagina 2

LEVEN HET DAGE IN GEDWONGEN VRIJHEID

Vervolg van pag. 1

Ik heb in Duitsland nog niemand ontmoet die niet bij tijd en wijle naar het buitenland reist. Dat is heel eenvoudig: je zoekt in het spoorboekje een geschikte trein op, gaat naar het loket en koopt een kaartje naar Parijs, Ztirich, Wenen of wat dan ook. Of je gaat met je eigen wagen. Een volk op wielen. Het enige wat die 'reislust aan banden legt, is de portemonnee. "Deze herfst was ik op een symposium in de States en in de kerstvakantie ga ik met de hele familie skiën in de Alpen," vertelde een professor uit een kleine universiteitsstad me zo tussen neus en lippen door. Dergelijke reizen zijn niets bijzonders. Voor mijn Moskouse kennissen is zoiets ondenkbaar, zelfs voor de paar "geprivilegieerden" die reizen naar het buitenland mogen maken. Zo iemand kan één keer in de twee jaar op eigen kosten met een toeristenvisum naar een "kapitalistisch" land reizen. Maar ook naar een "socialistisch" land gaan is niet zonder meer mogelijk. Wij hebben daar zo onze regels voor. Anna Achmatowa heeft eens gezegd: "Ze hebben ons de wereld ontstolen." r Kiezen Pas sinds ik hier ben is mij de scherpte en diepte van die woorden geheel duidelijk geworden. Misschien beginnen democratie en pluralisme niet pas bij parlementsverkiezingen maar al bij "keuze" in het algemeen; je künt kiezen en je móet kiezen. Je kunt zelf de winkel uitzoeken waar je je boodschappen doet, je kunt zelf de universiteit uitzoeken waaraan je wilt studeren, en je kunt, als je dat wilt, ook weer van universiteit veranderen, je kiest een auto naar eigen smaak en natuurlijk Ook het land waarin je wilt leven. Staat Duitsland je niet aan? Ga dan naar Denemarken, Zwitserland of waarheen je maar wilt en waar je maar werk vindt. Je regering kan het niet schelen waar je woont. Bij ons echter is een emigrant een afvallige. Wie eigenmachtig in het buitenland blijft (er eigenmachtig heen gaan kan niet), is een misdadiger die zwaar gestraft zal worden, indien men hem te pakken krijgt. De oneindige verscheidenheid van de wereld in al haar veelstemmigheid, met al haar bijzonderheden en curiosa ligt meer en meer open voor de westerse

reiziger, een onafzienbare rijkdom. Daar kan ik alleen maar dit tegenin brengen: om die veelvormigheid werkelijk in je op te kunnen nemen, is een mensenleven te kort, zelfs als je al in je jeugd begint te reizen. Maar heeft dat nu niet tot gevolg dat er een tegenstelling ontstaat, een soort duel, tussen de afgelegde afstanden en de diepte van de ervaring, de beleving, die begrenzing, concentratie, zich verdiepen vraagt? Cultuur Ik ken al een hele reeks Duitse woningen, meest van schrijvers, journalisten, leraren en professoren. Overal staan boeken. Kasten van de vloer tot aan het plafond en niet alleen jn de werkkamer. Ik kijk rond; ik ben zeer benieuwd wat voor Russische boeken (in vertaling) in die kasten staan: de verzamelde werken van Dostojevski, een paar delen Tolstoj, twee of drie boeken van Solzjenitsyn (niet altijd allemaal gelezen). Bijna aan iedereen die ik tegenkom, vraag ik: "Wat weten jullie van ons?" En ik krijg als antwoord: "Dostojevski, Tolstoj, Solzjenitsyn en de angst voor jullie tanks." "Moeten wij bang zijn voor jullie?" luidt één van de vele vragen die mijn man Lev Kopelev na een lezing uit zijn nieuwe boek Troost mijn droefheid gesteld worden. Kan mijn vaderland dan werkelijk alleen maar angst inboezemen? Al spoedig na onze aankomst in Duitsland raakte ik in verhit debat met een hoogst ontwikkelde, competente journalist. Hij beweerde bij hoog en bij laag: "Bij u bestaat geen cultuur. Er kan ook geen cultuur bestaan, omdat ieder totalitarisme de cultuur vijandig gezind is. Het onderdrukt en verstikt al het levende, buitengewone, bijzondere; dat heeft het altijd gedaan." Ik weet beter dan mijn gesprekspartner hoe dit weerzinwekkende mechanisme van de strijd tegen talent en begaafdheid functioneert. En ik ken ook de heilloze resultaten van dat gevecht. Maar ik ken ook nog iets anders. Ik kom uit een land met een hoogstaande cultuur, een levende en niet een dode cultuur. Ik zie de gezichten van de scheppers van die cultuur voor mij, hoor hun stemmen, ken hun manuscripten, beluister hun gedachten, hun twijfels, hun wanhoop. De mensen hier daarvan te overtuigen, is heel moeilijk. Muren van vooroordeel, afgronden van onwetendheid en onbegrip scheiden ons. Toen ik mijn opponent van onze bijeenkomsten en cercles binnenskamers vertelde, onderbrak hij mij bars: "Een kring van twintig tot veertig mensen in een land van 250 miljoen, wat kunnen die uitrichten?" Maar dergelijke kringen vormden al ten tijde van Poesjkin een onmisbaar onderdeel van het Russische culturele leven, dat was het geval ten tijde van Herzen, en dat is ook nü het geval. En onderdeel alleen van het culturele leven in Rusland? Zijn Sturm und Drang, Romantiek en Junges Deutschland niet ook uit een kring van vrienden ontstaan? Hier in het westen hebben de mensen

veel meer mogelijkheden om een gehoor te vinden; op allerhande politieke manifestaties, op straten en pleinen, in de pers, op de radio, voor de televisie. Ik weet intussen dat die in de grondwet verankerde mogelijkheden niet altijd ten volle benut kunnen worden, dat niet alles gepubliceerd wordt, dat niet alles op radio of tv komt. Er zijn bepaalde grenzen gesteld aan de vrijheid, die gewaarborgd wordt. Maar ook de begrensde, de relatieve vrijheid is een kostbare schat. Die schat aan mijn landgenoten te brengen, dat wens ik even vurig als ik ze zou willen bedelven onder de groente en het fruit. Wegwerpmaatschappij Toen ik in Moskou Heinrich Bölls roman Groepsportret met dame las, was ik verrast door de liefdesgeschiedenis van de heldin met een Turk. Waarom uitgerekend een Turk? Het antwoord biedt een kapsalon in Frankfurt. De cheffin is Fran^aise, meneer zelf Griek, de schoonheidsspecialiste Spaanse, haar vriend Italiaan en de werkster een Joegoslavische. Dit internationale palet is geen uitzondering, niets bijzonders. In de trein raakte ik in gesprek met een Duitse vrouw die in Brussel woont. Ze is getrouwd met een sedert drie jaar werkloze architect. Samen met hun drie kinderen leven ze van een werkloosheidsuitkering. "En u wilt niet terug naar Duitsland?" — "Nee, waarom? Om de schoenen van de Turken te poetsen? Uit alle hoeken en gaten van de wereld komen er mensen naar de rijke Bondsrepubliek. Ze studeren hier, ze werken hier. De tweede generatie buitenlanders is al bezig op te groeien. Ondertussen loopt het Wirtschaftswunder op zijn laatste benen. De voorbodes van een naderende crisis hopen zich op. Er wordt hoorbaar gemopperd: Wat moeten die vreemdelingen bij ons? Een studentenclub. We zien een film over armoede en ellende in Boliviaanse dorpen. In de Duitse steden staan tweemaal in de week plastic zakken langs de stoep met gedragen kleren, schoenen, linnengoed en als het de dag voor grofvuil is, staan er stoelen, kasten, matrassen, serviesgoed langs de straat. De wegwerpmaatschappij. Ik zie mijn vriendinnen in Moskou en hun gezinnen voor mij. Hoeveel kinderen, meisjes, vrouwen zou ik in het nieuw kunnen steken met wat er in die zakken zit? We wandelen 's avonds langs de Rijn. Geen levende ziel te bekennen. Daar lopen we, door de miljoenenstad Keulen, een ontvolkte steenwoestijn. Langs de stoep de aaneenschakeling van geparkeerde auto's Een kennis merkte op naar aanleiding van onze verbazing over die onherbergzaamheid 's nachts: "Bij ons in de stad wordt om acht uur de maan uitgedraaid en het trottoir opgeklapt." Op het station bleven we staan voor een prikbord: "Wie kan het transport van een slaapkamer verzorgen?" "Wie heeft een goede opa nodig? Woon alleen in huis en zou in het weekeinde graag kinderbezoek willen." Onze schrijfmachine is kapot. Waarschijnlijk

zal het goedkoper zijn enieuwe te kopen dan de oude te | a u n repareren. n Men is zeer bedacht op het gemak van de burger: op stations en vliegvelden staan kruiers klaar, je hoeft niet met bagage te zeulen. Op de perrons kun 1 op de borden precies aflezen op * e |j* hoogte de wagen stil zal staan die j, moet hebben. Op ieder conservenblik!, staat de houdbaarheid aangegeven. Maar in dit rijke land is lang n j et iedereen rijk. Een jonge alleenstaande moeder werkt in een ziekenhuis en ver. dient 700 mark. Daarvan zijn alleen al 300 mark nodig voor de huur. Niettemin blijft ze hier, keert niet terug naar haar vaderland in Latijns Amerika, waar haar familieleden, zeven broers en zusters, in de bitterste armoede Ieven. Dat is dus de Derde wereld waar men in nog armzaliger omstandigheden leeft dan bij ons in de Tweede Wereld Bij ons liggen tenminste geen verhop gerde mensen langs de straten. In onze organisaties Jónge Pioniers en Komsomol worden de kinderen en jongeren opgevoed tot solidariteit met de armen. Latere ontnuchteringen kunnen dat gevoel van verbondenheid niet aan het wankelen brengen. Solidariteit, hetzelfde woord dat nu, dankzij Polen! de krantekoppen beheerst. Ik schaam mij dat ik goed doorvoed en goed gekleed ben, terwijl anderen honger en gebrek lijden. Ik vind het pijnlijk wanneer ik in een restaurant van een al te rijkelijke portie vlees de helft op mijn bord laat liggen, niet omdat ik foto's van hongerlijders in Cambodja heb gezien, maar omdat er in Moskou, Leningrad, Gorki mensen in lange rijen staan voor vlees., In Duitsland heb ik veel mensen leren kennen die zich niet alleen bekommerden om hun eigen voorspoed, maar minstens zozeer om de honger in India, de aardbeving in Napels, de arrestaties in de Sovjet-Unie. Het doet mij deugd kennis met hen te maken, te horen van hun onvermoeibare activiteiten, van hun pogingen om andermans leed te verzachten. "Eigenlijk moest er achter de deur van ieder tevreden en gelukkig mens iemand staan met een hamertje en er door zijn geklop geregeld aan herinneren dat er ongelukkige mensen bestaan..." Schreef Anton Tsjechov in zijn verhaal De kruisbessen. In veel Duitse huisgezinnen komt dat altijd waakzame hamertje nooit tot zwijgen. De opstandige jongeren zijn evenals de buitenlandse werknemers afgezanten van een andere wereld, de wereld van de chaos. Die wereld kan over al die lieve huisjes in al die kraakheldere kleine stadjes heenwalsen, waar de huisvrouwen dag in dag uit iedere centimeter van hun woningen blinkend schoon poetsen en op zondag de stoep schrobben. Zal ik ooit de wezenskenmerken van dit raadselachtige land van Hans en Grietje kunnen ontraadselen, dit land waarin ik misschien tot aan mijn dood zal moeten leven? En zal het mij lukken de mensen hier te vertellen van een ander raadselachtig, groot land, dat mijn vaderland is en blijft? ■ Copyright Die Zeit Vertaling en bewerking Hans Bakx.

Raisa Orlova met echtgenoot Lev Kopelev