Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Het moderne imperialisme: historici op zoek naar geboorte- en sterfdatum

)0OR H. W. VON DER DUNK

ilomo is onsterfelijk geworden om ree dingen: zijn wijsheid en zijn ijkdom. Zijn jaarinkomen bedroeg 66 talenten gouds. Het staat nauwleurig aangegeven, boek der Koninien twee. En daar kwamen de belasingen bij van kramers, kruideniers alle koningen van Arabië. Hoe root die waren vernemen we niet, laar vrijwillig, zonder druk, zullen zeker niet zijn binnengekomen, alomo had macht en hij gebruikte ijn macht om zijn rijkdom te verleerderen. Niet als eerste en niet als aatste. En zijn wijsheid schijnt zijn ortuin te legitimeren. Maar is dat lm niet, de hemel bewaar ons, al staaltje van liberalistisch-kapitaistische ideologie? ich, de kroniekschrijver loopt verder>p helemaal in de val, want Salono's moeilijkheden, zo verzekert hij ins, zijn niet het gevolg van een verleerd economisch beleid, niet van ijn exorbitante schraapzucht of van ijn elpenbenen troon met dicht goud vertrokken, (toch geen zeer rationeinvestering van al die inkomsten), en, het ging slecht met de oude alomo, omdat zijn zevenhonderd rouwen „zijn hart neigden," zodat andere goden aanbad. Wat moet e moderne sociaal-economisch geriënteerde historicus nu met zo'n erhaal? Niets anders voorlopig dan ich zelf en anderen even in herinneing brengen, dat macht, rijkdom en fijsheid al vanaf de oudste tijden bij Ikaar hoorden. Ie geschiedschrijver van Salomo was iet de eerste, die hier geen enkel ïoreel probleem zag. Dat werd pas n de orde gesteld door de kleine werver uit Nazareth, die de radiaalste „Umwertung aller Werte" op ijn naam bracht en die met zijn verslijking van de rijke en de kameel, üe door de oog van de naald kruipt, Ie hefboom had gevonden, waarmee iet hele bestel uit zijn voegen kon 'orden gewrikt. Geen van alle latere evolutionaire ideologieën, noch marisme of anarchisme, zijn denkbaar onder de morele erfenis van het -hristendom, dat een platform had ïschapen, van waaruit altijd weer de ealiteit kon worden veroordeeld. fear even sterk bleef de gedachte, in elkens nieuwe vormen of filosofieën lerugkerend, dat tussen macht en ijkdom aan de ene en wijsheid en ^dheid aan de andere kant, geen nover brugbare tegenstelling maar -jjlfs een' geheime relatie aanwezig is. " e t is nauwelijks een simplificatie «i te beweren, dat alle discussies en toijtroversen over historische fenoHenen als kolonialisme, imperialisme, *P ans ie en heerschappij tenslotte om 'leze vraag heen cirkelen als muggen °® het verborgen middelpunt.

jAssimilatie van de 'eroveraar Nu is er in de loop der tijden wel e en opmerkelijke verspringing zicht'aar: oorspronkelijk waren het de arnen, de havelozen, de onderontwikkelden, die de rijken, de „haves" invielen. De nomaden, de veeboe' e n uit de bergen van Mesopotamië "okken naar beneden, aangelokt loor de rijke vlakte van Eufraat en Vis. Drang naar bezitsvermeerde'•ng was de drijvende kracht achter looptochten en veroveringen, zodra daar kennis van hebben in de °ude geschiedenis. En daarbij werd ° e Woonlijk het cultureel hoger staan'e volk door de ruwe invallers onderworpen. Niet omgekeerd. De ver: ' v eraar assimileerde zich dan aan de beschaving van de onderworpene. ormde dit patroon de basis, de vergaring van de voorstelling, waar ik ket zoëven over had, dat wijsheid en r 'ikdom bij elkaar hoorden, waarbij ^e natuurlijk voor wijsheid „cultuur" ' "togen lezen? Hoorden ze niet inderdaad

bij elkaar, terwijl de macht, het brute geweld van huis uit de tweelingbroer van de armoede was? Daarmee zou in elk geval de afwezigheid van het ethische probleem begrijpelijker en tevens aanvaardbaarder worden.' Zolang de rijke en beschaafde van nature zich in het defensief bevond, zolang de primitieve zwerver de agressor was, die plunderde, dood sloeg, onderwierp, zolang had de hemelpoort voor beide groepen misschien de afmetingen van het oog van een naald. Pas toen de macht, het geweld, de superioriteit in het veld ook verhuisden naar de kant van rijkdom en beschaving, toen de armen en primitieven niets meer over hielden dan hun primitivisme, toen pas werd de rechtvaardigheid, de ethische harmonie verstoord. Die kon alleen maar door het vooruitzicht op het hemelrijk weer in evenwicht worden gebracht. Nu lopen helaas deze verschuivingen en verspringingen in het normbesef nooit zo parallel aan de politieke en maatschappelijke verschuivingen als de schoolmeester, die in iedere historicus schuilt, wel zou wensen. Bovendien zijn begrippen als „verschuiving" en „verspringing" inderdaad begrippen; hulpmiddelen van de wetenschap om de werkelijkheid te beschrijven. Bij de grote rijken uit de oudheid, bij Egyptenaren, Babyloniërs, Assyriërs, Perzen, Romeinen gingen macht en beschaving al hand in hand; althans dat hand-in-handgaan was het resultaat. Oorspronkelijk immers blijken ook hier barbaarse binnendringers hun rijk op de schouders van een cultureel hoger staande bevolking en dankzij vermenging en assimilatie te hebben opgebouwd. Bovendien heeft bij de vorming van die rijken in de meeste gevallen een uitgesproken defensieve doelstelling als katalysator gewerkt. Men moest de grenzen beveiligen tegen de primitieve buurvolken, die met argusogen keken naar zoveel rijkdom, welstand en cultuur. De enige manier om het kapitool te verdedigen was tenslotte de oprichting van

het Romeinse imperium. En zelfs dat bleek onvoldoende. Missiedrang Na de Middeleeuwen, met de opkomst van het moderne Europa echter wordt de verschuiving toch wel definitief; althans in het groot. De Portugezen, Spanjaarden, Nederlanders, Engelsen, die dan over de zeeën uitzwermen en koloniale rijken stichten, hebben zich niet meer geassimileerd aan de cultuur van de onderworpen volken, zoals de veroveraars uit de oudheid. Naast winzucht en verlangen naar exotische kostbaarheden, speelde juist ook de missiedrang, de behoefte om het ware geloof te verkondigen een grote rol. De Europeanen voelden zich ook cultureel superieur, al heeft de ontmoeting met andere culturen en godsdiensten dan weer een proces van zelfkritiek op gang gebracht, waarbij het christendom heel wat veren heeft moeten laten. Verlichting en rationalisme zijn niet denkbaar zonder die confrontatie met andere beschavingskringen. Er was natuurlijk inog een ander belangrijk verschil met de expansie-vormen uit vroeger tijden: het betrof nu een expansie over zee. Het ging niet om directe buren en het defensie-element, dat in vrijwel elke continentale vorm van machtsuitbreiding steekt, ontbreekt hier. Dankzij de zee was er geen bedreiging. Bij het kolonialisme, dat in de 15e en 16e eeuw op gang kwam, lag het initiatief geheel bij Europa. Bij het moderne imperialisme nu denken we onmiddellijk aan de krachtsexplosie, die in de tweede helft van de 19e eeuw plaats vond: de expansie van de grote mogendheden van Europa en de V.S., die de gehele aardbol tot een aanhangsel van dit werelddeel scheen te zullen maken, dankzij een voorsprong op technisch gebied, waartegen geen kruid, geen duivelsbezwering, geen magie was opgewassen. Na 1870 vertonen Afrika en Azië de grote roze

vlekken, die Brits eigendom, de paarse, die Frans, de groene, gele, bruine die Duits, Portugees, Nederlands territoor aanduiden, zoals de schildknapen, die de kleur van de meester dragen. Al die vlekken zijn in de laatste dertig jaar vrijwel verdwenen. Het^ imperium europeanum is ingestort en de problemen, die daaruit voortvloeien beheersen onze tijd. Geen wonder, dat de literatuur over het moderne imperialisme onder de indruk van deze ervaringen is aangezwollen en wel eens de indruk maakt van een draaikolk, die de lezer alle kanten op sleurt. Want dat de distantie in de tijd ook een intellectuele distantie mogelijk maakt is hier een vroom geloof. Actueel begrip Trouwens, wat betekent distantie in tijd? De sporen en gevolgen van de Europese heerschappij zijn allerminst verleden tijd. De term „imperialisme" staat vandaag voor alles wat onrechtmatige heerschappij, economische uitbuiting, geestelijke en culturele verkrachting heet. Meer nog dan de term „fascisme" fungeert dat woord in de laatste jaren als focus voor alle kwaad. Het verschijnsel is ruimer, elastischer, verkapter en vooral moderner. Wat vandaag de gemoederen opwindt in Vietnam of elders valt onder imperialisme, niet onder fascisme. Elk begrip nu heeft voor elke generatie een aroma, dat eigen ervaringen en associaties verraadt. Het wordt onder de indruk van de actualiteit opgeladen of het kan uitdoven. En de term fascisme zit te zeer vast aan zwarte of bruine uniformen, vlaggen, dictatoriale allures, aan dingen, die historie zijn, om nog als zo'n focus-term dienst te doen, zoals imperialisme. Des te belangrijker is de taak van de historische wetenschap om het verschijnsel te analyseren, inzicht in de wordingsgeschiedenis te verschaffen. Toen J. A. Hobson in 1902 het moderne

imperialisme brandmerkte als een kwalijk uitvloeisel van de belangen van groot-kapitaal en industrie, gaf hij daarmee het startsignaal voor een aanval, die via marxistische denkers als Bauer, Rosa Luxemburg en Hilferding door. Lenin in zijn befaamde geschrift van 1916 werd overgenomen en sedertdien niet alleen maar wordt voortgezet op politiek en ideologisch gebied door alle anti-kapitalistische staten, maar die een zo grote omvang en diepgang heeft bereikt, dat elke historicus, onverschillig wat zijn signatuur is, vandaag hierbij een heel eind mee gaat. Was voor Hobson echter het imperialisme nog meer een vergissing geweest, de verderfelijke politiek van een kleine egoïstische kliek, die in wezen in strijd was met het nationale belang en de nationale welvaart, Rosa Luxemburg, Hilferding en Lenin zagen het als een natuurlijk uitvloeisel van het kapitalisme en als een noodzakelijke fase in zijn ontwikkeling. Dat impliceerde dus — en het is sedert Lenin een vast bestanddeel van de marxistische theorie geworden — dat een kapitalistische staat op een gegeven moment imperialistisch moet worden, tenzij dit door bijzondere externe factoren wordt belet. Het impliceerde uiteraard omgekeerd, dat een socialistisch land geen imperialisme kon bedrijven. Ik zei al, dat geen enkele moderne historicus voorbij kan gaan aan de relatie tussen het imperialisme en de economische structuur van het Westen in de tweede helft van de vorige eeuw. Die relatie had Hobson 70 jaar geleden op zijn fragmentarische en simplistische wijze al getekend. Hobsons cijfers zijn al lang weerlegd, Hilferdings cijfers zijn weerlegd, Lenins cijfers zijn weerlegd, vele anderen, die met andere cijfers kwamen zijn weerlegd, in details, op centrale punten... de these als zodanig bleef overeind. Zij lijkt met cijfers niet te weerleggen, zij is niet kapot te krijgen evenmin als de «lang van Lerna, die twee koppen opstak, zodra men de ene had afgeslagen. Evenmin

weliswaar is zij met cijfers te bewijzen. Omdat zij in laatste instantie uitgaat van een interpretatie van menselijke en politieke drijfveren, die niet het resultaat maar de voorwaarde voor onderzoek vormt. Zoals elke tegen-these. In dit kader kunnen we daar natuurlijk niet verder op ingaan. Expansie als medicijn De machtspolitieke expansie na 1870 is een feit. Dat die expansie samenviel met een specifieke fase van de industrialisatie van de imperialistische mogendheden, een fase van groeistuipen, concurrentie, aanpassingsstoringen, depressies is ook een feit. Het treffende van Hobsons these is, dat hij in wezen een verband liet zien — tussen bepaalde industriële en financiële kringen in Engeland en de Engelse expansie — dat in de jaren '70 en '80 volstrekt geen geheim was. Noch in Engeland, noch later in Frankrijk of Duitsland. De vraag naar afzetmarkten, de behoefte aan kapitaalexport en tevens de wens om bepaalde goedkope grondstoffen te verwerven maakten koloniale expansie in die jaren voor tal van kringen aantrekkelijk. Men zag er de remedie in voor allerlei moeilijkheden in de industriële en fiscale sector. Maar men zag er ook de remedie in voor heel andere moeilijkheden. Ook dat is door detailvorsing aan het licht gekomen, voorzover het niet al bekend was: bovenal voor het sociale vraagstuk in het moederland. Dit „sociaal-imperialisme" wilde koloniale expansie om vooral de arbeidersklasse beter in de nationale samenleving te integreren en het algemene welvaartspeil te verhogen. Zowel bij „loe" Chamberlain, Cecil Rhodes en andere machtige vertegenwoordigers van de heersende elite, als bij de door sociale hervormings- en bekeringsijver gedreven Fabians, bij Shaw en de Webbs, speelde die gedachte een rol. Meer algemeen gesteld: rond de eeuwwisseling was koloniale expansie

voor velen niet alleen of in de eerste plaats een middel om de beurs te spekken, maar een medicijn ook voor de geestelijke en mentale noden, die de nieuwe materialistische Europese samenleving te zien gaf. Door het superioriteitsbesef, door de racistische „White-men's-burden" filosofie heen speelt paradoxaal genoeg dan ineens een soort heimwee naar pre-industriële tijden. De decadente Europeaan kan zich zelf hervinden, kan genezen te midden van primitieve volkeren in de rimboe! Kolonialisme dus ook als regeneratiemiddel voor de „verziekte" nationale gemeenschap. Het was stellig niet uitsluitend de grote economische depressie van 1873—96, de groeistuipen en groeistoringen in de zogenaamde trend-periode van het industrialisatieproces, die de Europese mogendheden het imperialistische pad op dreven. Het was een algemeen gevoel, dat de natie een crisis doormaakte, dat de natie als geestelijke eenheid ook bedreigd werd. We kunnen dat in Engeland constateren, maar ook in Frankrijk en in Duitsland. Nationalisme Vanwaar dat gevoel? Hier lopen de meningen weer sterk uiteen. Waren het de politieke verschuivingen in Europa zelf, het afbrokkelen van het systeem van Wenen? Waren het sociale spanningen, de angst voor een revolutionaire bijltjesdag, die de burgerij er toe brachten om in een nerveus chauvinisme een houvast te zoeken in een samenleving, die nieuwe oriëntatiepunten nodig had? De nieuwe conceptie van de natie, de nationale gemeenschap, die een pseudo-religieuze functie ging vervullen en die door racistische en vulgair-darwinistische theorieën het begrippenapparaat kreeg geleverd, maakte het moderne imperialisme legitiem. Koebner heeft in een interessante studie laten zien, hoe de term „imperialisme" juist

vervolg op pag. CS-5

Het moderne imperialisme: historici op zoek naar geboorte en sterfdatum

vervolg van pag. CS-1

vanuit die nieuwe nationalistische en jingoïstische geloofsijver zijn oude negatieve betekenis verloor. Oorspronkelijk immers, tot in de jaren '70 nog. betekende imperialisme niet zozeer expansie, laat staan expansie over zee, kolonisatie, maar het betekende bonapartisme, stral' centralisme, een rationeel autoritair bestuur, zoals van de eerste Napoleon. Bij Disraeli is die verbinding tussen dc imperialistische expansie en het nieuwe nationalisme, dat uit al die crisisgevoelens voortkwam, het duidelijkst. Men placht op zijn imperialisme wel eens het etiket „romantisch" te plakken. Maar ook voor Disraeli en zijn medestanders is de regeneratie en grootheid van de Britse natie en van het Britse ras dan weer niet los te denken van de materiële, de economische kanten. Zonder rijkdom geen macht. Elke poging om in die knoedel van drijfveren en impulsen, die achter de Europese expansie zat, orde te brengen, door enkele of zelfs één laatste, centrale hoofdimpuls eruit te lichten — zoals bijv. de economische, de drang naar afzetmarkten of kapitaalexport — schiet vandaag te kort. Tal van historici hebben daarom geprobeerd deze remisestelling, deze wat ( onvruchtbare „zowelals-ook" redenatie te overwinnen, door het imperialisme een gevolg te noemen van een veel groter complex, dat dan (in Lenins voetsporen overigens) als het kapitalistische stelsel wordt aangeduid, of, zoals bij de Duitser Wehler, het hele industrialisatieproces. Daarbij blijft de onderlinge causale relatie tussen puur economische, politieke, sociaal-psychologische en ideologische motieven verder in het midden. Al impliceren begrippen als kapitalisme en industrialisatie altijd en noodgedwongen, dat de economische structuur en de economische verhoudingen in hel maatschappelijk geheel sterk dominante factoren zijn. Informele economische interpretatie Toch zijn we er niet mee, hoe veel soepeler die benadering ook is. En dan laat ik nog de kwestie van imperialisme, bedreven door socialistische staten ter zijde. Want al kunnen we dan pas na 1870 van een snelle imperialistische expansie spreken, ik noemde niet toevallig de kolonisatie, die vanaf de 15e eeuw had plaats gevonden. Er waren al vóór 1870 en ook vóór 1850 structuren ontstaan, quasi-imperialistische verhoudingen, die hun eigen dynamiek ontwikkelden en die bovendien door de grote verschuivingen in Europa eveneens in een crisis kwamen te verkeren. Er zijn in de laatste jaren tal van studies verschenen over het zogenaamde informele imperialisme. Daarmee doelt men dan vooral op de zuiver economische penetratie zonder politieke overheersing, zoals die in het midden van de 19e eeuw door de Engelsen al werd bedreven en later d' or de Amerikanen, met name in Zuid-Amerika. Daarbij is aan het licht gekomen, dat in sommige gevallen die informele overheersing vooraf ging aan de formele, maar in vele gevallen, dat „formal" en „informal" imperialisme helemaal niet samenvielen. Maar waar het nu om gaat: ook die informele economische penetratie is ondenkbaar zonder de oudere koloniale bindingen en verhoudingen, die moeilijk een gevolg van de industrialisatie genoemd kunnen worden en evenmin van het kapitalisme, althans in zijn gerijpte vorm. Hier lagen al patronen, rudimenten, die door de dynamiek van de Europese industrialisatie en de maatschappijveranderingen in de vorige eeuw hoogstens werden veranderd en omgevormd op een wijze, die inderdaad van de industrialisatie niet meer los te denken is. Voor Joseph Schumpeter was het imperialisme. in tegenstelling tot de oudere marxisten, een pre-kapitalistisch, ja. in wezen een on-kapitalistisch fenomeen, iets van alle tijden, dat hoogstens telkens in andere gedaante optreedt. Om de juistheid of onjuistheid van Schumpeters opvatting te kunnen peilen zou in de eerste plaats dat preindustriële en zelfs pre-kapitalistische verleden nog veel uitvoeriger doorgelicht moete.. worden. Wa.it in de geschiedenis bestaan geen breuken. Alles wijst terug. Wie Europa wil leren kennen, moet naar Azië of Afrika gaan en wie de relatie kapitalismeimperialisme wil bestuderen zou wel eens best bij Salomo kunnen beginnen. Iets uitvoeriger weliswaar dan hier is gebeurd. H. W. VON DER DUNK. LITERATUUR: John A. Hobson: Imperialism (190:1) Otto Bauer: Die Natio>ialitatenfrage und die Sozialdemokratie (1902) Rosu Luxemburg: Die Akkumulation des Kapitals (1903) Rudolf Hilfèrding: Das Finanzkapital (1910). Lenin: Der Imperialismus als jüngate Etappe des Kapitalismus (Berlijn 1926) B. Semmel: Imperialism and Social Reform (Londen 1960) R. Koebner/H. D. Schmidt: Imperialism, the story and significance of a political word 18.'/0—1960 (Cambridge 1961,) J. Schumpeter: Zur Sociologie der Imperialismen (1919).

Koloniale gebieden van Europese landen in 1900

Koloniale gebieden van Europese landen in 1970

De polka in de balzaal van Buckingham Palace