Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Wielrennen

literair logboek

door MARTIN ROS

Onder uitgevers overheerste jaar en dag de harde communis opinio dat boeken over sport, film en cabaret nooit werden verkocht: de mensen die daarvoor interesse hadden lazen immers nooit boeken. De waarheid van vandaag gooit dit woord omver. De laatste jaren verschenen er enige tientallen sportboeken die geregeld herdrukt konden worden; sommige fondsen konden zich op sportboekenpanels gaan toespitsen, geholpen natuurlijk door bijv de schaats- en voetbalgolven die Schenk en Ajax ontketenden. Allereerst noem ik de voetbalboeken bij Luitingh, de Boekerij (Scheepmakers Cruijffboek is op zichzelf een unieke 'sport'-biografie), Kluwer en Andries Blitz. De ruim eén miljoen georganiseerde hengelaars kunnen terecht bij de steeds specialistischer uitbreidende hengetfondsen vf>n Luitingh en ?amer en Keuning, de duidelijk 'populistisch' geworden paardensport vindt zijn meeste titels bij Elsevier. Hollandia en La Rivière en Voorhoeve, zeilers en watersporters treffen een waar bastion aan titels bij Hollandia en Elsevier en voor de kleine beginneling heeft Duwaer een hele serie goedkope boekjes 'Ken uw sport' opgebouwd. Omdat we vlak voor de wereldkampioenschappen staan en omdat het het 'jaar van de fiets' is stel ik het wielrennen hier nu even primair. Bij de Boekerij is een sportjournalistieke timmerman opgedoken die rond cracks en Tour recentelijk twee stevige — en snel herdrukte — titels neerschreef: De vedetten van de weg (ƒ 12,50) en Tour de France, hemel en hel op een stukje leer (ƒ 18.90). luis „Zijn vader stierf en Luis had daar veel verdriet van", schrijft Nelissen onbekommerd over Ocafia. „Hij heeft ook een levendige belangstelling voor de wereldproblemen, speciaal de noden van de arme landen gaan hem zeer ten harte." Als je dan ook nog te heren krijgt dat Luis „in een in Andalusische stijl opgetrokken witte villa" woont lijken de tijden van de dwangarbeiders van de weg onder een koperen ploert terug te keren Daarnaast zijn dan zelfs de onbenullig-droge TV-commentaren van Jan Janssen van een aandoenlijke exactheid. Het is jammer dat Nelissen zo slecht schrijft, want hij weet er aardig veel van en zou met een beetje goede bewerking van zijn manuscripten tot heel interessante sporthistorie kunnen komen. Wie zich met een houten hautainheid van de sport afwendt en de veilig-betuttelende. schijn-intellectualistische stukjes van bijv. Jan Cottaar mooi vond, weet immers niet wat hij mist aan drama en anekdote in de sport. Anekdote: Leo Pagano die niet wist wat een derailleur was en bij de renners naar dit vreemde apparaatje informeerde. Drama: Bartali die na een Pyreneeënbergrit nog 100 km extra bietste om Lourdes te bezoeken om Moeder

Maria de zege af te bidden, zoals die in 1938 dooi Mussolini van hem, als overtuigd fascist, geëist werd. Uit het geweldige duel Bartali-Coppi in de jaren 1947-1952 heeft Jan Cottaar destijds nog een roman gedistilleerd, die maanden lang triomfen vierde in de Katholieke Illustratie: 'De troostprijs is een Gele Trui'. Alles werd natuurlijk overtroffen door de lyriek van de Volkskrant, die door geen krant werd overtroffen in verslaggeving van het tragikomische

detail: de nederlaag van Brambilla in 1947 in de laatste, meer dan 300 km lange etappe naar Parijs. Robic, twee turven hoog en nu zelf aan lager wal geraakt in een catch-as-catcli can cricus, won, Brambilla begroef zijn fiets in de tuin achter zijn huis, voorgoed. Schitterend verhaalde de Volkskrant ook het uittreden van de Italiaanse ploeg van Bartali in 1950, nadat er een aanslag was gedaan op zijn leven. Diezelfde Tour kende het ongelooflijke avontuur van enkele meerijdende coureurs uit Frans Noord-Afrika. Adb el Kader Zaaf slaagde er tijdens een wandeletappe — het dan een half uur voorsprong te

nemen. Eén moment reed hij zelfs in de Gele Trui. Toen begon hij alles op te drinken wat hem werd aangereikt en na verloop van tijd reed Zaaf de verkeerde kant op, het peloton tegemoet! Hij werd wegens dronkenschap in de bezemwagen opgesloten, zoals dat gele-truidrager was bijna 34 graden — in meer Dubo in 1911 al overkwam. Nelissen geeft deze verhalen wel, maar zo vlak, zo algemeen, zo matjes. klimmers lammer genoeg ook gaat Nelissen, die veel details vertelt over de rijkdom en de vrouwen van de renners, weinig in op de sociologische achtergronden en aspecten, Zo vertelt hij bijv. niets over het leven van de merkwaardig intellectueel-ingestelde Gerben Karstens, over wie de veelbetreurde wielrenner en auteur-journalist Trino Flothuis kort voor zijn dood nog begonnen was een „model"biografie te schrijven. Over die fascinerende sleutelsituatie in de Tour — het al dan niet kunnen „klimmen" — vertelt Nelissen heel boeiende dingen. Zijn verhaal over Charly Gaul — 1 meter 73, 58 kiio, polsstag 40 per minuut, dé ideale klimmercondities — is prima. Gauls prestaties blijven ook formidabel. Hij won in de Ronde van Italië eens een etappe waarin 43 renners opgaven. Hij won in 1958 de Tour na alle grote klimmers verpletterd te hebben: Bobet en Nencini kregen in één etappe 20 minuten aan hun broek, Anquetil (die meteen opgaf) 23 minuten, Bahamontes, toch ook een klimkoning, zelfs een half uur! Daartegenover staan dan Ocana, die het van een gelanceerde, lange klim moet hebben, evenals Merckx die, getuige weer zijn indrukwekkende achtervolgingsoverwinning vorige week in Amsterdam (op Zoetemelk), toch de grootste blijft, tegen wie alleen ooit Fedor den Hertog misschien in de Tour om de zege zal kunnen duelleren. Te weinig licht Nelissen de geweldige veranderingen toe na de intrede van de fabrieksploegen. Ocaiïa's overwinning was zonder het absolute knechtensysteem van zijn BIC-ploeg bijv. ondenkbaar geweest. Vreemd is ook dat hij de eerste — kleine — naoorlogse Tour, die van 1946, verzwijgt. Omdat die werd gewonnen door de later op zeer misdadige wegen geraakte Griek Apo Lazarides? Pakkende verhalen verder te kust en te keur toch: opkomst en ondergang (zelfmoord, in 1964) van mooie Hugo Koblet, de moord op Bottechia, de volksopstand — wegens de Tour — in Nimes, Wim van Est, zijn val in 't ravijn en zijn Pontiac die bleef doortikken, de verschrikkelijke ondergang van fenomeen Riviëre (aan palfium), de totaal onbekende knecht Walkowiak, die in 1956 bij toeval won en nóg leeft van het showen met zijn overwinnende wonderfiets. Nelissen geeft voorts alle klassementen, zodat zijn boeken heerlijke oorden zijn om te vergelijken.

Luis Ocana