Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Oorlog

De hitler-mythe

Ian Kershaw, Der Hitlermythos; Volksmeinung and Propaganda fan Dritten Reich. Deutsche Veriagsanstalt. Prijs; ƒ30,-. De tijd van de grote Hitlerbiografieen van Bullock, Maser en Fest is voorbij. Maar historici blijven gefascineerd door de Führer van het Derde Rijk. Aangezien geschiedschrijving een continu proces is, en Hitier hoe dan ook in de mode blijft, is het niet verwonderlijk dat steeds andere facetten van het leven in het Derde Rijk, waarvan Hitier symbool en drijvende kracht was, worden onderzocht. De werkelijkheid wordt daarmee geen geweld aangedaan, maar aan het beeld van een tijdperk worden nieuwe facetten toegevoegd. Het imago van Hitier bij zijn Duitse tijdgenoten, de Führer als mythe en richtpunt, daar gaat het om bij de Britse historicus Ian Kershaw. Hij heeft zijn onderwerp getoetst in een van de meest uitgesproken delen van Duitsland, Beieren. Het beeld dat hij schetst kwam tot stand aan de hand van een bronnenonderzoek, waarbij niet alleen het gebruikelijke propagandamateriaal aan de orde kwam, maar ook veel ambtelijke bronnen: rapporten van partij-instellingen, gemeentelijke en regionale overheden, politie en veiligheidsdiensten. Zo'n boek roept de herinnering op aan de beelden waaraan de propaganda-apparaten van het Derde Rijk zich in de jaren dertig en veertig met wellust overgaven. De boeken met zacht geretoucheerde foto's van blije massa's kinderen, bejaarden, vrouwen, pubers, al of niet in uniform. Stralend rond hun Führer, de wijze regelaar van het Duitse leven. Het lijkt wel alsof de man iets boven de massa zweeft in die fotoboeken die, door Goebbels geredigeerd, werden uitgegeven ter gelegenheid van zijn vijftigste jaar bijvoorbeeld. Maar wat die fotoboeken niet duidelijk maken, blijkt uit Kershaws werk. Het Derde Rijk kan niet worden begrepen zonder de invloed van de Führer-mythe tussen 1933 en 1945, en Hitier bezat een populariteit waaraan zijn nationaal-socialistische partij niet kon tippen. In die jaren is de NSDAP voorwerp van kritiek op een schaal die we tot dusver niet hadden vermoed. Tot na Stalingrad, dus ver in de Tweede Wereldoorlog, blijft de Führer — die wonderlijke propagandacreatie van Hitier zelf, van mensen als Goebbels en zijn klerken als Dittrich — buiten schot. Zijn grote successen, vooral in de buitenlandse politiek tussen 1936 en '38, leveren hem blind vertrouwen op, ook bij de voormalige aanhangers van de socialistische partij en de Rooms-Katholieke kerk in Beieren. De incompetentie van de partijgangers, van de gehate "kleine Hitiers" wordt hem niet aangerekend. Integendeel, het volk heeft het beeld van de eenzame Führer, die bij de uitoefening van zijn taken slechts gehinderd wordt door kleinzielige, corrupte en incompetente partijgangers. Zo kan het gebeuren dat de moord op Röhm en andere hoge SA-leiders in de zomer van 1934 met grote opluchting wordt vernomen: de Führer heeft het gezwel ontdekt en uitgesneden. De liquidatie van enkele andere tegenstanders van het regime wordt met een schouderophalen in de publieke opinie geaccepteerd: waar gehakt wordt, vallen spaanders. En als Hitiers plaatsvervanger Hess op 10

mei 1941 naar Engeland vliegt, is dat geen vlek op Hitiers blazoen. In de publieke opinie werkt die gebeurtenis — in de bezette landen als een eenzaam lichtstraaltje opgevangen — alleen maar versterkend voor de mythe: die arme Führer wordt ook nog gedwarsboomd door zijn intieme omgeving. Aan de jndere kant maakt Kershaw aannemelijk dat Hitier na 1936 ook de gevangene van zijn eigen mythe wordt. Het

Duitse volk werd niet voorbereid op de oorlog, die het ook beslist niet wenste. Als die oorlog eenmaal een feit is, blijft Hitier in de eerste jaren de integrerende kracht. Men klampt zich aan zijn uitspraken in redevoeringen vast, tegen beter weten in. Telkens weer belooft hij het einde van de oorlog. Maar na 1942 wordt zijn geluid zeldzamer. De opperste veldheer leidt nu zelf aan het front en is nauwelijks meer in Berlijn of München te vinden; het Duitse volk moet zijn tonicum missen. De mythe brokkelt mede daardoor snel af. De neergang zet wezenlijk in na de val van Stalingrad, februari 1943. Dan duiken voor het eerst in de processen-verbaal en rapporten van politie-autoriteiten de twijfel en kritiek bij het publiek op, hoewel soms een radiorede van Hitier zelf het vuur weer weet aan te wakkeren. Dat geldt duidelijk niet voor de paladijnen, al boekt Goebbels zeer, zeer kortstondig successen met zijn in waan en hysterie uitgegilde redevoeringen over de 'totale oorlogvoering'. Nog één keer flakkert de roes van de Hitlermythe op en wel na de mislukte aanslag van 20 juli 1944. Maar het effect van de mislukking is snel verdwenen. De politie in Garmisch-Partenkirchen stelt vast "dat men algemeen de wens uit dat er een spoedig eind aan de oorlog komt." Der Hitlermythos laat zich, ondanks het ingewikkelde Duits, redelijk lezen door de vaardige wijze waarop Kershaw zijn bronnen citeert en zijn stellingen op levendige wijze ondersteunt. De Duitse historicus Martin Broszat — verbonden aan het Institut für Zeitgeschichte in München — zorgt voor een goede inleiding, waarin hij het verloop van de geschiedschrijving over Hitier de revue laat passeren. J. R. Soetenhorst.