Dit is een artikel uit het NRC-archief Dit artikel is met behulp van geautomatiseerde technieken gedigitaliseerd en voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd volledig correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Surrealisme in saai Utrecht

Door Adriaan Venema j

Hier is de avond niet verguld en groot, maar zeer onschijnbaar en onzegbaar pover, grauwstof bedekt het schriel en karig lover ixin een paar bomen, wachtend op den dood. Dit dichtte in de jaren dertig Theo van Baaren over Utrecht, de stad die Marsman ,.een net van onwrikbare middelmatigheid" noemde. Niet een stad, waar je een bloeiend kunstleven zou verwachten. Toch is dat er (geweest): het onlangs verschenen boek Met stille trom van Jan Juffermans gaat er over. Het begin was weinig bemoedigend. Het Schilder- en Teekenkundig Genootschap „Kunstliefde" hield zo rond de eeuwwisseling brave avondlijke beschouwingen, waar portefeuilles met inzendingen •werden bekeken en onbetwistbaar hoogtepunt is de aanbieding van een koperen koekepan geweest aan drukker Moesman, omdat hij zoveel jaren trouw de invitatiekaarten had gedrukt. „Krijgt g'ooit ruzie met elkaar, bakt dan zoete broodjes" luidde de tekst, die in de pan was gegraveerd en één van de ondertekenaars was de goedwillende schilder G. W. P. van Dokkum, zo'n oppassend man, dat hij ook zitting had in de „commissie tot onderdrukking van het schoolverzuim." In die sfeer moest beeldende kunst gedijen? Het was haast niet mogelijk en dat het toch gebeurde is bijna ondanks Utrecht. Dat is wel de rode draad door het hele boek. Een treurige opsomming wordt het bijna van kunstenaars, die verstikt raakten door de provinciale benepenheid van de stad, waarmee ze een haatliefde-verhouding hadden. Geen wonder, dat Juffermans een hoofdstuk, gewijd aan het unieke echtpaar Van Rees de. titel geeft „Hoe in de Domstad wederom enige . talenten worden gewurgd". En dat gebeurde dan in een stad, die Jan Engelman bitter typeerde als „een oord met een burgerij die zeldzaam leelijk is van uiterlijk, kraaien en waterspuwers, gedrochten van Bosch en ge-, zichten van Goya, met af en toe een engel van een aschblond meisje als hemelsch contrast". Klusjes En daarom zien we kunstenaars, die zich niet j.vrij" konden noemen, maar gedwongen werden ander werk te doen. Moesman zat bij de Spoorwegen, Van Luyn deed reclamewerk, Van Kleef maakte glas-in-lood-ramen en deed in chocolaterie, Van Leusden bleef in leven door eindeloos stadsgezichtjes te etsen en De Winter schilderde banale revue-decors. „Daar dacht je gewoon niet aan in

die tijd, zeker niet in Utrecht", zei Moesman daar later over. „Zelfs een enkele 'echte', geaccepteerde kunsten-aar moest er allerlei klusjes' bij doen." Maar het was wel diezelfde Moesman,, die bijna kapot gedrukt werd door het onbegrip om hem heen en die vergeten leek, tot de surrealisten-paus André Breton, opmerkzaam gemaakt op het werk van Moesman, razend enthousiast werd en er een ommekeer in de appreciatie voor het werk van Moesman plaats vond. In '67 ontvluchtte hij de stad, schilderde nauwelijks meer en houdt nu rnet pijnlijke precisie de postzegelverzameling van de Nederlandse Spoorwegen bij. Terug naar die beginjaren. Tegen „Kunstliefde" en de hele mentaliteit daarom heen kwam verzet. Etha Fles richtte in 1895 al „Voor de kunst op" en bracht werk van Van

Gogh, Toorop, Thorn Prikker en Segantini naar Utrecht Verzet ook Van kunstenaars, van wie Janus de Winter een curieus voorbeeld is. De Winter, geboren in 1892, was ambtenaar bij de Spoorwegen. Hij mag met recht een van de ■eerste abstracte schilders van ons land genoemd worden met werk waarin het bovenzintuiglijke centraal staat. De Winter, geboren in 1892, was ambtenaar bij de Spoorwegen. 'Hij mag met recht een van de eeste abstrakte schilders van ons land genoemd worden met werk waarin het bovenzintuiglijke centraal staat. De Winter werd door veel tijdgenoten vereerd. Theo van Doesburg noemde hem zelfs „De Priester-Kunstenaar, De Priester aan wien wij het nieuwe leven danken". Dankbaar was De Winter niet. Van Doesburg? „Een door en door geestelijk onbeschaafde en kinderachtige parvenu". De roem van De Winter duurde

niet lang; hij sleet zijn verdere leven met het schilderen van diepzeegezichten. In 1951 stapte hij op de bus naar Den Helder, waar zijn dochter woonde, en stierf daar. Andere nieuwlichters waren mensen als Piet Serton van Rosweyde, een dandy, die op 25-jarige leeftijd stierf, maar die al een oeuvre had nagelaten, waarin hij zich bezeten toonde van het luminisme, dat veel had beloofd voor een nimmer gekomen toekomst. Te paard En dan Erich Wichmann, een hoofdstuk apart De man varï de onvergetelijke dichtregels: Tot tranen ben ik bekommerd

Nu kan ik nooit meer naar den lommerd, Omdat mijn hele inventaris Al daar is. Verbijsterd zullen zijn stadgenoten deze weinig burgerlijke regels hebben gelezen, even verbijsterd als ze geweest zijn bij de aanblik van Wichmann, die te paard gezeten het huis van kennissen binnenreed. De antipathie was wederzijds. In 1914 schreef Wichmann in „De Tang en het Varken" een toekomstvisioen over Utrecht: „Stroomt ook het volk naar de ruiven, uit de stinkende achterbuurten vol zwam, ongedierte, drek en rolronde ratten .die zelf weer ongedierte hebben, vloeit het, gorgelend als vuil door een riool, door de

verbindingsstraten naar het Vreeburg".. Principes Nog meer verbijstering. De komst van de Stijl-mensen. Theo van Doesburg, Rietveld, Bart van der Leek, Willem van Leusden, ze hebben allen kortere of langere tijd in Utrecht gewoond. Bezeten van de strakheids-principes van de Stijl liet Rietveld alle tierelantijnen en knoppen resoluut van zijn huisorgeltje halen en verfde het geheel principieel felkleurig. Hij speelde er daarna nauwelijks meer op. En Willem van Leusden liet zijn fraaie 18e-eeuwse huis in Maarssen geheel in primaire kleuren schilderen. Een kennis vroeg hem of hij dat niet zonde vond. Het bleken afneembare wanden te zijn. Niet lang daarna werden de principes dan ook weer weggehaald. Het was dezelfde Van Leus-, den, die bij de aanvang van een avondcursus, waarop naar model zou worden getekend, burgeravondschooldirecteur De Jong (de gemeente had het pand namelijk beschikbaar gesteld) hoorde praten over de schoonheid van het menselijk lichaam en de zondigheid van afdwalende gedachten. De Utrechtse overheid vroeg £r om om beduveld te worden. Rietveld deed dat met zijn beroemde Schröder-huis. Bij de • aanvraag, die hij bij Bouwen Woningtoezicht indiende, •had hij het dak van een achter zijn huis gelegen pand zo getekend, dat het leek alsof het op zijn eigen ontwerp stond. Het werd dan ook goedgekeurd. Jaren later nam de gemeente wraak. Rietveld, in de jaren vijftig bijna vergeten, kreeg in 1953 de opdracht voor de bouw van een nood-fietsenstalling bij het station. Veel aandacht besteedt Juffermans aan Utrecht en het surrealisme. „Het ligt .achteraf gezien voor de hand dat juist in . Trecht dat surrealisme zo opbloeide", stelt Gabriël Smit vast, die Utrecht typeert met: „Iets stoffigs,.iets vreemds, iets griezeligs. In de buurt van het Klaaskerkhof bijvoorbeeld. Op de Oudegracht had je dat Goudsmidswinkeltje van Mandersloot, een oud vrouwtje met een kolossale, oude, kindse zoon, die de hele dag hard zat te loeien achter een matglazen raam". 'Willy Wagenaar was de sleutel tot het surrealisme. Eenmaal terug uit Parijs begon hij een kunsthandeltje met meegebrachte affiches, tijdschriften en prenten. Hij maakte school in Utrecht, wat Albert Kuyle, de fatsoensrakker, tot uitzinnige woede-uitbarstingen bracht: „Heirleger van salondweilen, die over elkaar struikelt in de jacht om het origineele vondstje".

Het werd een gouden tijd voor het surrealisme, met als onbetwiste hoogtepunten het werk van Moesman en Pyke Koch. Vooral Koch voelde zich in Utrecht een tijdje best prettig met „een sfeer om te snijden, zo zwaar, dat die me inderdaad verschillende onderwerpen heeft opgedrongen". Het surrealisme vond aansluiting bij de mensen van De Gemeenschap, Jan Engelman, Hendrik Kuitenbrouwer onder andere. Een deel van hen be••landde overigens later in fas•cistisch vaarwater en daarbij" waren ook Pyke Koch en ar-, jchitect Van Ravesteyn (de man van het prachtige Utrechtse station, dat opgeofferd werd aan Hoogcatherijne). Zij richtten zich als reactie op de verstikkende atmosfeer in de provinciestad op het streven naar grandeur en cultuurverheffing, dat weldra ontaardde in bombastische pracht en praal, van het Italië vun de Duce, die door velen werd bewonderd. Was het een wonder, dat juist in dat Utrecht Mussert zijn beweging startte en zijn eerste vergade-. ringen hield in een ruimte .van „Kunstliefde"? De Luis En dan met een grote sprong naar het heden: naar mensen als Dolf Zwerver, William Kuik, Peter Vos. Naar „De Luis", het gezelschap, dat ontstond omdat men bij „Kunstliefde" niet de dikke dame wilde inviteren om te tekenen, die sommige jongeren wel wilden hebben, dat „geile blubberwijf", zoals Jacques Boersma haar noemde. Maar naast die bekende namen uit het na-oorlogse Utrecht ook in dit boek aandacht voor randverschijnselen zoals de naïef „de oom van Gerrit van 't Net", die hele dikke poezen en tijgers kon borduren en die vooral respect afdwong doordat hij met open ogen in de zon kon kijken. En de fraaiste van het stel (zo weggelopen uit het vroegere ■surrealistische werk van de oudere Utrechters), Aad van der Mee, die de muizen in zijn huis niet bestreed met mui[zevallén, maar met een ingewikkelde constructie, waardoor ze in een emmer water vielen. Hun koppen legde hij, blauw geschilderd, op de vensterbank, om de anderen af te schrikken. Zijn vingers verloor hij in een machine op de sociale werkplaats. Van toen af schilderde hij niet meer. Maar er lopen zoveel wonderlijke vogels in Utrecht rond, dat zijn'plaats wel onmiddellijk door een ander zal zijn ingenomen. (Met stille trom is verschenen bij uitgeverij Bruna. Prijs ƒ37,50)

Pyke Koek: „Dolores' ontbijt"

Moesman: „Adieu" (1964), geschilderd op het moment moment dat Moesman Utrecht de rug toekeerde. De stad ligt onder water.

Landschap van William Kuik (Detail) .