Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Besparingen

Door Prof. Dr. F. HARTOG Onze economie glijdt langzaam af naar een onplezierige situatie. Wij kunnen dit schetsen in termen van prijsstijging, toeneming van werkloosheid en betalingsbalanstekort. Daartussen bestaat een nauw verband: alles hangt met alles samen. Het is ook mogelijk, een en ander te belichten vanuit de afneming van de spaarquote, dit is het aandeel van de besparingen in het nationale inkomen. Als er meer gespaard zou worden zouden wij de voor ons liggende problemen veel gemakkelijker aankunnen. De inflatoire druk zou afnemen, de betalingsbalans zou worden gesaneerd en de toenemende werkloosheid zou kunnen worden bestreden vanuit een positie van kracht. Maar er wordt naar verhouding minder gespaard, juist omdat er een toenemende inflatie heerst. Het verband tussen inflatie en teruglopende spaarquote ligt overigens minder eenvoudig dan doorgaans wordt gedacht. Op het eerste gezicht lijkt de toenemende prijsstijging vooral verantwoordelijk te zijn voor de afnemende spaarneiging. De geldontwaarding tast namelijk de hoofdsom van de besparingen aan. Samen met de hoge inkomstenbelasting leidt dit in de meeste gevallen tot een negatieve reële interest. Toch valt dit hard mee. De besparingen zijn namelijk in overwegende mate afkomstig van de overheid, de bedrijven en de pensioenfondsen en levensverzekeringmaatschappijen. Voor deze instellingen geldt de overweging van geldontwaarding niet of nauuwelijks. Hoe werkt de inflatie dan wel negatief in op de spaarneiging? Dit gaat vooral via de wijziging in de inkomensverdeling. Maar laat ons, alvorens dit nader uit te werken, enkele illustrerende cijfers geven. De spaarquote is in de laatste jaren teruggelopen van 21 pet. in 1969 tot 20 ptc. in 1970 en 1971, terwijl voor 1972 een verdere vermindering tot 19 pet. wordt verwacht. Met 1 pet correspondeert een bedrag van niet minder dan ƒ 1,4 miljard op basis van de cijfers voor 1972. Daarmee zou de hele betalingsbalans kunnen worden gesaneerd. Deze samenhang met de betalingsbalans is er niet zomaar bijgehaald. Zuiver rekenkundig is het spaartekort (het bedrag waarmee de investeringen de besparingen overtreffen) namelijk gelijk aan het tekort van de lopende betalingsbalans. Tegenover deze verwachting staat de oorspronkelijke taakstelling van de nota-1973 van het Centraal Planbureau, waarin voor 1972 een spaarquote van 21,5 pet. werd geraamd. En nu de voornaamste oorzaak van het teruglopen van de spaarquote.

Dat is de sterke wijziging van de inkomensverdeling ten gunste van de arbeiders. De arbeidsinkomensquote van bedrijven is opgelopen van 75,5 pet. in 1969 tot 83 pet (raming) in 1972. Dit is het arbeidsinkomen gedeeld door het nationale inkomen, bei de voorzover verdiend in bedrijven, waarbij onder het arbeidsinkomen ook is begrepen het deel van het inkomen van zelfstandigen dat kan worden beschouwd als beloning van arbeid in de eigen onderneming. De besparingen van de particuliere sector zijn vooral afkomstig uit het niet-arbeidsinkomen, waarvan het aandeel dus sterk terugloopt. Bij ieder procent toeneming van het looninkomen neemt de consumptie van de loontrekkers eveneens met ongeveer 1 pet. toe, maar bij ieder procent toeneming van het niet-looninkomen neemt de consumptie van de niet-loontrekkers maar met ongeveer 1/3 pet. toe! Onder het nietlooninkomen neemt vooral de winst een grote plaats in. De besparingen uit de winst geschieden meest rechtstreeks dioor de bedrijven, door middel van reserveringen. Wij kunnen het dus ook zo zeggen, dat de sterke uitholling van de winstpositie van het bedrijfsleven leidt tot afneming van de bedrijfsbesparingen. Het is dus wel de inflatie in de vorm van sterke loonstijging die de spaarquote aantast, maar dan in hoofdzaak langs de omweg van een wijziging in de inkomensverdeling. Keren we rog even terug naar het oorspronkelijke cijfer voor 1972 uit de nota-1973. Daarbij behoorde een geraamde arbeidsinkomensquote van bedrijven van 76 a 76,5 pet. Als deze laatste niet stijgt komen dus de besparingen niet in de knel. Zo komen we ook langs deze weg weer uit bij het uit de hand lopen van de lonen als de strategische factor bij de verslechtering van onze economische situatie. Het heeft geen zin, in deze omstandigheden de besparingen te gaan aanmoedigen. Dit is slechts symptoombestrijding. Zelfs is er veel voor te zeggen, de rompslomp van de thans bestaande premiespaarregelingen op te ruimen. Ook over spaarloon wordt gelukkig weinig meer vernomen. Hiermee schuiven we de inflatie immers voor ons uit. De kostenstijging wordt er niet door voorkomen en het werkt alleen matigend in op de bestedingen zolang het nog niet ingehaald is door deblokkering. De slag om de besparingen wordt gewonnen — of verloren — in de sfeer van de macroeconomie, en niet door microeconomisch geknutsel. In een gezonde economie komen ook de besparingen wel. Het is jammer dat we dit niet kunnen omdraaien.