Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Mindere stijging minimumloon kort sociale uitkering

Ruim tien procent van de werknemers gaat met het minimumloon naar huis. Het aantal minimumloontrekkers stijgt nog steeds, maar de stijging ls niet meer zo groot als in het begin van de jaren zeventig. Volgens de laatste - nog niet gepubliceerde - cijfers van het CBS verdienden eind vorig jaar 206.000 jongeren en 199.000 volwassenen het

minimumloon. Eind 1974 waren dat gezamenlijk nog 378.000 personen. De stijging is hoofdzakelijk een gevolg van de toeneming van het aantal volwassen minimumloners met 25.000. Deze stijging is echter lang niet zo groot als in de voorgaande periode. Tussen 1971 en 1974 verdubbelde het aantal volwassen minimumloners van 84.000 naar 173.000.

rege' w 5(2(' ÖistM poel , 1 ' ,v 4 "'Z «ano 2 p.' y ' <*>r Drs JOSÉ TOIRKENS HAAG, 6 dec. — Hoewel vn egeerakkoord van CDA en »D erover zwijgt werd vorige eek uit opmerkingen van het 'Kamerlid Van Leeuwen elijk dat een beperking van stl Jging van sociale uitkerinop de eerste plaats zal wor■ gezocht in een beperking n de rninimumloonstijging. bijstandsuitkeringen en de iKenngen van AOW, AWW en z '3 n immers aan het net"? lmurn l° on gekoppeld ais de minimumuitkerin« van WW. WWV, WAO en n,« eW 5 t ' minimumloon óf' ord» v, , 73,10 P er 1 januari) int i u °° r de sleutel tot een kor!. j Spar ' n B en in de sociale «erheidssector. Nu is het gea , Van deze sleutel niet helezipr,° nornstreden - Het volledig n U3 Va l n bijzondere verhoginminimumloon in de <*ende jaren kan er bijvoor . u m . al toe leiden dat de minildpro n ? n achterblijven bij de t m- en ' Sinds !970 moet ' *t iü)! n "P um ' oon volgens de £ ui Ut" half iaar d j^uari en ieint met de gemiddelde 'eeiijj v , an de regelingslonen. f* 1 "klonen zijn de caoP gen "en, vermeerderd met imperatieve toeslavairo . een dertiende maand epr , , 'etoeslag. Wanneer nu m kepEialde cao een dertientanti2» Wor dt ingevoerd, de in hJ? es ag wor dt verhoogd ■bot.- a lgemeen financiële icht'worden aangele x v omt dat tot uiting in de an de regelingslonen, iminn 8aan daarna alle miniJn 2 ? n orT| hooe. imin ls ^et bruto-minii&n bn,t lardf 7 stijgt dan alle uiten de vervoers-cao. tif<;Ki> 0 i? ra ' voor zwakke beTfkt na delig. Bovendien pr m h 6 sne llere stijging ook Uister n soclale uitkeringen, N'rasL - rsma heeft de SER ^Sepao.u de ' n d ex nie t zo Yi a] kan worden dat deze bp'.„k ao ~ verbe teringen b u in p p i , 0Uw ing kunnen worken i^° ok CDA en VVD norm^iJ 3 t ze ,/ lchtin e- Naast i male halfiaarliikse verhoging

laat de wet de mogelijkheid tot tijdelijke verhoging of verlaging van het minimumloon. Bij de eerstvolgende halfjaarlijkse verhoging van het minimumloon moet dan echter worden gedaan alsof er geen tijdelijke verhoging of verlaging is geweest. Een tijdelijke verhoging had bijvoorbeeld plaats per 1 november 1976 in verband met de dertig gulden toeslag voor alle werknemers per 1 november en 1 december. Bij de verhoging van het minimumloon per 1 januari 1977 werd weer uitgegaan van het minimumloonnivo vóór 1 november. Structureel Van belang is de mogelijkheid die de wet biedt tol structurele verhoging van het minimumloon. Het gaat dan om bijzondere verhogingen waarmee een welvaartsachterstand kan worden ingehaald. Deze kan ontstaan zijn door het achterblijven van de stijging van de regelingslonen bij de stijging van de werkelijk verdiende lonen. Dat zijn de regelingslonen aangevuld met incidenteel loon, vooral toeslagen die regelmatig worden ontvangen zoals tarieftoeslag, ploegentoeslag en overwerktoeslag. Soms is echter ook een bijzondere verhoging van het minimumloon nodig omdat loonsverhogingen in vaste bedragen worden overeengekomen of vloeren worden ingebouwd in prijscompensatie of vakantietoeslag. Dat verschijnsel deed zich bijvoorbeeld voor in 1973 en 1974. In 1974 besloot de regering tot een voor iedereen

gelijke uitkering van drie maal vijftien gulden. Die 45 gulden zorgden voor een stijging van het gemiddelde regelingsloon met circa 1,5 procent. Door de koppeling van het minimumloon aan het gemiddelde regelingsloon zou het minimumloon dus met 1,5 procent moeten stijgen. Ook de minimumloner had echter recht op een verhoging van 45 gulden. Berekend op basis van zijn eigen inkomen, zou het minimumloon dan met ongeveer 2,5 procent moeten stijgen. Zonder bijzondere aanpassing zou de minimumloner er dus 1 procent loonstijging op tekort gekomen zijn. Hetzelfde zou zich in de toekomst opnieuw kunnen voordoen wanneer in het kader van de loonmatiging door de regering een voor iedereen gelijke loonsverhoging zou worden opgelegd, of wanneer in het loonoverleg bepaalde vaste bedragen zouden worden overeengekomen. Wanneer het bruto-minimumloon tot nu toe sneller is

gestegen dan het gemiddelde regelingsloon komt dat uitsluitend door de bijzondere aanpassingen. Bijzondere verhogingen 'nebben plaats gevonden per 1 januari 1973 met 3 procent, per 1 april 1974 met 2,5 procent en per 1 april 1975 met 1,7 procent. Aanpassingen Niet alleen steeg het brutominimumloon sneller dan de bruto-lonen, ook netto was ei een snellere stijging als gevolg van bepaalde belasting- en premiemaatregelen. Zo heeft de invoering van een franchise in de WAO (er hoeft slechts WAOpremie betaald te worden boven een bepaald loonbedrag) minimumloners en anderen met een laag inkomen een reële inkomensvooruitgang bezorgd die groter is dan voor de modale werknemer (inkomen dit jaar ƒ 28,500). Het verschil tussen het modale inkomen en het minimumloon is daardoor zowel bruto als netto verkleind. Waar de grens moet liggen is vooral een politieke zaak.

De hoogte en de stijging van het minimumloon zijn sinds het einde van de geleide loonpolitiek (begin van de jaren zestig) zeer omstreden geweest. De jarenlange strijd over de vraag of het minimumloon waardevast (uitsluitend gecompenseerd voor prijsstijgingen) of welvaartsvast (de loonstijgingen volgen) moest zijn of misschien met een mengvorm van beide zöu moeten stijgen mondde in 1969 uit in een wet met een gemengde indexering. De achterstand in welvaartsgroei die hiervan het gevolg zou kunnen zijn zou via bijzondere verhogingen kunnen worden opgevangen. In 1970 gaven de werkgevers in de SER hun verzet tegen loonindexering plotseling op. De wet werd daarna gewijzigd. De mogelijkheid tot aanpassing van het minimumloon werd gehandhaafd. Het lijkt erop dat de tijd en de kering van het economisch getij de werkgevers, die al jaren geleden de ondergang van zwakke bedrijven en grotere werkloosheid onder geschoolde minimumloners voorspelden, hun gelijk hebben bezorgd. Inmiddels is sinds 1974 ook bij het kabinet Den Uyl het besef gegroeid dat een sterkere stijging van het minimumloon tot verlies aan werkgelegenheid kan leiden en een ongewenste opwaartse druk op andere lonen uitoefent, waardoor het matigingsbeleid in gevaar komt. Minister Boersma heeft in zijn verplichte adviesaanvraag aan de SER dan ook laten weten niets te voelen voor een bijzondere verhoging van het minimumloon.

Volgens het ministerie van sociale zaken is er thans trouwens geen of nauwelijks achterstand ten opzichte van dë andëre lonen. Minder snel? Betekent dit alles nu dat het minimumloon de afgelopen jaren minder snel had moeten stijgen? Het antwoord op die vraag hangt af van de doelstellingen van het beleid. Waar de werkgevers vooral uitgingen ei uitgaan van werkgelegenheidsaspecten ging het kabinet-Den Uyl tevens uit van een inkomenspoliteke doelstelling: het verkleinen van het verschil tussen hoge en lage inkomens mede door optrekking van de lage inkomens. Gezien de economische situatie kon een botsing tussen werkgelegenheidsdoelstelling en inkomenspolitieke doelstelling niet uitblijven. Om geen van beide doelstellingen los te laten - mede door verzet van de vakbeweging en de linkse fracties - moest het kabinet Den Uyl overgaan tot subsidiëring van het minimumloon. Die begon in 1976 (100 miljoen) als een eenmalige regeling, maar is in 1977 (75 miljoen) voortgezet en staat ook voor 1978 (ruim 75 miljoen) op de rijksbebroting. Gezien de houding van beide aspirant-regeringspartijen kan verwacht worden dat een CDAWD kabinet wat minder moeite zal hebben om het inkomensverdelingsaspect wat meer naar de achtergrond te schuiven ten gunste van het werkgelegenheidsaspect Te meer daar de toekomst van het minimumloon voor een belangrijk deel bepalend is voor de eraan gekoppelde uitkeringen. Stijging Stijging gemiddeld minimumloon verdiende bruto loon 1969 7,8 procent 13 procent 1970 5,7 13,1 1971 13,8 12,3 1972 12 12,3 1973 15 13,3 1974 18,1 14,8 1975 15,8 12,8 1976 11.9 10,6 (gegevens van Centraal Planbureau)