Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Onderwijs

Witteveen: wijziging in beleid is begrotingseis

Door onze politieke redactie DEN HAAG. 28 juli — „Om de begroting voor 1972 binnen de beschikbare ruimte te doen blijven, zijn een aantal diep-insnijdende beleidsombuigingen noodzakelijk. De bijzonder lastige budgettaire situatie is in de eerste plaats gevolg van het feit dat reeds bij ongewijzigd beleid de voor 1972 beschikbare begrotingsruimte

aanzienlij k wordt overschreden." Oud-minister Witteveen van financiën heeft dit op 23 maart van dit jaar, minder dan een week voor de verkiezingen dus, meegedeeld aan de ministers van het kabinet-De Jong en de staatssecretarissen in de zgn. streefciifernota voor de begroting van 1972 die nu is gepubliceerd. In deze nota deed de minister voorstellen voor bezuinigingen tot een totaal van bijna 3V2 miljard gulden over vier jaar. Voor 1972 bedroeg de bezuiniging die hij nodig achtte 688 miljoen. Bij zijn nota is de minister destijds uitgegaan van de eerder aan de Tweede Kamer uitgebrachte ramingen over de kosten van het „ongewijzigd beleid", gemaakt door het. directoraat-generaal van de Rijksbegroting. In de nota zijn een groot aantal uitgavenverhogingen ten opzichte van het ongewijzigd beleid opgesomd, die „zeer wenselijk" geacht worden. Verder staan er ook de tegenvallers voor de begroting-1972 in, o.a.: gewijzigde belastingmaatregelen die een tekort van ƒ 200 min. veroorzaken. Hiervoor moet dekking worden gevonden in de belastingsfeer. Verder de mogelijkheid dat als gevolg van de jaarlijkse inflatiecorrectie in de loon- en inkomstenbelasting de nominale belastingopbrengst ontoereikend wordt voor de financiering van

de algemene salarisstijgingen. Ook hiervoor moet dekking 111 de belastingsfeer worden gevonden. Verder komt dr. Witteveen dan met zijn omvangrijk bezuinigingsprogramma. Tot zijn voorstellen behoren: — verlaging van de „bouwpot" van het voortgezet onderwijs met 100 miljoen, door temporisering en hantering van stringente normen bij de bouw van scholen; — geleidelijke vermindering van de subsidiëring van het vormingswerk in de avonduren, vermindering bij het voortgezet onderwijs van het aantal lessen per week per klas van 32 naar 30; — het terugbrengen van de jaarlijkse personeelsstijging bij het wetenschappelijk onderwijs met 30 procent; — verhoging van het collegegeld tot ƒ 1000; — verhoging inschrijf- en examengelden tot ƒ 100; — verhoging van de gemiddeld e klassebezetting bij het lager beroepsonderwijs; — het aanhouden van een beslissing over de uitvoering van de „smeerpijp" in Oost-Groningen tot eind 1972; — het verhogen van de opcenten op de motorrijtuigenbelasting; — een geleidelijke verlaging van het subsidie aan het Nationaal bureau voor toerisme; — afschaffing van de loongarantie voor havenarbeiders; — verandering in het systeem van de werkloosheidsuitkering.