Begrippenlijst Economie

Aandeelhoudersvergadering

Ook wel AVA: periodieke vergadering waarbij aandeelhouders de mogelijkheid hebben om zorgen of eisen uit te spreken naar de Raad van Bestuur.

Ook wel AVA (algemene vergadering van aandeelhouders) genoemd. Van bedrijven als Philips of Unilever kun je aandelen kopen. Daarmee word je voor een deel eigenaar van het bedrijf. Logischerwijs zou je dan ook voor een deel moeten kunnen bepalen wat voor keuzes een bedrijf maakt. In de dagelijkse praktijk zou dat onhoudbaar zijn: honderdduizenden aandeelhouders die beslissen of er wel of geen nieuw koffiezetapparaat in de pantry moet komen. Het dagelijkse bestuur is dan ook in handen van de directie. Bij de aandeelhoudersvergadering legt de directie aan de aandeelhouders verantwoording af over de grote lijnen, zoals de jaarrekening, en bespreken ze de belangrijke gebeurtenissen van het afgelopen jaar. De aandeelhoudersvergadering vindt minstens één keer per jaar plaats, op gezette tijden. Als er tijdens het jaar een crisis ontstaat en er dringend besluiten moeten worden genomen kan er een bijzondere aandeelhoudersvergadering worden georganiseerd, buiten de reguliere vergaderingen om (een BAVA). Een AVA is trouwens niet alleen een formeel ‘moetje’. Het aanstellen of ontslaan van directieleden kan alleen met instemming van een meerderheid bij de aandeelhoudersvergadering. Ook belangrijke financiële beslissingen, zoals het uitgeven van nieuwe aandelen of het bepalen van het salaris van topmannen, moet op de aandeelhoudersvergadering worden goedgekeurd.

Afboeking

Het verwerken van de waardevermindering van een bepaald bezit van een onderneming in de boekhouding.

Bij afboeken geeft een bedrijf aan dat zijn bezit (een bestelbus, computersysteem) minder waard is geworden. Stel: een hobbykok begint een cateringbedrijf. Daarvoor doet hij een investering, hij koopt een fornuis. Dat fornuis is bij de aankoop 5.000 euro waard, maar na vijf jaar zou hij hem nooit meer voor datzelfde bedrag kunnen verkopen. Om die vermindering van waarde in zijn boekhouding aan te geven moet hij bij de aankoop een inschatting maken van de waardedaling van het fornuis. Hij schat dat het fornuis na 4 jaar nog maar 1.000 euro waard is. Dat betekent dat het fornuis elk jaar met 1.000 euro in waarde daalt. Afboeken of afschrijven is het verwerken van deze waardedaling in de boekhouding.

Algoritme

Een serie instructies in computertaal, die door het combineren en analyseren van data zichzelf constant verbetert.

Voor de visueel ingestelde mensen hier een mooi filmpje. Een algoritme is een serie instructies in computertaal, geschreven door bijvoorbeeld Netflix of Google, maar ook gemeentes of verzekeringsbedrijven kunnen gebruikmaken van een algoritme. De instructies worden meestal volgens de constructie “als dit, dan dat” opgesteld. Bijvoorbeeld: als iemand Mean Girls heeft gekeken, raadt dan Clueless aan. Als je klikt, telt dat als succes, maar haak je na vijf minuten af, dan is er toch iets niet goed gegaan. Algoritmes werken nooit op basis van het gedrag van één persoon. Door online klik-, zoek- of kijkgedrag van heel veel mensen te combineren probeert een algoritme zichzelf steeds beter te laten functioneren. Met die “als dit, dan dat” constructie kunnen ze niet alleen de juiste suggesties voor films doen, maar ook data analyseren om voorspellingen te maken. Voorbeelden vind je in deze serie.

Bankrun

Een situatie waarbij rekeninghouders hun (spaar)geld massaal van de bank halen, zodat een bank geen geld meer uit kan keren.

Bij een bankrun zijn mensen bang dat ze hun (spaar)geld kwijtraken, en besluiten rekeninghouders massaal om hun geld op te nemen. Dit zie je wel eens gebeuren als een bank acuut in de problemen raakt en failliet dreigt te gaan: lange rijen voor de pinautomaten. Een bank heeft het geld dat mensen op hun (spaar)rekening hebben staan nooit allemaal in kas. Ze beleggen ermee, en zo verdienen ze er geld aan. Als alle rekeninghouders, of een groot deel daarvan, tegelijk wil gaan opnemen raakt een bank in liquiditeitsproblemen: ze kunnen het geld dat mensen op willen nemen of naar een andere bank willen verplaatsen niet uitkeren.

Bbp

De totale winst van goederen en diensten die in een bepaalde periode (meestal een jaar) in een land zijn geproduceerd.

Het bruto binnenlands product. Je komt dit begrip vaak tegen als iemand uit wil drukken hoe het staat met de economie van een bepaald land. Het bbp bestaat uit de totale winst over alle goederen (stoelen, hamburgers, het ontwerp voor een zelfrijdende grasmaaier) en diensten (massages, belastingadvies, relatietherapie) die in een jaar in een land zijn geproduceerd. Van bedrijven, maar ook van de overheid. Er wordt de laatste jaren veel gediscussieerd over het gebruik van het bbp als meetlat voor de economie. Een groei van het bbp wordt gezien als een groei van de welvaart, maar factoren als het milieu of gezondheid worden niet meegenomen. Maar ook de toenemende globalisering maken het steeds ingewikkelder om het bbp te berekenen. Het ontwerp van de iPhone is in de Verenigde Staten gemaakt, maar de rechten ervan zijn weer in een ander land ondergebracht, omdat dat belastingtechnisch slimmer is. Welk land kan de winst over iPhones dan claimen? Lees er hier meer over.

Beurswaarde

De totale waarde van alle uitstaande aandelen van een beursgenoteerde onderneming

In het Engels kom je dit begrip vaak tegen als market cap, in het Nederlands wordt het soms marktkapitalisatie genoemd. De beurswaarde van een bedrijf kun je berekenen door alle uitstaande aandelen op een denkbeeldige hoop te gooien en de waarde van al die aandelen bij elkaar op te tellen. Uitstaande aandelen zijn hierbij simpelweg alle aandelen die te koop staan of die al door publieke aandeelhouders zijn gekocht. Als je een bedrijf in honderd aandelen zou verdelen, komen die honderd aandelen bijna nooit allemaal op de beurs terecht. Bedrijven houden altijd aandelen in hun eigen zak. Belangrijk om je achterhoofd te houden is dat de beurswaarde niets hoeft te zeggen over de werkelijke waarde van een bedrijf. Het zegt iets over hoeveel mensen bereid zijn te betalen voor een aandeel in dat bedrijf, dus de verwachtingen die ze van een bedrijf hebben. De beurswaarde van een bedrijf als Tesla kan hoog zijn terwijl zo’n bedrijf in werkelijkheid nog nooit winst gemaakt heeft.

Blockchain

Een openbaar onlineregister van transacties dat door een netwerk van gebruikers wordt gecontroleerd

Een blockchain is een openbaar onlineregister van transacties, met als bekendste voorbeeld de digitale munteenheid bitcoin. Het belangrijkste kenmerk van een blockchain is dat de transacties niet worden gecontroleerd door een centrale instantie, zoals een bank, maar door een netwerk van andere blockchaingebruikers. Er kan alleen iets aan het netwerk worden toegevoegd als het netwerk van de gebruikers er in meerderheid mee instemt. Dat maakt het systeem veilig en transparant: het hele netwerk kan transacties bekijken en controleren, in plaats van dat die macht bij één iemand ligt. Bovendien zijn transacties niet terug te draaien of te wissen, zodat er altijd een compleet overzicht van historische transacties is. De recente hype rond blockchains is ontstaan omdat veel bedrijven werken aan manieren om blockchains te gebruiken voor het vastleggen van andersoortige transacties. Zo zijn er experimenten met de registratie van grondeigendom in landen waar dit soort zaken vaak niet centraal geregistreerd staan. Voor de visueel ingestelde mensen: dit filmpje geeft een aardig beeld.

Cao

Collectieve arbeidsovereenkomst: afspraken over onder andere salaris en werktijden die bindend zijn voor de hele sector

Collectieve arbeidsovereenkomst. Vakbonden lijken doorlopend te strijden voor een ‘beter cao’, maar wat is het nou precies? In een cao staan afspraken over onder andere salaris, vakantiedagen en werktijden. Het cao wordt in overleg tussen werkgevers en werknemers (vaak vertegenwoordigd door de vakbond) voor een hele bedrijfstak opgesteld. In principe staan veel van die afspraken ook in de wet (denk aan wettelijk minimumloon), maar een cao is meestal gunstiger voor de werknemer. Bovendien staan er vaak aanvullende afspraken in, zoals over scholing. Als een cao is ondertekend door de minister geldt hij voor iedere werknemer in de sector, ook als ze niet bij de vakbond zijn aangesloten. Een salaris dat cao-conform is wil dus eigenlijk alleen zeggen: ‘dit salaris voldoet aan de wettelijke voorwaarden’.

CFO

Financieel directeur, heeft eindverantwoordelijkheid over onder andere geldstromen, boekhouding en het analyseren van externe (financiële) risico’s van een bedrijf

Chief financial officer, in het Nederlands: financiële topman, financieel directeur. CFO’s vind je met name in grote (internationale) bedrijven, meestal geflankeerd door nog drie andere chiefs. De CEO, chief executive officer, staat als bestuursvoorzitter of algemeen directeur aan het hoofd van het bedrijf. De COO, chief operating officer, heeft de verantwoordelijkheid over de dagelijkse gang van zaken binnen het bedrijf. Dan heb je vaak ook nog de CIO, chief information officer, verantwoordelijk voor alle computersystemen (IT). De CFO bekommert zich kort gezegd om het geld. De financiële afdelingen binnen een bedrijf (administratie, accountants, belastingadviseurs) rapporteren aan de CFO. De CFO laat externe risico’s in kaart brengen, controleert de geldstromen binnen het bedrijf. Daarbij vertegenwoordigt de CFO de financiële belangen van het bedrijf bij vergaderingen met de andere chiefs, managers of andere organisaties.

Curator

Beheert de financiën van een bedrijf dat failliet is verklaard.

Een curator wordt door de rechter aangesteld als een bedrijf failliet is verklaard. De problemen zijn dan zo ernstig dat de rechter van mening is dat het bedrijf zelf niet in staat is ze op te lossen. Een curator krijgt dan de macht om alle financiën te beheren en te beslissen wat er mee moet gebeuren. In het bedrijfsleven krijgt de curator bij een faillissement de volledige macht over het resterende vermogen van het bedrijf. Het resterende vermogen kan bestaan uit een bedrijfspand, apparatuur of een voorraad. Door dit te verkopen kan de curator de schuldeisers (leveranciers, aandeelhouders, klanten) vaak een deel van hun verloren geld teruggeven.

Dekkingsgraad

Geeft aan in hoeverre pensioenfondsen het geld in kas hebben dat ze in de toekomst nodig hebben om alle aangesloten pensioengerechtigden uit te kunnen betalen

Dit begrip is onlosmakelijk verbonden met ons pensioenstelsel. Tijdens je werkende leven draag je verplicht een deel van je salaris af aan een pensioenfonds: pensioenpremie. Het pensioenfonds gebruikt het grootste deel van de binnenkomende premies om de pensioenen uit te keren. Dat geld gaat dus naar de gepensioneerden die bij het fonds zijn aangesloten. Een deel van de premies wordt opzij gezet om te investeren. Die investeringen moeten ervoor zorgen dat er op termijn meer geld in de pot komt. Pensioenfondsen moeten goed vooruit kijken: voor hoeveel mensen moeten we over 25 jaar het pensioen kunnen betalen? Daarvoor worden schattingen gemaakt. De dekkingsgraad geeft aan in hoeverre pensioenfondsen met het geld dat ze nu in de pot hebben, dus het geld dat ze niet opzij hebben gezet om te investeren, in de toekomst de pensioenen kunnen betalen. Met een dekkingsgraad van honderd procent heeft een pensioenfonds precies genoeg vermogen om uit te keren, als de schatting voor de toekomst precies klopt. Daarom moeten pensioenfondsen zorgen dat hun dekkingsgraad altijd iets hoger is.

Dividend

Een uitkering van (een deel van de) winst die een bedrijf heeft gemaakt aan haar aandeelhouders.

Je hebt wat aandelen in Philips, en die maken een geweldige elektrische tandenborstel. Revolutionair. Er worden er veel van verkocht, dus dikke winst voor Philips. Ze kunnen er voor kiezen om dat geld te gebruiken om onderzoek te doen naar een nóg betere tandenborstel, of een opvouwbare tv. Dan investeren ze de winst opnieuw in het bedrijf. Soms kiest een bedrijf er ook voor om de aandeelhouders een extraatje te geven. Dat heet dividend, een winstuitkering voor de aandeelhouders. Dividend kun je op twee manieren uitkeren: cash, in geld dus, of als een stockdividend. In dat tweede geval krijgt de aandeelhouder meer aandelen in het bedrijf. Dit is mogelijk omdat een bedrijf bijna nooit alle aandelen ‘uit heeft staan’, er is altijd een reserve die nog niet op de beurs wordt verhandeld. Een veelvoorkomende vorm van dividend is de payout ratio, een vastgesteld percentage van de winst die elk jaar wordt uitgekeerd. Maar een bedrijf kan ook elk jaar opnieuw bekijken of ze het verstandig vinden dividend uit te keren. De uitbetaling moet trouwens door de aandeelhouders zelf worden goedgekeurd. De hoogte van het bedrag, en of het in cash of stock wordt uitgekeerd, wordt door de directie bepaald.

Douanerechten

Belastingen op goederen en diensten die een land worden in- of uitgevoerd

Italië heeft een wereldberoemde schoenenindustrie. Maar in Azië kunnen ze tegenwoordig veel goedkoper produceren. Met die lage prijzen valt door Italiaanse schoenmakers moeilijk te concurreren, alleen al omdat ze hun werknemers hogere lonen moeten betalen. Om de Italiaanse schoenenindustrie te beschermen kan zo’n land ervoor kiezen om douanerechten in te voeren. Douanerechten zijn belastingen die gelden voor goederen die je in- of uitvoert. Invoerheffing, of invoerrechten, zijn daar de bekendste van. Bedrijven of consumenten die schoenen uit Azië importeren moeten extra belasting betalen, zodat het prijsverschil met de schoenen uit Italië kleiner wordt. Uitvoerheffingen komen niet zo vaak voor, maar kunnen worden ingesteld als een overheid wil ontmoedigen dat bepaalde producten naar een bepaald land worden geëxporteerd. Zoiets gebeurt wel eens als onderdeel van ‘economische sancties’, naar aanleiding van een politiek conflict.

Flitsfaillissement

Een faillissement waarbij een plan voor de doorstart al op tafel ligt als het faillissement wordt aangevraagd

De officiële term voor een flitsfaillissement is pre-pack, een afkorting van ‘pre-packaged deal’. Het fenomeen is overgewaaid uit het Verenigd Koninkrijk. Bij een flitsfaillissement vraagt een bedrijf faillissement aan bij de rechter, maar ligt er direct al een plan voor een doorstart op tafel. De rechter kan er dan voor kiezen om het faillissement ‘in stilte’ af te handelen. Dat betekent dat er geen openbaar bericht uitgaat dat een bedrijf failliet is. De bedoeling daarvan is dat investeerders, leveranciers en andere belanghebbenden niet nerveus worden en weglopen, zodat een doorstart geen optie meer is. Vaak draait het bedrijf bijna zonder ophouden door, al dan niet in afgeslankte vorm. Kritiek op deze constructie is dat bedrijven een flitsfaillissement of pre-pack zouden gebruiken om personeel te ‘dumpen’. Bij een faillissement mag een werkgever contracten direct ontbinden en heeft het personeel geen recht op een ontslagvergoeding.

Fiscalist versus accountant

Een fiscalist is gespecialiseerd in belastingrecht, een accountant controleert de boekhouding

Een fiscalist is iemand die bedrijven adviseert op het gebied van fiscaal recht, ofwel: alle wetgeving die te maken heeft met belasting. Zo iemand wordt daarom ook vaak belastingadviseur genoemd. Een accountant heeft als belangrijkste taak het controleren van de boekhouding. Grote bedrijven moeten verplicht een jaarverslag publiceren. Dit jaarverslag moet worden gecontroleerd door een accountant, die er zijn of haar handtekening onder moet zetten. Zo’n accountant heeft er zelf belang bij dat zo’n jaarverslag in orde is, omdat anders zijn of haar reputatie wordt aangetast. Het verschil tussen de accountant en de fiscalist is dus vooral het werkgebied: de accountant controleert de boekhouding, de fiscalist adviseert op het gebied van belastingrecht.

Flexibilisering

Bij flexibilisering neemt het aantal vaste contracten bij een bedrijf af in verhouding tot het aantal tijdelijke contracten
Dit begrip kom je bijna altijd tegen in de context van de arbeidsmarkt. Bij flexibilisering van de arbeidsmarkt neemt het aantal vaste contracten af. Daarvoor in de plaats komen constructies met tijdelijke contracten, ZZP’ers of flexwerkers. Flexwerkers hebben in tegenstelling tot ZZP’ers wel een contract, maar soms niet met een vast aantal uren per week. Ze kunnen worden ‘ingevlogen’ wanneer ze nodig zijn. Dit soort contracten worden meestal voor een korte periode opgesteld, bijvoorbeeld voor een half jaar. Met dit soort contracten hangt ook het begrip ‘flexibele schil’ samen. De flexibele schil van een bedrijf geeft de verhouding aan van het aantal flexcontracten ten opzichte van vaste werknemers. Bij een flexibele schil van 30 procent heeft 30 procent van de medewerkers een flexcontract, tegenover 70 procent vaste werknemers.

Handelstekort

Bij een handelstekort importeert een land voor een groter bedrag dan dat ze exporteren, bij een handelsoverschot is dit andersom

Dit begrip hangt samen met de handelsbalans: het evenwicht tussen de import en export van een land. De import en export wordt gemeten in geldwaarde: voor hoeveel euro wordt er elk jaar geïmporteerd en geëxporteerd. Er kan sprake zijn van een handelsoverschot of een handelstekort. Bij een handelstekort importeert een land meer goederen dan dat ze goederen exporteren. Ook diensten vallen onder de handelsbalans. Denk bijvoorbeeld aan onze belastingadviseurs of deskundigen op het gebied van het bouwen van dijken, die overal ter wereld diensten leveren.

Verwar de handelsbalans trouwens niet met de boekhoudkundige balans, waar inkomsten en uitgaven altijd gelijk aan elkaar moeten zijn. Landen streven over het algemeen naar een handelsoverschot: zo laat je zien dat je economie goed draait, er zijn hier spullen in overvloed. Een handelstekort hoeft op de korte termijn geen probleem te zijn. Soms importeert een land veel om te kunnen investeren in de eigen economie (kennis invliegen, machines bouwen). Dat betaalt zich op de lange termijn weer uit.

Hedgefonds

Een groot beleggingsfonds dat met verschillende technieken risico’s op de beurs tegen elkaar probeert af te dekken, vaak door in te spelen op koersstijgingen en -dalingen

Hedgen is een economische term voor het afdekken of beperken van economische risico’s. Stel: je verkoopt chocoladebananen op de markt. De prijs van bananen vormt een belangrijk risico voor je bedrijf. Als bananen plots heel duur worden, is dat slecht voor je zaken. Om je in te dekken tegen dat risico kun je met de bananenboer een contract opstellen. Je belooft dat je over een maand honderd kilo bananen afneemt, voor één euro per kilo. Nu zijn er twee opties: bananen worden duurder (fijn, jij hebt je lage prijs) of bananen worden minder waard (balen, je betaalt te veel). In dat laatste geval wil je van je contract af. Ook daarvoor is een oplossing. Bij het afsluiten van het contract heb je afgesproken dat je het contract mag verbreken, als je een vooraf vastgestelde toeslag betaalt. Je betaalt de toeslag, maar koopt je bananen goedkoper in. Per saldo ben je er dus niet veel slechter van geworden. Je hebt jezelf gehedged tegen het prijsrisico van bananen. Hedgefondsen verkopen geen chocoladebananen, maar beleggen op de beurs. Omdat ze hele grote fondsen beheren kunnen ze hun geld zo spreiden dat het risico op verlies in de ene belegging altijd wordt gedekt door winst bij een andere belegging. Dit doen ze op talrijke, vaak extreem gecompliceerde manieren. Door de manier waarop hedgefondsen beleggen kunnen ze vaak profiteren van een negatieve gebeurtenis op de beurs, bijvoorbeeld een koers die sterk omlaag gaat. Dat, in combinatie met de grootte van de fondsen die ze beheren, zorgt vaak voor kritiek. Hedgefondsen zouden met hun beleggingen de markt negatief kunnen beïnvloeden.

Hypotheekrenteaftrek

Een maatregel die het kopen van huizen moet aanmoedigen, omdat de rente van de hypotheek afgetrokken mag worden van het belastbaar inkomen

Wie een huis wil kopen sluit (bijna altijd) een hypotheek af. Een hypotheek is een lening, en net als bij andere leningen wil de bank zekerheid dat jij het geld terug kunt betalen. Bij een hypotheek is er sprake van een onderpand, meestal een huis, waar de bank beslag op kan leggen. De bank kan het huis verkopen en zo alsnog je schuld terugvorderen, mocht het zover komen. Naast zekerheid wil een bank ook wat verdienen aan de lening, een vergoeding voor de geleverde dienst. Dat is de hypotheekrente: een percentage dat jij bovenop de hoogte van je lening moet betalen. Hoe hoog die rente is hangt af van verschillende factoren. Een voorbeeld: als je een vast inkomen hebt, met een goed vooruitzicht, krijgt de bank een sterkere garantie dat jij elke maand netjes betaalt. Dus is je rente lager. ZZP’ers hebben die garantie niet, daarom betalen ze vaak meer. Wat voor huis je koopt speelt ook mee: is de waarde van het huis in de toekomst goed te voorspellen, of gaat hij sterk op en neer? Hypotheekrenteaftrek is in het leven geroepen om mensen te stimuleren een huis te kopen. Hierbij kun je het bedrag dat je aan rente over je hypotheek moet betalen aftrekken van je inkomen. Dan betaal je dus minder belasting, omdat het inkomen waar belasting op geheven wordt lager is.

Inflatie

Geld wordt minder waard (inflatie) of meer waard (deflatie). Bij stagflatie wordt geld minder waard terwijl het besteedbaar inkomen daalt.

Bij inflatie wordt je geld minder waard. Je koopt dezelfde spullen of diensten voor meer geld dan voorheen. Meestal wordt inflatie uitgedrukt als een percentage: hoeveel de gemiddelde prijs van alle goederen of diensten in een land omhoog is gegaan ten opzichte van het jaar daarvoor. Ernstige inflatie kan bijvoorbeeld ontstaan door oorlog, als levensmiddelen schaars worden. Een béétje inflatie is in de huidige economie heel normaal en zelfs wenselijk, omdat mensen gestimuleerd worden om hun geld uit te geven in plaats van op te potten. Zo heeft de Europese Centrale Bank het liefst dat de inflatie ergens rond de 2 procent ligt. Deflatie is precies het omgekeerde van inflatie: geld wordt meer waard. Maar (staats)schulden dus ook. Mensen laten het geld op de bank staan, want over een tijdje kunnen ze er nog meer voor kopen. Dat heeft de overheid liever niet. Stagflatie betekent niet dat geld evenveel waard blijft: bij stagflatie is er sprake van hoge inflatie terwijl mensen minder te besteden hebben, bijvoorbeeld omdat de werkloosheid hoog is. Er wordt minder gekocht, waardoor bedrijven het moeilijker krijgen. En dat is weer slecht voor de economie.

Douane-unie

Een overeenkomst tussen landen waarbij de economische grenzen (bijna) verdwijnen: geld, mensen en/of goederen kunnen zich vrij verplaatsen.

Bij een vrijhandelsverdrag spreken twee (of meer) landen onderling af geen belasting te heffen op goederen of diensten die van het ene naar het andere land gaan. Als je een kast in Duitsland koopt hoef je in Nederland geen belasting te betalen, zoals invoerheffing. Op die manier wordt het uitwisselen van goederen en diensten tussen landen makkelijker. Bij een interne markt of douane-unie (die twee begrippen betekenen ongeveer hetzelfde) bestaan deze afspraken ook, maar zijn ze uitgebreider. Op economisch gebied lijken de grenzen tussen landen binnen zo’n unie bijna te zijn verdwenen: bedrijven, mensen en geld kunnen zich vrij van het ene naar het andere land verplaatsen. De Europese interne markt (EER, Economische Europese Ruimte) is de grootste interne markt ter wereld. Deze markt bestaat uit alle landen van de EU, plus IJsland, Liechtenstein en Noorwegen (maar zonder Zwitserland).

Kasstroom

Het verschil tussen de inkomsten en uitgaven van een bedrijf voor een bepaalde periode

Misschien wel bekender in het Engels: cash flow. De kasstroom geeft het verschil aan tussen geld dat binnenkomt en geld dat wordt uitgegeven, in een bepaalde periode. Dat lijkt op winst, maar is in de praktijk iets anders. Een bedrijf dat machines voor ziekenhuizen bouwt krijgt een bestelling voor twintig apparaten. Ze maken kosten om de machines te bouwen en verdienen geld met de verkoop. Het verschil daartussen is de winst. Maar dat geld komt niet precies binnen op het moment dat de uitgaven voor de productie worden gedaan. Vaak moet een bedrijf er een tijdje op wachten. Soms worden dingen op afbetaling gekocht, dan duurt het nog langer. In die tijd maakt een bedrijf dus volgens de boekjes winst, maar krijgt het geen geld in de kas. Dát is de kasstroom, die negatief kan zijn als er meer geld uitgaat dan dat er binnenkomt. De kasstroom zegt dus iets over de financiële toestand van een bedrijf.

Kapitaalmarkt

De denkbeeldige marktplaats waarop alle lang- en kortlopende geldproducten (leningen, aandelen, obligatie) worden verhandeld

“Netflix haalt 1,6 miljard dollar op op de kapitaalmarkt”. Wat is de kapitaalmarkt? Het is beter om te beginnen bij de vermogensmarkt. Je kunt handelen met geld, maar ook handelen ín geld. Zoals banken bijvoorbeeld doen, die geld verdienen met het verstrekken van leningen en het doen van investeringen. De vermogensmarkt is de denkbeeldige marktplaats waarop al het geld in de wereld wordt verhandeld. Het betaalmiddel op die markt is rente. Denk maar aan een lening bij de bank. Je koopt geld, omdat je niet alleen aan het einde van de looptijd het geldbedrag hebt terugbetaald, maar ook nog elke maand rente betaalt. De vermogensmarkt bestaat uit twee delen: de kapitaalmarkt en de geldmarkt. Bij de kapitaalmarkt worden alle langlopende geldproducten (bijvoorbeeld aandelen en obligaties) verhandeld, op de geldmarkt alles met een looptijd tot twee jaar.

Kunstmatige intelligentie

Een verzamelnaam voor computertechnieken die zelfstandig patronen kunnen ontdekken en deze patronen gebruiken om zichzelf te verbeteren

In het Engels: Artificial Intelligence (AI). AI is een verzamelnaam voor verschillende computertechnieken, waaronder deep learning en machine learning. Met behulp van deze technieken kunnen computersystemen zelfstandig patronen ontdekken in data, en gebruiken ze die patronen om zichzelf te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan een fotoprogramma dat automatisch gezichten ‘herkent’ aan de hand van je vriendenlijst op Facebook, of Google Translate. Hoe meer feedback die programma’s krijgen (hebben ze het juiste gezicht of de juiste vertaling gekozen), hoe meer datapunten ze kunnen gebruiken om in de toekomst betere inschattingen te maken.

Monopolie

Een bedrijf of organisatie die als enige een bepaald product of een bepaalde dienst kan aanbieden en daardoor vrij is om zijn eigen prijs te bepalen.

Bij een monopolie kun je voor een bepaald product of een bepaalde dienst maar bij één bedrijf of organisatie terecht. Denk bijvoorbeeld aan je paspoort: die kun je alleen bij de overheid aanvragen. In principe zou de overheid daarvoor een belachelijk hoge prijs kunnen rekenen, omdat er geen concurrent is die het goedkoper kan doen. Een zuiver monopolie als de overheid heeft op paspoorten komt in de praktijk bijna nooit voor. In een vrije markt kan een bedrijf een nieuw product ontwikkelen en daarvoor de hoofdprijs vragen, maar binnen de kortste keren staan er concurrenten op de stoep die het goedkoper kunnen, en de prijs omlaag gaat. Er zijn wel enkele voorbeelden van bedrijven die aardig in de buurt komen van een zuiver monopolie, zoals Microsoft. Zij hebben zo’n sterke positie in besturingssystemen (met name voor organisaties en bedrijven) dat je er bijna niet omheen kunt om hun pakketten af te nemen, ook omdat het uitwisselen van bestanden met bedrijven die wél Microsoft gebruiken problematisch wordt. In Europa probeert de overheid door middel van wetgeving en boetes te voorkomen dat een bedrijf een monopoliepositie krijgt.

Brutowinst

De brutowinst is de omzet min de productiekosten, bij het bedrijfsresultaat gaan daar nog de afschrijvingskosten af, en de nettowinst is het uiteindelijke bedrag dat na aftrek van alle kostenposten overblijft.

Wederom klassieke economische begrippen, maar hoe verhouden ze zich tot elkaar? Belangrijk is om te onthouden dat bruto wijst op een ‘ruw’ bedrag. Er moeten nog belastingen, rentes of kortingen worden verrekend. Stel: je hebt een stoelenfabriek. Om de brutowinst te berekenen kijk je wat de omzet is (het aantal stoelen dat je verkocht hebt, keer de verkoopprijs). Daar haal je de productiekosten vanaf (hout, machines, schuurpapier, etc.). Deze brutowinst is een vrij grove schatting van de werkelijke winst. Een stapje secuurder is het bedrijfsresultaat. Daarbij verreken je ook de kosten van afschrijvingen. Daarbij moet je denken aan de kosten van een schuurmachine of een bestelbusje: investeringen die je eens in de zoveel jaar doet (kijk vooral even bij de uitleg van afboeken). Nóg secuurder is de nettowinst. In de nettowinst is onder andere verrekend hoeveel geld een bedrijf heeft gekregen of verloren door beleggingen. En bij de nettowinst worden ook de belastingen verrekend. De nettowinst is dus het bedrag dat overblijft als echt alle kostenposten meegenomen zijn. Daarom wordt er ook vaak gesproken het bedrag dat een bedrijf onder de streep overhoudt.

Netwerkeffect

De waarde van een product of dienst wordt bepaald door de hoeveelheid mensen die het gebruiken

Wat kun je met de allereerste telefoon op de wereld? Niks, want als er verder niemand een telefoon heeft, kun je niemand bellen. Dit is het netwerkeffect: sommige producten zijn vooral iets waard als veel mensen er gebruik van maken. Denk aan Telegram: een app met de grote belofte van veilig communiceren, maar toch gebruiken de meeste mensen Whatsapp. Want daarmee kun je de meeste mensen bereiken. Een netwerkeffect zie je vaak bij moderne techbedrijven: Google, Uber, AirBnB, en zorgt ervoor dat er vaak monopolies ontstaan in deze markten.

Obligatie

Het vrij verhandelbare eigenaarschap van een deel van een lening aan een bedrijf of overheid, met recht op ontvangst van de rente

Bij een aandeel koop je een stukje van een bedrijf. Bij een obligatie koop je een stukje van een lening. Dat kan een lening voor een bedrijf zijn, maar bijvoorbeeld ook een overheid. Bij het kopen van een obligatie wordt vastgelegd met welke termijn de lening wordt terugbetaald en met hoeveel rente. Met die rente verdien je je geld. Je krijgt in vaste periodes vaste bedragen uitgekeerd, coupons noemen ze dat. Die rente kan per jaar stijgen of dalen. Aan het einde van de rit krijg je al je ingelegde geld weer terug, tenminste, als het bedrijf niet failliet is. Obligaties worden over het algemeen gezien als een iets veiligere belegging dan aandelen, omdat de waarde van een obligatie minder snel naar beneden (maar dus ook naar boven) gaat. Aan een obligatie zit je niet de hele looptijd van de lening vast, je kunt ze tussentijds verhandelen.

Overnamepremie

Het bedrag dat boven de werkelijke waarde van een bedrijf wordt betaald om het over te kunnen nemen

Je broer heeft een kast die je graag wil hebben. De waarde van de kast is honderd euro, maar je broer is zelf nog best tevreden over het ding en wil hem niet verkopen. Dus zeg je: ik geef je er 150 euro voor. Die vijftig euro die je meer betaalt dan de echte waarde van de kast is de overnamepremie. Het kan ook de andere kant op: je broer wil dolgraag van de kast af, maar jij hebt niet zoveel zin om ermee te sjouwen. Dus zegt hij: je mag hem wel voor vijftig euro overnemen. Dan heb je een overnamekorting, of discount, van vijftig euro. Hetzelfde principe kun je toepassen op bedrijven: bij het overnemen van een bedrijf bepalen taxateurs wat de waarde van het bedrijf is. Afhankelijk van of de eigenaar wel of niet zin heeft om te verkopen, betaal je een overnamepremie of krijg je een korting.

Participatiewet

Bezuinigingsmaatregel die ervoor moet zorgen dat er op meer persoonlijk niveau gekeken wordt in hoeverre ontvangers van een uitkering toch geschikt zijn om (aangepast) aan het werk te gaan

Na de crisis moest er worden bezuinigd. Met die gedachtegang werd in 2015 de Participatiewet ingevoerd. Je kunt om verschillende redenen in aanmerking komen voor een (bijstands)uitkering als je niet in je eigen levensonderhoud kunt voorzien. Omdat je ontslagen bent, en nog geen nieuwe baan hebt kunnen vinden, of omdat je niet kunt werken omdat je ziek of gehandicapt bent. Met het invoeren van de Participatiewet moet de gemeente met jou, als ontvanger van de uitkering, gaan kijken wat je nog wél kunt. Misschien kun je wel tien uur per week licht administratief werk doen. In dat geval vervalt je uitkering niet helemaal, maar vult hij je salaris aan tot het ‘sociaal minimum’. Dat is een uniform bedrag dat jaarlijks door de overheid wordt vastgesteld, het bedrag dat iemand minimaal nodig heeft om van rond te kunnen komen. Maar de wet kan er ook voor zorgen dat de gemeente met je gaat kijken of er niet een opleiding is die je kunt volgen, waardoor je misschien in een ander werkgebied aan de slag kunt. In de kern zorgt de wet er dus vooral voor dat er op een meer individueel niveau wordt gekeken waar iemand recht op heeft, of wat iemand nodig heeft om weer aan de slag te gaan.

Private equity

De handel in aandelen van niet-beursgenoteerde bedrijven

Aandelen worden verhandeld op de beurs. Toch? Dat klopt, maar niet allemaal. Je kunt ook aandelen kopen in niet-beursgenoteerde bedrijven. Dat heet private equity. Vaak zijn dit bedrijven die nog in de startfase zitten. Ze hebben extra vermogen nodig om verder te kunnen groeien. Dit wordt ook wel venture capital, of durfkapitaal genoemd. Het zijn investeringen met een groot risico. De kans dat een jong bedrijf zijn belofte niet waar maakt en jouw aandelen niets opleveren, of zelfs helemaal niets meer waard zijn, is veel groter dan bij een gevestigd, beursgenoteerd bedrijf. Waarom zou je dan voor durfkapitaal kiezen? Omdat de opbrengsten ook heel erg groot kunnen zijn. Stel je voor dat je in de beginjaren van Google in het bedrijf had geïnvesteerd. Op dat moment waren de aandelen maar een fractie van wat ze nu waard zijn. Er zijn bedrijven die zich gespecialiseerd hebben in dit soort beleggingen. Om het grote risico een beetje in de hand te kunnen houden kopen private-equitybedrijven vaak een groot deel van de aandelen, of zelfs een meerderheid, op. Zo kunnen ze invloed uitoefenen op het beleid van een bedrijf.

Procentpunt

Het absolute verschil tussen twee procentuele waarden, bijvoorbeeld: een stijging van vijf naar zes procent is een stijging van één procentpunt

Een klassieker uit je economielessen. Wat is het verschil? In de economie wordt veel gerekend met percentages. Rente, bijvoorbeeld, is altijd een percentage. Even terug naar wat een procent ook alweer is: een procent is een honderdste deel. Bij een armband van 100 euro is één procent één euro. Maar een rentepercentage zetten we niet af tegen absolute getallen. De rente kan in het ene jaar twee procent zijn en in het andere drie. Voor iemand met een lening van 1000 euro is twee procent twintig euro, voor iemand met een lening van 10.000 euro is het tweehonderd euro. Het heeft geen zin om rentepercentages in absolute getallen uit te drukken, want die zijn voor iedereen anders. Alleen het percentage blijft gelijk. Dus gebruik je procentpunten: een stijging van twee naar drie procent is een stijging van één procentpunt. En een daling van tien naar vijf procent is een daling van vijf procentpunten.

Raad van Commissarissen

De (externe) commissie die toezicht houdt op de Raad van Bestuur

De Raad van Bestuur (RvB) staat helemaal bovenaan bij een organisatie of bedrijf. Zij nemen de belangrijkste beslissingen over de koers die een bedrijf vaart. Bij grote bedrijven wordt er vaak (verplicht) een Raad van Commissarissen (RvC) aangesteld die deze Raad van Bestuur controleert. De commissarissen doen dit vaak als parttime baan, zo’n twee of drie dagen in de maand. Meestal werken ze verder niet voor het bedrijf zelf, maar zijn ze wel gespecialiseerd in het vakgebied waarbinnen ze controleren. Bij een grote vereniging of stichting (een bedrijf dat geen winstoogmerk heeft), zoals een museum of een goed doel, wordt de RvC de Raad van Toezicht genoemd. De taken van de toezichthouders zijn vergelijkbaar met die van de commissarissen.

Rendement

Het rendement geeft aan hoeveel een bepaalde investering oplevert

Simpel gezegd: wat een investering oplevert. Als je dubbel glas in je huis laat zetten om te besparen op je stookkosten kun je berekenen wat het rendement is door op je energierekening te kijken. Bespaar je (binnen een bepaalde termijn) genoeg om de kosten van het dubbele glas eruit te halen? In de economie gaat rendement vaak over de opbrengst van een financiële investering. Je zet 1000 euro op een rekening, waar de bank mee gaat investeren. Aan het einde van het jaar staat er 1100 euro op, terwijl je er zelf geen geld aan hebt toegevoegd (of er iets van hebt afgehaald). Je rendement is dan tien procent, of 1,10. Zolang je een rendement boven het getal 1 hebt, is er positief rendement. Daaronder is je rendement negatief, en kost je investering meer geld dan dat hij oplevert.

Schijnzelfstandige

Een persoon die als zzp’er werkzaamheden verricht, terwijl hij of zij daar eigenlijk een contract voor aangeboden zou moeten krijgen

Een zelfstandige, of zzp’er (zelfstandige zonder personeel) werkt zonder contract voor een bedrijf. Een zelfstandige timmerman of tekstschrijver laat zich inhuren voor een klus, of een bepaalde periode, en stuurt na afloop een factuur. Het ‘zelfstandige’ hieraan is dat de timmerman of tekstschrijver géén contract heeft met de opdrachtgever en dus vrij is om een klus te weigeren of om daarnaast voor andere opdrachtgevers te werken. Je raadt het al: daar gaat het bij een schijnzelfstandige mis. Een schijnzelfstandige heeft de schijn van een zzp’er, dus werkt zonder contract, maar werkt met een verkapt dienstverband. De kok of tekstschrijver krijgt dan bepaalde verplichtingen, zoals op bepaalde dagen in de week vast moeten werken, of mag niet meer voor andere opdrachtgevers aan de slag. Schijnzelfstandigheid is vooral aantrekkelijk voor de werkgever. Een zzp’er heeft geen recht op vakantiedagen en verzekeringen. Een werkgever hoeft dus alleen het uurloon te betalen. Als een zzp’er ziek is komt die dag vrij op zijn of haar eigen rekening. Ook kun je een zzp’er zomaar ‘ontslaan’, er is namelijk geen contract.

Trustkantoor

Een bedrijf dat (buitenlandse) multinationals adviseert en ondersteunt bij het vinden van een zo gunstig mogelijk belastingklimaat

Het woord ‘brievenbusfirma’ heb je vast wel eens voorbij zien komen. Het is aantrekkelijk voor grote internationale bedrijven om een vestiging in Nederland hebben, omdat ze op die manier belasting kunnen ontwijken. Zo’n vestiging wordt een brievenbusfirma genoemd omdat de vestiging niet veel meer is dan een postvakje, een adres. Op papier is het bedrijf in Nederland gevestigd en dus kan het bedrijf gebruikmaken van Nederlandse belastingwetten. Een trustkantoor is een gebouw waarin dit soort firma’s zijn gevestigd. Maar een trustkantoor is meer dan alleen een fysiek pand. Om te zorgen dat de bedrijven efficiënt gebruik kunnen maken van belastingconstructies heeft een trustkantoor veel juristen en accountants in dienst die de bedrijven adviseren en die een strategie uitstippelen om de geldstromen te beheren.

Vijandige overname

Situatie waarin een externe partij een meerderheidsbelang in een beursgenoteerd bedrijf krijgt, tegen de wens van de Raad van Bestuur in

Bij een overname wordt bedrijf A gekocht door bedrijf B. Een bod is een voorstel daartoe. Let op: een overname is iets anders dan een fusie. Een fusie impliceert een zekere gelijkwaardigheid, waarbij twee bedrijven samengaan. Een vijandig bod of een vijandige overname kan alleen plaatsvinden bij bedrijven die beursgenoteerd zijn, oftewel: bedrijven met aandeelhouders. Zoals de term ‘vijandig’ impliceert wordt zo’n bod of overname niet gewaardeerd door het bestuur van het bedrijf dat wordt overgenomen. Een andere partij probeert het grootste gedeelte van de aandeelhouders over te halen hun aandelen aan hen te verkopen, bijvoorbeeld door ze een financieel aantrekkelijk bod te doen of door ze te overtuigen dat het bedrijf onder hun toezicht meer winst maakt. Beursgenoteerde bedrijven kunnen op verschillende manieren juridische beschermingsconstructies bouwen om zo’n overname te voorkomen. Zo’n constructie klinkt gunstig, maar niet iedereen is er blij mee. Het idee is dat de dreiging van een vijandige overname er voor moet zorgen dat het bestuur de belangen van aandeelhouders serieus neemt.

Wajong-uitkering

Een uitkering voor mensen die op jonge leeftijd ziek worden of een handicap krijgen, waardoor ze niet kunnen werken

De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, of korter: de Wajong, is een uitkering voor mensen die op jonge leeftijd ziek worden of een handicap krijgen waardoor ze niet kunnen werken. De uitkering is van toepassing op mensen die al arbeidsongeschikt zijn voor hun achttiende, en dat ook na hun achttiende blijven. Bij studenten kan die leeftijdsgrens iets verder opschuiven. Met een Wajonguitkering krijg je 75 procent van het wettelijk minimumloon, als je volledig afgekeurd bent. In sommige gevallen kan iemand een gedeelte werken, dan is de uitkering lager. Het wettelijk minimumloon wordt elk jaar opnieuw vastgesteld en is het bedrag dat iemand van boven de 22 jaar (die fulltime werkt) minimaal per maand moet verdienen in Nederland.

Winstmarge

Het verschil tussen de omzet en de winst van een bedrijf

De winstmarge geeft het verschil aan tussen omzet en winst. Simpel voorbeeld: een meubelmaker maakt elk jaar honderd keukenstoelen. Ze kosten honderd euro per stuk. Om te berekenen wat de omzet is vermenigvuldig je de afzet met de verkoopprijs. Als de meubelmaker ze allemaal verkoopt, is de omzet dus duizend euro. Dat betekent niet dat er duizend euro winst is gemaakt, want daar moeten eerst de productiekosten (hout, schuurmachine, verf) nog af. Als dat voor elke stoel twintig euro is, blijft 800 euro over. De winstmarge bereken je als percentage: hoeveel procent van de omzet blijft over als winst? In dit geval is dat 80 procent. Nu is dit voorbeeld erg simpel, omdat de meubelmaker geen personeel hoeft te betalen en we voor het gemak alle bijkomende kosten als huur en transport hebben weggelaten. We hebben de brutowinstmarge berekend. Bij grotere bedrijven, met meer gecompliceerde kostenposten, bereken je meestal de operationele winstmarge. Hierbij neem je alle kosten die een bedrijf in een heel jaar maakt, en zet je dat af tegen de omzet. Dan heb je als laatste nog de nettowinstmarge. Deze marge geldt voor beursgenoteerde bedrijven. Je kijkt hierbij naar de winst die overblijft voor de aandeelhouders.

Wisselkoers

Geeft aan wat de ene munt ten opzichte van de andere munt waard is

Een wisselkoers geeft aan wat de ene munt ten opzichte van de andere munt waard is. Als de euro op 1,20 (Amerikaanse) dollar staat, wil dat zeggen dat één euro 1,20 dollar waard is. Je zegt dan: de euro is sterker dan de dollar. Dat betekent dat een Europeaan in Amerika goedkoper kan shoppen (dan een Amerikaan). Een Europeaan die honderd dollar uitgeeft hoeft maar 83 euro om te wisselen. Het betekent niet dat alle spullen in Amerika per se goedkoper zijn. Een softijsje kost daar misschien twee dollar, terwijl je die bij de Hema voor vijftig eurocent kunt krijgen. Wel kun je zeggen dat een sterke euro importeren over het algemeen aantrekkelijker maakt. Hoe wordt de ene munt sterker dan de andere? Dat heeft, zoals met alle prijzen in de economie, vooral met vraag en aanbod te maken. Als veel landen Europese spullen of diensten kopen (dus als de export in Europa groot is), zijn er veel landen die euro’s nodig hebben. Dus wordt de euro meer waard. Een sterke munt wordt door economen over het algemeen gunstig gevonden, maar er zit wel een grens aan. Als de euro té sterk wordt, kun je Amerikaanse importeurs afstoten omdat ze te weinig waar voor hun dollars krijgen.

WW-uitkering

Een tijdelijke uitkering (maximaal twee jaar) van 70 procent van het laatstverdiende loon voor werknemers die hun baan kwijtraken

Als je je baan verliest heb je (soms) recht op een WW-uitkering (Werkloosheidswet). De WW is een tijdelijke werkloosheidsuitkering van maximaal twee jaar. De eerste drie maanden krijg je 75 procent van je laatstverdiende loon, daarna wordt dit 70 procent. Aan de uitkering zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet je minimaal een half jaar hebben gewerkt om in aanmerking te komen voor een uitkering van drie maanden. Hoe langer je hebt gewerkt, hoe langer je recht hebt op een uitkering (tot twee jaar). Daarbij mag je tijdens het ontvangen van de uitkering niet zomaar op de bank gaan zitten. Het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) verstrekt de uitkering, en controleert of je voldoende je best doet om nieuw werk te vinden. Zo heb je sollicitatieplicht: je moet een bepaald aantal keer per maand op een vacature reageren. In sommige gevallen kun je afspreken dat je een tijdje niet hoeft te solliciteren, bijvoorbeeld als je je laat omscholen of als je een eigen bedrijf opzet. De WW-regeling geldt overigens alleen voor mensen die onder contract hebben gewerkt. ZZP’ers vallen hier bijvoorbeeld niet onder. Als je niet in aanmerking komt voor de WW terwijl je geen werk kunt vinden (en ook niet arbeidsongeschikt bent door bijvoorbeeld ziekte of een handicap) kun je in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering. Die uitkeringen vallen onder de zorg van je gemeente en liggen meestal een stuk lager.