Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Reizen

„In Ellecom valt niets meer te beleven"

Door F. G. Het zijn er nu 1 182, zo kan men op het gemeentehuis in De Steeg vernemen.

Door F. G. DE RUITER

ELLECOM, juli — In de vooroorlogse uitgave van Elseviers encyclopedie staat over Ellecom dit summiere bericht te lezen: „Dorp van 1 127 inwoners in de Gelderse gemeente Rheden, aan den Veluwezoom en de Middach1er

Allee, hoofdzakelijk bestaand van de zomerpensiongasten." Wat het inwonertal betreft is er in 35, 40 jaar weinig veranderd. Het zijn er nu 1 182, zo kan men op het gemeentehuis in De Steeg vernemen. Maar de laatste zinsnede gaat niet

meer op Alle familiepensions en hotels die dit riante dorp in vroeger jaren telde, zijn successievelijk gesloten. Alleen Klein Bergsteyn, fraai gelegen aan de Selsweg, wist zich nog te handhaven, maar ook deze toeristische vesting zal men spoedig van de

horecalijst kunnen schrappen. Op 1 september a.s. zet mevrouw G. Anthing Vogel-Ruysch, daartoe gedwongen door de hoge lasten, een punt achter de exploitatie van haar hotelgarni. Dan is Ellecom een dorp zonder betaald iogies.

Wie met dierbare herinneringen aan het vooroorlogse Ellecom thans in deze „parel van de Veluwezoom" terugkomt, zal een gevoel van weemoed moeilijk kunnen onderdrukken. Er gaat een ietwat verlepte sfeer van uit. De serres en theetuinen, waar eens in gepaste stemming de consumpties werden gebruikt, liggen er nu verlaten bij als nutteloze overblijfselen uit een tijd, toen het vakantiegoed doorgaans in rieten koffertjes werd verpakt en vader zich tegen de zonnestraling beschermde met een strohoed. Ellecom. dat zich vroeger in één adem liet noemen met rustoorden als Lochem, Velp en Renkum, heeft zijn tijd als hotelen pensiondorp gehad, nu de toeristische trek zich in volstrekt andere richting beweegt. Wie voelt er nog wat voor het knusse leventje van ingebonden Panorama's, het bittertje voor de warme maaltijd en de rustige wandeling door de Onzalige Bossen? Dit slag vakantiegangers schijnt nauwelijks meer te bestaan. Zelfs hoogbejaarden laten zich meetronen naar zonnige Zuideuropese kusten en leggen 's avonds het moede hoofd neer op een ongemakkelijke peluw of in een bekrompen caravan — het soort nachtverblijf dat de functie van de vertrouwde pensionkamer, compleet met nederig dienstmeisje, heeft overgenomen.

Zulke bespiegelingen roepen gemakkelijk weerstanden op. De neergang van Ellecom valt immers ook als een vooruitgang uit te leggen. Ze illustreert in elk geval hoe de ■),democratisering" in de sector vakantie heeft doorgezet. Dit dorp had zijn vooroorlogse bloei uitsluitend te danken aan een kleine groep van goed gesitueerden. Voor 90 procent van de bevolking was een vakantie op de Veluwe nog een onbetaalbare droom. Nu kan het gros van de mensen zonder financiële pijn een paar weken de stad uit. Dat ze liever naar de Costa Brava trekken en Ellecom vergeten, moeten ze zelf weten. Juist de atmosfeer van „het betere vooroorlogse publiek", die het dorp ongewild nog altijd een beetje uitademt, kan afstotend werken. Sombere visie Als ik onder wijkend zonlicht langs de uitgebluste serres wandel, stuit ik op een man die me oud en autochtoon genoeg voorkomt om een schildering van de Ellecomse bloeitijd te kunnen geven. Het blijkt de 68-jarige J. Mosselman, die een luchtje schept na het snijden van een nieuw vest, want hij is kleermaker van beroep. Door zijn langdurig nederzitten aan mannelijke kledingstukken is hij tot een afgeronde

filosofie over Ellecom gekomen; er is slechts een lichte aansporing nodig om zijn sombere visie te vernemen. „Ik weet het, mijnheer, Klein Bergsteyn gaat dicht. Nu is Klein Bergsteyn geen groot hotel. Ik schat het op tien bedden, maar het was alles wat we over hadden. Hebt u hotel Brinkhorst gekend?* Dat telde veertig bedden. Daar zat de rijkdom uit Amsterdam, maar nu spreek ik van vóór de crisistijd. Het is na de oorlog eigenlijk nooit meer van de grond gekomen. Wat er nu in zit? Ik geloof van een showroom. door F. G. DE RUITER Och, het is overal hetzelfde liedje. Kijk naar hotel Brinkman in De Steeg. Dat is een ruïne. Hotel Naeff in Velp is ook al weg." Hoe was het vroeger? „Ja, vroeger hadden we dus Brinkhorst en Ellinchem, ook goed voor veertig bedden. Verder de Ketelaar, dat is nu een kindertehuis. Dan de grote familiepensions: Buitenzorg. Sonnevanck, Beau Séjour, Heuvelzicht, Zomerlust, noem maar op, Benvenuto, Buitenlust. „Die vroegen al gauw acht a tien gulden per dag, voor vol pension. Dat was in die tijd een

heel bedrag. Dus je begrijpt dat er alleen de rijkdom kwam, sjieke mensen uit Amsterdam en Den Haag. Rotterdammers ook wel." „Alleen bejaarden? Welnee, ook jonge mensen met kinderen. Ik trok met die kinderen de bossen in. We hadden thuis ook een pensionkamer, op de bovenste verdieping. Daar kwam een jong stel uit Amsterdam logeren, met kleine kinderen. Iedereen clie een paar kanTers over had, hield pension. Dat was een mooie bijverdienste." Herrie en rommel Heeft u enig idee waarom de mensen niet meer in Ellecom komen? „Ja, daar heb ik wel ideeën over. De mensen wandelen vandaag de dag niet meer in de bossen. Ze willen herrie en rommel om zich heen hebben, muziek, patatkramen. Ze rijden ook liever in auto's. Hier bij Ellecom liggen toch zulke mooie bossen, dennebomen, maar ook loofhout. En uitgestrekt. Als je duizend mensen loslaat, zijn ze na tien minuten verspreid. Dan is het nóg rustig." „Maar wie loopt er nog een bos in? Praktisch niemand. Hier vlakbij is een parkeerterrein voor honderden auto's. Als er 's zondags vier geparkeerd staan,

mag je het loven. Ja, De Posbank, die trekt nog veel volk. Maar daar kunnen ze met de auto naar toe rijden." Denkt u dat de mensen liever naar het buitenland gaan? „O ja, dat is zeker. Spanje en zo, Joegoslavië. Ik hoor dat ze ook al naar Marokko gaan. Maar hier 'is het stil. In de Onzalige Bossen lopen de wilde zwijnen rond. Geen mens die komt kijken. Je hebt hier de Lange Juffer, een prachtig laantje, dwars door de bossen naar de Imbosch toe. Je ziet er niemand meer lopen." „Vroeger was de Lange Juffer in trek bij de pensiongasten. Ze liepen hele dagen te dwalen. Dan kwamen ze moe thuis. Er ging een trammetje naar de stad voor mensen die 's avonds nog vertier wilden hebben. Maar daar maakte niemand gebruik van. Ze hadden genoeg aan de natuur in Ellecom." T ramconducteurs „En dan is er nog iets. We hadden hier vroeger de buitenplaats Avegoor, een mooi landgoed. Dat is voor de oorlog al verkocht aan de Bond van overheidspersoneel. Dat is een bond van het NVV. Die heeft er een recreatiecentrum van gemaakt voor tramconducteurs, kleine ambtenaartjes, plantsoenwerkers."

„Kijk, dat heeft de rijkdom afgeschrikt. De sjieke mensen wilden niet met die tramconducteurs in dezelfde plaats zitten. Ze kwamen niet meer terug. Nou ja, sommigen nog wel, maar niet die grote massa's van vroeger. Ellecom had zijn bloeitijd vóór de crisis. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan." Vindt u dat jammer? „Och, wat moet ik daarvan zeggen? Aan de ene kant wel natuurlijk. Er is geen rust meer onder de mensen. Ze hokken maar bij elkaar op kampeerterreinen, in die tentjes en caravans. En er moet altijd muziek zijn. Vroeger had je natuurlijk ook muziek. In de tent voor hotel Brinkhorst kwamen bekende gezelschappen spelen. Daar genoten de mensen van, ze kwamen er speciaal naar luisteren. Dat heb je nu niet meer. Nu wordt er niet meer genoten." Als ik nog wat wil eten, waar kan ik dan terecht? „Dan moet u naar De Steeg. Daar zijn nog restaurants. Hier niet meer. We hebben hier alleen De Peerdenstal, dat is een oud koetshuis. Daar komt de jeugd dansen op zaterdag- en zondagavond. Zoiets gaat hier nog wel, voor de rest valt er niets meer te beleven."