‛Why you’re so fat?’

Een zoektocht binnen de Ghanese gemeenschap

“Sascha, Mirjam and Joram are doing very important research about our Ghanaian community. They are also helping us to be aware of our health issues and problems. And that is why they want to talk to us. The telephone lines are open. Please call if you have questions.”

Hier zitten we dan. In een kleine studio in een kantoortje in de Bijlmer, met een koptelefoon op ons hoofd. Onze telefoonnummers worden meerdere malen omgeroepen. Op de Ghanese radio. En het enige dat we kunnen denken is: laat er in vredesnaam iemand bellen.

Obese Ghanezen

Dit verhaal gaat over Ghanezen in Amsterdam-Zuidoost, beter bekend als de Bijlmer. En over hun gewicht. Tachtig procent van hen is namelijk te zwaar, blijkt uit een onderzoek uit 2010. En 39 procent heeft obesitas.

Dit verhaal gaat ook over ons. Over drie beginnende journalisten uit Amsterdam, die gefascineerd raakten door deze cijfers. Die een beeld hadden bij de oorzaken: te weinig beweging, te veel eten, te weinig geld – maar ook niet meer wisten dan dat. Eigenlijk wisten we niet eens wat Ghanezen eten.

Obesitas onder Ghanezen in de Bijlmer – dat zou ons onderwerp worden voor ons onderzoeksproject. We hadden er tien weken voor. Hoe meer we erover spraken, hoe nieuwsgieriger we werden. Ghanezen bleken ongezonder dan andere inwoners van de Bijlmer. Suikerziekte komt drie keer zo vaak voor, een hoge bloeddruk bijna twee keer zo vaak.

En dat is gevaarlijk. Een hoge bloeddruk is de belangrijkste risicofactor voor hart- en vaatziekten. Een hoge bloedsuikerspiegel leidt tot ziektes of zelfs sterfte. Bij overgewicht is de kans op een beroerte of hartinfarct groter.

Al brainstormend bedachten we dat we op zoek zouden gaan naar een Ghanees gezin. We wilden het verhaal menselijk maken, zodat lezers zich het probleem en de situatie van Ghanezen konden invoelen. Het verhaal vertellen achter de cijfers. Als we een gezin gevonden hadden, zouden we er misschien wel een week intrekken, het avondeten filmen, de gymleraar en supermarkteigenaar interviewen. Het verhaal van het gezin zou in feite het verhaal zijn van de hele gemeenschap.

Ja, dat zouden we doen. Dat moest wel lukken in tien weken.

Laten we onszelf nog even voorstellen: Sascha (24), Mirjam (23) en Joram (24). We wonen alle drie in Amsterdam. Alle drie waren we nog nooit in de Bijlmer geweest, behalve dan die paar keer tijdens rijles, een bezoek aan Ajax of de Mediamarkt. En, oh ja, we zijn alle drie blank. En dun.

Er wonen 12.000 Ghanezen in Amsterdam, waarvan 9000 in de Bijlmer. Op papier dan: ze zeggen weleens dat je er voor elke drie Ghanezen met een paspoort, een vierde bij moet tellen zonder.

De meeste Ghanezen wonen in Amsterdam. Daarna in Den Haag. Dat komt door een gerucht dat ontstond in de gemeenschap: als je in Den Haag woont, en je hebt nette kleren aan, denkt iedereen dat je een diplomaat bent. Dan hoef je niet bang te zijn dat de politie op straat naar je papieren vraagt.

Driekwart van de Ghanezen in Amsterdam is laagopgeleid. En de meeste Ghanezen verdienen weinig. In 2010 verdiende een Ghanees in Amsterdam gemiddeld 20.300 euro per jaar – ruim 11.000 euro minder dan de gemiddelde Amsterdammer.

Ghanezen kwamen naar Nederland in twee fasen. Tussen 1974 en 1983, door de oliecrisis in Ghana, en na 1990, door droogte in Ghana, politieke instabiliteit en uitzetting van Ghanezen in Nigeria. Er zijn bijna geen Ghanezen ouder dan 65 in Nederland. Een derde van de populatie is zelfs onder de vijftien. Ruim tweederde van de Ghanezen in Nederland is in Ghana geboren.

Het merendeel van de Ghanezen woont in de Bijlmer. Foto Joram Bolle

Er is een aantal studies gedaan naar de Ghanese gemeenschap in Nederland en het probleem van overgewicht. De Heliusstudie, door GGD en AMC, is een van de jongste en wil in kaart brengen hoe en waarom de gezondheid van bevolkingsgroepen in Amsterdam van elkaar verschilt. Het onderzoek moet bijvoorbeeld uitwijzen waarom veel Ghanezen last hebben van diabetes en Turken en Marokkanen van astma. Het is een vervolg op de studie naar overgewicht onder de Ghanese gemeenschap.

Ons eerste telefoontje gaat daarom naar Helius. Maar de onderzoeker die we aan de telefoon krijgen, reageert kritisch op ons onderzoeksplan. Obesitas onder Ghanezen is een complexe zaak, zegt hij, waarbij sociale en culturele factoren een rol spelen. “We doen hier al tien jaar onderzoek naar. Dat lukt je niet zomaar even in tien weken.” Als we vertellen dat we op zoek gaan naar een Ghanees gezin, waarschuwt hij ons. “De Ghanese gemeenschap is heel gesloten. Benader hen voorzichtig.”

De sleutelfiguren

Ook Veronica van de Kamp zegt dat het lastig is om Ghanezen te vinden die willen praten. Als bekend Ghanees actrice en ambassadeur van Helius probeert zij ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk Ghanezen meedoen aan de studie. Ze omschrijft zichzelf als de Oprah van de Bijlmer.

Van de Kamp is getrouwd met een Nederlandse man. Maar haar kennis van het Nederlands is anders dan haar achternaam doet vermoeden. Aan de telefoon blijkt ze lastig verstaanbaar, ook al praten we Engels, zoals we vanaf nu altijd zullen doen. Pas na een paar herhalingen lijken we allebei overtuigd van dezelfde tijd en plaats om af te spreken.

Van de Kamp is een verzorgde vrouw: gestifte lippen, hevige parfumwalm, een pruik met een volle bos krullen. Ze is fors, ze past in de statistieken. Communiceren gaat in het echt beter dan aan de telefoon, al zijn er enkele momenten dat we langs elkaar heen praten. Ghanezen werken veel en zijn laat thuis, zegt ze. Dan gaan ze eten, zwaar Afrikaans voedsel, en daarna meteen slapen omdat ze de volgende dag vroeg op moeten.

Ze wil ons helpen: ze zal een paar mensen in haar omgeving vragen of ze met ons willen praten. En ze geeft ons advies. Alle Ghanezen luisteren naar Ghanese radiozenders of kijken Ghanese televisie, zegt ze. Ze nodigt ons uit in haar televisieshow en op de radio.

Dat lachen we weg. We zijn journalisten, we willen zelf geen aandacht. We willen alleen maar één gezin vinden dat we een tijdje mogen volgen. Een kind dat laat zien wat hij in zijn broodtrommel heeft, een ouder die vertelt wat hij ’s avonds kookt.

Daarvoor hoeven we zelf niet op de radio.

Die week gaan we voor het eerst naar de Bijlmer. Vanaf metrostation Kraaiennest lopen we naar vergadercentrum De Kandelaar, een verenigingsgebouw waar vijftien kerkgezelschappen huizen. “Gek he”, zegt Mirjam, omhoog wijzend naar de flats die we passeren, “achter één van deze ramen woont ons gezin; we weten nu alleen nog niet waar.”

We hebben een afspraak met Emmanuel Koney, spiritueel leider van de Pentecost Revival Church International; de Ghanese Pinkstergemeente. Hij is ook voorzitter van de Afrikaanse gemeenschap in Nederland. Zijn kamer is klein maar chic ingericht. Veel zwart, een groot bureau. De kast staan vol trofeeën, zoals de Hero Award. Aan de muur hangt de beroemde gospelregel Because he lives, I can face tomorrow.

Most people in our community die because they’re overweight”, zegt Koney. Zijn donkere pak laat zijn brede gebit, dat hij geregeld blootlacht, nog witter uitkomen. Hij vertelt dat Ghanezen hard werken en geen tijd hebben om naar de sportschool te gaan. In Ghana reisden ze te voet en zweetten ze het zware, zoute eten uit hun lichaam; hier is dat anders.

Toch gaat het nu allemaal beter, zegt Koney. Mensen beseffen volgens hem steeds meer dat ze gezond moeten eten. “I give them advice in the church. I said: I used to weigh 83 kilo’s, now I am 80! Now people know they should eat at 6 o’clock.

Als we weggaan nodigt hij ons uit voor een Afrikaanse bijeenkomst, vrijdag in de Bijlmer. Er is gratis Afrikaans eten, zegt hij, en er wordt gesproken over alles wat er in de gemeenschap speelt.

Emmanuel Koney is spiritueel leider van de Ghanese Pinkstergemeente en voorzitter van de Afrikaanse gemeenschap in Nederland

Emmanuel Koney is spiritueel leider van de Ghanese Pinkstergemeente en voorzitter van de Afrikaanse gemeenschap in Nederland. Foto Sascha Meijer

In een zaal op de eerste verdieping van vergadercentrum De Kandelaar staat een tafel met grote bakken eten: nasi, gebakken vis en fufu, het favoriete eten van Ghanezen. Het is een zetmeelachtige substantie, gemaakt van fijn gestampte cassave, yam of bakbananen. Op een tafel ernaast staan allerlei soorten drankjes: Fernandes in twee kleuren, vruchtensappen, aanmaaklimonade en ook een kannetje water. Als we met een bord eten een tafeltje zoeken achterin de zaal, worden we opgemerkt door een politieagent: “Zijn jullie van de IND?”

De avond blijkt georganiseerd om de afstand tussen – illegale – buurtbewoners en de autoriteiten te verkleinen. De politie is aanwezig, stadsdeelvoorzitter Tjeerd Herrema (PvdA) en, inderdaad, drie dames van de IND. De presentatie is in handen van Emmanuel Koney zelf, die zich voor de gelegenheid heeft gekleed in traditionele blauwe kente-kledij en het niet laat om iedereen die hij kent enthousiast door de microfoon welkom te schreeuwen. De voorzitter van de Nigeriaanse gemeenschap presenteert ook, maar doet dat beduidend rustiger. “Let op”, zegt de politieman waarnaast we zitten, “this is the Koney show.

De aanwezige instanties vertellen iets over hun werkzaamheden voor de buurt. De IND geeft twee presentaties over veranderingen in de vreemdelingenwet. Geprobeerd wordt om regeringsbeleid op een neutrale, heldere manier uit te leggen. De vragen die erover worden gesteld geven blijk van een zekere naïviteit, maar zijn tegelijkertijd van een verfrissende logica. Hoe kan het dat de regering detentie humaner wil maken, maar ook illegaliteit strafbaar stelt, vraagt iemand bijvoorbeeld. En als op de powerpoint staat dat de regering een tijdelijke verblijfsvergunning verstrekt aan studenten, vraagt iemand waarom dat niet voor Ghanezen in Nederland geldt. “In Ghana, I’m highly educated. I’m a lawyer. I could study here, I could work here.

Er zijn ook vragen van een heel andere orde:

“Is er wel genoeg plek voor onze doden?”

“Hoeveel geld kost het om mijn vrouw naar Nederland te halen?”

“Als mensen uit onze gemeenschap zelfmoord plegen, wat schrijven ze dan op de briefjes die ze nalaten? Zodat we ervan kunnen leren?”

Zo nu en dan interrumpeert Koney. Bijvoorbeeld op het moment dat een vrouw van de IND voor de zoveelste keer zegt dat mensen die niets crimineels hebben gedaan altijd op kantoor langs kunnen komen met vragen, zonder te worden opgepakt. “People are scared. They don’t know if they did something wrong. They’re not sure.

We zien veel mensen met overgewicht, maar over gezondheid gaat het niet. We beseffen dat problemen van illegale bewoners van de Bijlmer veelomvattender zijn dan obesitas. Geen geld, geen vergunning, weinig perspectief op verbetering.

Over gewicht durven we niet te beginnen.

In het vergadercentrum de Kandelaar huizen vijftien kerkgezelschappen. Foto Joram Bolle

Dat sociale factoren een grote rol spelen bij de oorzaak van overgewicht onder Ghanezen, blijkt uit een studie uit 2008. Daarin worden gewicht en lengte van de eerste generatie Ghanezen in Nederland, het Ghanese platteland en de stad met elkaar vergeleken. Er deden Ghanezen uit vier dorpjes in de Ashanti-regio in Ghana mee, zonder wateraanvoer en met zelfvoorzienende landbouw; uit regiohoofdstad Kumasi en Ashanti-migranten uit Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht en Den Haag.

Nederlandse Ghanezen blijken zwaarder dan Ghanezen uit de stad, en die zijn weer zwaarder dan Ghanezen uit de dorpjes. Het BMI ligt bij migranten een stuk hoger, zowel onder mannen als vrouwen. Mannelijke Nederlandse Ghanezen hebben bijna negentien keer meer kans op overgewicht of obesitas dan Ghanezen van het platteland. Mannen uit de Ghanese stad hebben ruim drie keer zoveel kans op overgewicht. Bij vrouwen is dit 12 en 4 keer. Ook als de cijfers zijn gecorrigeerd voor opleidingsniveau, blijven de verschillen intact.

Het is een van de eerste studies die is gedaan naar overgewicht en obesitas onder niet-westerse migranten. Er valt uit af te leiden dat het omgevingsfactoren zijn die verklaren waarom obesitas vaker voorkomt onder Ghanezen dan onder Nederlanders. Omstandigheden in Nederland die alleen gelden voor migranten.

Wij willen weten welke.

Word-Art en ComicSans

We bellen en bellen en bellen. Scholen, dokters, Ghanese organisaties. Er zijn er meer dan vijftig in de Bijlmer. Bijna geen enkele organisatie heeft een website. Namen van voorzitters leveren nul hits op op Google. Telefoonnummers krijgen we via via. Nooit weten we wat we aan de andere kant van de lijn kunnen verwachten: Nederlands of Engels, gebrekkig of verstaanbaar. De taalbeheersing onder Ghanezen blijkt een stuk slechter dan we dachten. Om onszelf zo duidelijk mogelijk te maken, schreeuwen we door de telefoon.

“We are journalists. We’re doing a project about health and weight in the community.”

Bijna altijd krijgen we te horen: kom maar langs. We vergaderen dan en dan. Vaak al voordat we goed en wel hebben uitgelegd wat we willen.

In krakkemikkige kantoortjes verspreid door de Bijlmer zitten we aan tafels. In het vergadercentrum De Kandelaar, waar maar liefst vijftien kerkgezelschappen huizen; op de eerste etage van een typisch flatgebouw, zoals je het kent van televisie-uitzendingen over de Bijlmerramp; of in een kale spreekkamer boven een apotheek. Tegenover ons de sleutelfiguren uit de Ghanese gemeenschap, vriendelijk en welwillend. Meestal moeten we een kwartier of langer wachten voordat onze afspraak verschijnt. We krijgen oploscappuccino, thee, of water.

Dan steken we van wal: of de persoon voor ons het probleem van obesitas in de gemeenschap herkent. Wat de oorzaken zijn en of de gemeente er iets aan doet. Dat we graag in contact komen met Ghanese mensen, om het verhaal over overgewicht te vertellen vanuit de mensen zelf, in plaats van ons alleen te richten op de cijfers. En ten slotte de hamvraag: of diegene misschien niet iemand kent?

Een telefoonnummer van een ‘gewone Ghanees’ volgt er nooit. Wel nummers van andere sleutelfiguren uit de gemeenschap, die ons misschien verder kunnen helpen. Of een uitnodiging voor een vergadering van een vereniging. Die vergaderingen zijn regelmatig en gaan over alles wat ook maar enigszins met de Ghanese gemeenschap te maken heeft.

Een flat aan de Bijlmerdreef. Foto Joram Bolle

“Waarom hebben jullie geen flyers?”, vraagt Nancy stomverbaasd als we in haar kantoor op de Bijlmerdreef uitleggen dat we graag met mensen uit de gemeenschap willen praten. Nancy is maatschappelijk werkster. Een paar middagen per week voert ze daarnaast als vrijwilliger gesprekken met Ghanezen die het moeilijk hebben. “Jullie moeten flyers hebben, dan kan ik die uitdelen als mensen hier langskomen.” Ze zegt het alsof het de grootste vanzelfsprekendheid is, dat journalisten flyers hebben als ze bronnen willen spreken. Ze raadt ons ook aan op de radio een oproep te doen.

We proberen zo goed mogelijk uit te leggen wat we willen: met mensen praten, zodat we er een artikel over kunnen schrijven. Nancy vraagt wat het nut voor de gemeenschap dan precies is. Dat gebeurt steeds, dat mensen ons vragen naar het voordeel voor de Ghanezen als groep. We zeggen dat we met ons artikel bewustzijn kunnen creëren in Nederland over de situatie van de Ghanese gemeenschap. Awareness, dat is alles wat we te bieden hebben. Geen financiële vergoeding, geen hulp in de vorm van voedingsadvies. Het wordt half begrepen, vermoeden we.

“Even testen”, zegt Nancy dan. “Roep die vrouw die in de wachtkamer zit maar even hierheen.” Ze houdt haar armen breed langs haar lichaam en spant haar lippen aan, om aan te geven wie ze bedoelt: de dikste.

De vrouw weegt, schatten we, minstens 150 kilo. Ze heeft een hele rits gouden oorbellen in. Wanneer ze zich voortbeweegt, zucht ze diep. Elke stap kost haar zichtbaar moeite. Als ze ziet dat de plek tegenover het bureau van Nancy al bezet is, door drie blanke jongeren, blijft ze afwachtend staan.

Dan steekt Nancy van wal.

They want to know why you’re so fat. Why you’re so fat?!

We krimpen ineen. Al drie weken zijn we bezig om met de grootst mogelijke voorzichtigheid de gemeenschap te benaderen... en dan dit.

De vrouw geeft niet echt antwoord. Ze wil graag afvallen, zeg ze. En ze is eenzaam. Ze is bijna de enige Ghanees die in Amsterdam-Noord woont. Daarom verhuist ze binnenkort naar de Bijlmer.

Nancy vraagt of ze een keer met ons wil praten. Dat vindt de vrouw goed. “Thank you, thank you”, zegt de vrouw als ze ons haar nummer op een briefje geeft.

Sascha grijpt in: we zijn journalisten, geen diëtisten, we kunnen haar niet helpen. De vrouw lacht en pakt Sascha’s hand. “God bless you.

Als ze de kamer uit is, vraagt Sascha aan Nancy of de vrouw nu denkt dat we diëtisten zijn. “Nee hoor”, zegt Nancy. Even later vraagt Sascha het nog eens. “Ja, dat denkt ze”, zegt Nancy dan.

flyer

De volgende dag maken we flyers. Van de afbeeldingen van Ghanezen die we op Facebook hebben verzameld, weten we waar ze van houden: kleurige letters, theatrale teksten en God. Voor het eerst sinds onze basisschooltijd maken we gebruik van Word-Art. Joram verzet zich hiertegen, maar gaat dan toch overstag en voegt er lettertype Comic Sans aan toe.

Omdat we geen stroom mails willen op onze persoonlijke e-mailadressen, maken we een nieuw adres aan: ghanahealthproject@gmail.com. De flyers brengen we naar Nancy. Zij ziet naar eigen zeggen soms wel twintig mensen per dag in haar praktijk. Dat moet toch íets opleveren. We hebben nog zeven weken tot de deadline.

Ghanezen in Nederland koesteren de eigen cultuur sterk. Deels omdat velen de taal niet spreken. Er is geen tijd om het te leren, zeggen ze. Dat gaat op aan werk en aan de kerk. Twee banen zijn geen uitzondering: van 7 uur ’s ochtends tot half 3 ’s middags en van half 6 tot 8 uur ’s avonds. In de schoonmaakbranche, de hotellerie of op Schiphol. Bovendien is de motivatie om Nederlands te leren niet heel groot. Met Engels, dat in Ghana op school wordt gedoceerd, komen ze al een heel eind. En de sociale kring is klein: collega’s komen ook uit Ghana, contact met Nederlanders is er nauwelijks.

Veel Ghanezen willen uiteindelijk weer terug naar Ghana. Daar schijnt de zon, daar is familie. Niet zelden is er nog een kind, achtergelaten toen vader of moeder op zoek ging naar een betere toekomst. “Als je als Ghanees niet terug wilt, wordt dat gezien als verraad”, zegt de Ghanese maatschappelijk zorgondernemer Phyllis Doll, ook ambassadeur van Helius. “Omdat dat betekent dat je bent vernederlandst.”

Ook de vele Ghanese organisaties zorgen ervoor dat de eigen culturele en religieuze gebruiken in stand blijven. Ze komen op voor de belangen van de Ghanese gemeenschap, en helpen Ghanezen met zaken als het invullen van officiële formulieren. Voor Nederlandse instanties fungeren ze als aanspreekpunt. Hun voorzitters, die vaak prima hun weg weten te vinden in de Nederlandse samenleving, vormen zo een soort intermediair tussen de Ghanese gemeenschap en de Nederlandse maatschappij. Het zijn de sleutelfiguren waar wij mee te maken hebben.

Kroket: één euro

Een paar dagen nadat we de flyer hadden gemaakt, werkten we in opperste concentratie aan een powerpointpresentatie over broodjes kroket en boterhammen met hagelslag.

Een van onze contacten, Asia Antwiwaa, had ons aan de telefoon uitgenodigd voor een bijeenkomst voor Ghanezen met een handicap of blessure. De bijeenkomst is drie keer per week en duurt van elf uur ’s ochtends tot een uur of vier ’s middags. Er wordt met elkaar gegeten en er zijn presentaties over ‘van alles’. Wij konden daar misschien wat mensen spreken, als ze wilden, maar dan moesten we eerst een presentatie geven, zo werd ons aangeraden. We zeiden nog eens dat we journalisten zijn, geen diëtisten, dat we eigenlijk niks hadden om te presenteren, maar het onderwerp maakt niet uit, zei Antwiwaa. Als we maar een presentatie hadden voor bereid.

Dus zodoende.

De tactiek was als volgt. We zouden onszelf introduceren en zeggen wat we van plan zijn: dat we als journalisten een onderzoek doen naar eetgewoonten onder de Ghanese gemeenschap. Eerst zouden we zelf iets over Nederlandse eetgewoonten vertellen, dan zouden we vragen naar die van hen. Over overgewicht moesten we later pas beginnen, adviseerde Antwiwaa ons.

De bijeenkomst is in een lichte ruimte op de Bijlmerdreef. Er staan tafels in een kring, daaromheen zitten zo’n vijftien mensen. Eén man in een rolstoel, een ander in een scootmobiel, de rest op stoelen. Voor de tafel hangt een groot televisiescherm. De lunch is nasi met pittige salade.

Antwiwaa vraagt ons hoe lang de presentatie ongeveer zal duren. Vijf à tien minuten, zeggen we. Ze kijkt afkeurend. “Dat is te kort.”

Vijftien minuten dan. We vertellen over Nederlandse voedingsgewoonten. Over ontbijt, dat vaak wordt overgeslagen, over taart bij verjaardagen op kantoor en over koffieverslaving. Het is doodstil. Een vrouw achterin knikt, de rest kijkt ons met een lege blik aan. Minstens twee mensen slapen. We kunnen niet inschatten in hoeverre we de groep voor ons beledigen: misschien is het niveau te Sesamstraatachtig en weten deze mensen allang wat appeltaart is. Omdat we niet weten wat we anders moeten doen, en omdat er toch één vrouw knikt alsof ze ons begrijpt, gaan we verder. Als we bij de lunch zijn aangekomen en vertellen over een broodje kroket dat je uit de muur kunt trekken bij de Febo, worden we voor het eerst onderbroken: “one euro”, klinkt het vanaf de achterste stoel.

Na de slides over de borrel en avondeten neemt Antwiwaa het over. In Twi, de moedertaal van de meeste Ghanezen. Er wordt nu zo druk geknikt dat we ons afvragen of ze er tot nu toe wel iets van begrepen hebben en als de naam ‘Sascha’ valt wordt er heel hard gelachen.

Dan ontstaat een discussie tussen twee vrouwen over de vraag of sportschool Fit for Free gratis is. Een man ligt onder de tafel van het lachen als Sascha zegt dat ze die avond gaat joggen in het park. Eén van de slapenden wordt wakker, een ander dommelt in. Als iemand zegt dat mensen in Afrika graag vaak en veel fufu eten, houdt ook een vrouw aan de andere kant van de tafel het niet meer. De vragen die ons worden gesteld in het vragenrondje, variëren van ‘hoe laat ontbijt jij’ tot ‘maakt het uit hoeveel een brood weegt’.

Onze gemoedstoestand is een mengeling tussen bevreemding, verwarring en ongemak. Door de vragen over eten voelen we ons blanker en dunner dan ooit. Met verheven stem en duidelijke articulatie zeggen we nog maar eens dat we géén diëtisten zijn. Het enige dat we kunnen doen is over ons eigen eten vertellen, zeggen we, zonder te willen zeggen dat dit het goede eten is.

We delen flyers uit en beloven twee dagen later terug te komen voor individuele gesprekken.

Een vrouw verkoopt Ghanees eten op het Kente Festival. Foto Joram Bolle

Twee keer per dag eten blijkt gebruikelijk onder Ghanezen. Sommigen eten zelfs maar één keer per dag. Calorierijk voedsel, grote porties. Rijst, fufu, cassave, bananen. “If I eat four times a day, I can’t move, lady”, zegt een vrouw die we spreken na de bijeenkomst. “It’s the fufu”, horen we meerdere malen, als we vragen of mensen het probleem van overgewicht herkennen. “We love fufu.” (We ontdekken een regel. Wil je een Ghanees aan het lachen maken, of het ijs breken: begin over fufu.)

De grote porties eten worden vaak gelinkt aan stress. Stress door de slechte mate van integratie. Brieven worden niet begrepen, met instanties kan niet worden gecommuniceerd. Er is druk vanuit Ghana om geld te verdienen. Die druk zorgt soms voor strijd binnen gezinnen: man en vrouw verdienen voor hun eigen familie. Van de Kamp: “The family in Ghana is hungry, the incassobureau calls. Ghanaians do more than they can.

Twee keer eten per dag blijkt gebruikelijk onder Ghanezen. Calorierijk voedsel, grote porties.

Bijna niemand die we spreken doet aan sport. “Mensen denken: ik doe fysiek werk, zoals schoonmaken, dus ik hoef niet meer te sporten”, zegt Nourideen Alhassan, voorzitter van Ghanese organisatie Recogin. Door de kleine leefomgeving, die zich afspeelt rond huis, kerk en werk, is er weinig beweging. Het is ook een kwestie van prestige, zegt de Ghanese maatschappelijk ondernemer Phyllis Doll. “Ze snappen niet dat je gaat fietsen of lopen als je een mooie auto hebt.”

De prestigecultuur werkt ook door op scholen. “Ouders kunnen geen 55 euro per jaar betalen voor schoolreisjes, maar komen wel met de duurste traktaties aan”, zegt een directeur van een basisschool in Zuidoost. “Er is een keer op eten van Kentucky Fried Chicken getrakteerd.”

Vinden Ghanezen dik zijn mooi? Dat dachten we, toen we aan ons onderzoek begonnen. De eerste generatie vond dik inderdaad mooi, omdat dat betekent dat je rijk bent. “Ghanezen houden van rondjes”, zei Alhassan. Maar inmiddels geldt dat niet meer. Dun is de norm. “We like a Coca-Cola bottle”, zegt Veronica van de Kamp. Maar als je dan, per ongeluk, toch dik bent, kun je er maar beter mee pronken.

Ghanezen met overgewicht vinden hun gewicht vooral onhandig. “It’s uncomfortable, I can’t walk fast to the metro”, zegt de één. “I don’t like it, people look at me at the street”, zegt de ander. Een vrouw zegt dat ze van haar dikke buik baalt, maar als we haar vragen wat ze van haar hoge bloeddruk vindt, zegt ze: “I don’t care.

Ghanezen komen dan ook zelden bij de huisarts voor overgewicht. Wel voor klachten die daaraan verwant zijn, zoals pijnlijke gewrichten. “Het wordt ze niet duidelijk dat ze moeten afvallen om die problemen te verhelpen”, zegt een huisarts wiens patiëntenbestand voor een kwart uit Ghanezen bestaat. Veel Ghanezen wachten lang met naar de dokter gaan. Ze spreken de taal niet en zijn onzeker over de kosten.

Jesus-AMC

Bijna alle Ghanezen gaan naar de kerk. Daarom proberen we ook via die weg met hen in contact te komen. Kwasi Oduro, een Ghanese gezondheidsconsulent, brengt ons in contact met pastoor Daniël Bediako.

Bediako woont in het pastoorshuis van de kerk, een luxe ingericht appartement in de Bijlmer. Eerder woonde hij in Ghana, Groot-Brittannië en de VS. Zijn tijd besteedt hij aan de kerk en aan zijn studie: seksualiteit vanuit een Christelijk-Afrikaans perspectief. Hij nodigt ons uit voor een gebedsbijeenkomst en de zondagse kerkdienst. Daar kunnen we misschien wat mensen spreken, of telefoonnummers krijgen.

Voor de zoveelste keer nemen we de metro naar halte Ganzenhoef. De rit kunnen we inmiddels dromen: bij Amstelstation rijdt de metro het daglicht in, bij Van der Madeweg dringt iedereen die richting Kraaiennest moet zich de metro uit om over te stappen. Vanaf dat moment kleurt de metro vrijwel geheel zwart.

De gebedsbijeenkomst is vrijdagavond in een zaaltje in de buurt van de Kandelaar. In het kantoor van Bediako, tussen boeken van Foucault en Simone de Beauvoir, spreken we een Ghanese man en vrouw, terwijl in de kamer ernaast door zo’n twintig mensen gebeden wordt. De man en vrouw die we spreken zijn keurig op gewicht, maar kunnen wel vertellen over het probleem in de gemeenschap. “Some people drink Guinness and then they eat fufu - then you can’t walk anymore.

Na een uur komt Bediako binnen: we hebben lang genoeg gepraat. Ze hebben al een gebed gemist, zegt hij. Aan het eind van de gebedsbijeenkomst krijgen we van zes mensen een telefoonnummer.

We hebben nog drie weken tot de deadline.

Opperhoofd Kwasi Oduro (met bril) op het Kente Festival. Foto Joram Bolle

Kwasi Oduro ondersteunt als gezondheidsconsulent een huisartsenpraktijk in Amsterdam-Zuidoost. Hij maakt zorg toegankelijker: hij spreekt de taal en kent de Ghanese cultuur. Mensen die bij hem komen, krijgen geen consult van tien minuten, maar van twintig. “De sociale component is er ook.”

Ghanezen hebben andere verwachtingen van de gezondheidszorg, blijkt uit onderzoek. Ghanezen vinden Nederlandse dokters weinig empathisch, doordat er weinig tijd is. In Ghana is de arts de expert en wordt er bij elk bezoek bloeddruk en hartslag gemeten, in Nederland komt de diagnose tot stand door dialoog. Dat geeft problemen, door de taalbarrière. Er is daardoor weinig vertrouwen in de Nederlandse gezondheidszorg. Vaak wordt gedacht dat medicijnen bijwerkingen hebben of worden voorgeschreven als test. Ghanezen zien de stress van het migrantenbestaan als belangrijke oorzaak van gezondheidsklachten en zouden daar graag praktische oplossingen voor krijgen. Bijvoorbeeld hulp bij administratie.

Bovendien is er een sterk geloof in natuurlijke medicijnen uit Afrika. “The western mind can’t take that”, zegt pastoor Bediako. Er wordt soms gedacht dat die medicijnen alles oplossen. “If I take medicine from Ghana, my high blood pressure goes away”, zegt een vrouw.

Dat de gezondheid en de verwachting van zorg bij etnische groepen verschilt, wordt langzamerhand steeds beter in kaart gebracht door onderzoek. Onderzoeker Charles Agyemang van het AMC, zelf van Ghanese afkomst, is er bij een aantal betrokken. Zoals bij Helius en het grootschalige Rodam, mede gefinancierd door de EU, dat gegevens van Ghanezen in Amsterdam, Berlijn, Londen en de Ghanese stad en het Ghanese platteland met elkaar vergelijkt. “De cijfers laten zien dat de samenleving actie moet ondernemen”, zegt hij. “Als mensen door overgewicht uiteindelijk een beroerte krijgen en daarmee in het ziekenhuis belanden, is dat erg kostbaar. Voorkomen is goedkoper.”

Behandelmethoden werken vaak niet voor Ghanezen, zegt Agyemang. “Ze zijn gebaseerd op de Europese moraal.” Hij vindt dat het Nederlandse gezondheidssysteem moet worden aangepast. “We leven in een multi-etnische samenleving. 35 procent van de bevolking in Amsterdam bestaat uit niet-Westerse allochtonen. Als we die mensen ook willen helpen, zullen we ons niet meer moeten baseren op gegevens van de blanke meerderheid.”

Als we twee dagen na de gebedsbijeenkomst op weg zijn naar een kerkdienst in de Bijlmer, komen we Kwasi Oduro tegen. Hij zwaait. Na zeven weken voelt de Bijlmer steeds vertrouwder.

De kerkdienst is in een zielloos centrum waar meerdere kerkgezelschappen huizen. Bij de ingang kun je voor een euro koffie of thee kopen. Een vrouw verkoopt Björn Borg-onderbroeken uit een grote Lidl-tas. Van de Dolle Dwaze Dagen, een paar dagen daarvoor, vermoeden we. Maar haar prijs is hoger. Rijen witte plastic stoelen dienen als kerkbanken. Er had hier ook een ledenvergadering van een politieke partij kunnen zijn.

Maar zodra de dienst begint, verandert de treurige ruimte in heilige grond. Warme stemmen en een aanstekelijk ritme bevrijden de zaal van haar anonimiteit. Iedereen staat, danst, zingt, swingt. De vrouwen zijn gekleed in kleurige kente-kledij: de haren opgestoken, gezichten opgemaakt.

Bediako houdt zijn dienst met een lach. Hij wisselt ernst af met anekdotes, woorden over zonden met grapjes over de immigratiedienst en ongeloof. “If you don’t believe in God, I take you to Jesus-AMC.” Omdat wij er zitten, vertaalt hij in het Engels. Een paar keer richt hij zich tot ons: “I speak to you, Mirjam and friends.

Aan het eind van de dienst, drie uur later, roept hij ons naar voren. Hij vertelt dat we journalisten zijn en onderzoek doen naar gezondheid in de gemeenschap. Hij zegt dat we graag mensen zouden spreken. En dat we verplicht zijn informatie anoniem te houden. “Don’t be afraid that they’ll publish your information, because they’re not allowed to.

Wij mogen ook wat zeggen, achter het spreekgestoelte. ‘Niet te lang’, zegt Bediako nog snel. Omdat hij alleen Mirjams naam kent, neemt zij het woord. Ze zegt, voor de zoveelste keer, dat we graag het menselijke verhaal willen vertellen, in plaats van alleen de statistieken. En dat er afspraken gemaakt kunnen worden over wat wel en niet openbaar wordt. Ruim honderd ogen kijken haar aandachtig aan. Het is muisstil.

Het levert een schamele twee briefjes op met telefoonnummers.

Dan stapt Kwasi Oduro naar voren. Hij begint een verhaal in Twi. Wat hij heeft gezegd weten we niet, maar aan het eind van de dienst hebben we dertien briefjes met telefoonnummers.

Later horen we van een aanwezige wat hij zei: “Deze meisjes en jongen hadden jullie kinderen kunnen zijn. Help ze, zoals je wilt dat je kinderen geholpen worden.”

Negentien telefoonnummers, de resultaten: de meeste mensen hebben twee banen en zijn te zwaar, een derde heeft suikerziekte of een hoge bloeddruk. Een enkeling heeft daar een aantal jaar geleden iets aan gedaan, op advies van de dokter, en is sindsdien nu op gewicht. Meer mensen zijn weleens bij een diëtist geweest, maar gestopt ‘want het hielp niet’. Niemand sport. De meesten eten twee keer per dag warm.

Niemand heeft een klassiek gezin, zoals wij dat voor ons zagen aan het begin van onze zoektocht: vader, moeder, twee of drie kinderen.

De meeste mensen zijn hier tien, twintig of zelfs dertig jaar geleden naartoe gekomen. Alleen. Soms is er een kind in Ghana achtergelaten, soms is hier een nieuw kind verwekt. Maar dat woont in alle gevallen al op zichzelf.

De inbox van ons e-mailadres, ghanahealthproject@gmail.com, is nog altijd leeg.

Fufu

Op één van de bijeenkomsten waar we komen, ontmoeten we mevrouw Badu, die ons uitnodigt om een keer fufu bij haar thuis in de Bijlmer te komen eten.

Mevrouw Badu is 42 jaar maar ziet er veel jonger uit, net als alle andere Ghanezen die we ontmoeten. Ze praat openhartig voor de camera over het Afrikaanse eten dat ze aan het bereiden is. Van yam, een eetbare wortelknol, word je bloed schoon en ben je in één keer weer gezond, zegt ze. Van de pepers gebruikt ze er normaal drie maar nu maar één, “because you white people can’t eat too much peppers”. Van de palmcrème wordt in Afrika bier en gin gemaakt.

Speciaal voor ons heeft Badu het beste vlees ingeslagen dat er is. “Very expensive, but delicious. Very good”, zegt ze steeds als ze het erover heeft. We zijn benieuwd, zeggen we.

Foto van een bever

Op haar fototoestel toont ze ons een foto van de delicatesse. Sascha, vegetarisch, maar van tevoren bereid om dat voor één avond overboord te zetten, slaakt een kreet. “I don’t know the name”, zegt Badu, “you also have it here in the woods. It’s very good.

Op de foto staat, voor zover we het kunnen thuisbrengen, een dood, geroosterd knaagdier. Het is te groot voor een cavia en te klein voor een marmot. Het lijkt op een doodgereden rat, maar als we dat zeggen, kijkt ze alsof we gek zijn: “We don’t eat rat.

It’s in a commercial”, zegt Badu, en even denken we opgelucht dat dit betekent dat het vlees ook gewoon bij Albert Heijn te verkrijgen is. Maar dan krijgt Joram een ingeving. “Het zal toch niet...” We tikken het in op YouTube, laten het Badu zien, en jawel: als er een knaagdier hoog de lucht in springt richting een Chaudfontaine-fles, knikt ze hevig van ja.

Reclame met een bever

Bever. Het is bever. Het in stukken gescheurde vlees wordt in de pan gevoegd bij een niet nader geïdentificeerd gedeelte van een varken, wat blanke mensen volgens Badu niet eten, omdat het te hard is. Ondertussen vertelt ze over het bevervlees, dat ze koopt in een Ghanese winkel om de hoek. Het is nog duurder geworden sinds het niet meer via Schiphol geïmporteerd mag worden, zegt ze. Nu komt het per schip vanuit Ghana, “like cocaïne”. Voor een dode bever betaal je vijftig euro.

Sascha is even een luchtje scheppen op de gang.

Als de fufu klaar is ruikt het zo erg naar sterke kruiden dat onze ogen tranen en onze kelen droog zijn.

Joram constateert enigszins opgelucht dat er ook varken bij de beversaus zit. “I’m Jewish, so...” Sascha besluit dat het overboord zetten van vegetarische principes voor een bever toch te ver gaat. ‘Kip had ik nog wel getrokken’, fluistert ze, ‘sorry’.

Dus rust de redding van onze beleefdheid op de schouders van Mirjam. De bever smaakt droog en kruidig.

“Ghanezen willen wel afvallen, maar in een hoekje, alleen”, zegt Doris Vidda.

Ze is voorzitter van Vice Versa, een organisatie voor Afrikaanse migranten. Vandaar dat de Health Battle Zuidoost, een initiatief van de gemeente Amsterdam, geen Ghanezen aantrok. Het is een afvalrace van drie maanden waaraan twintig deelnemers met obesitas meedoen. “Ghanezen zullen zich nooit opgeven voor zoiets en in het openbaar laten zien dat ze dik zijn.”

Ook onderzoekers kost het moeite de gemeenschap te bereiken. De Heliusstudie heeft een slimme campagne moeten voeren om deelnemers te verwerven voor het onderzoek. “We hebben veel contact met sleutelfiguren”, zegt communicatiemanager Julie Vroom. “Zij weten wat er speelt binnen hun gemeenschap. Zo geven we presentaties in Ghanese kerken en zijn we geregeld op de Ghanese radio en tv.” Het heeft effect: mensen willen graag meewerken aan het onderzoek. “Ze hebben het gevoel dat er iets gebeurt voor hen als groep.”

‘We have a caller here’

Toch maar op de radio.

Het is onze laatste kans op het vinden van een gezin. We hebben nog twee weken. Het is ons in de afgelopen weken vaak geadviseerd. En we hebben inmiddels al een presentatie gegeven, een flyer gemaakt (met foto) en in de kerk gesproken. Dan kan dit er ook nog wel bij.

Het radiostationnetje, Akasanoma FM, is tegenover het kantoortje van Nancy, in een groot kantoorgebouw vlakbij Bijlmer-Arena. Het is zaterdagmorgen half 11. De vrijdagnacht gonst nog na in onze hoofden. Ieder twintig euro op zak, want we moeten betalen voor dit radio-optreden. Daartegen hadden we eerst ethische bezwaren, maar toen we beseften dat we niet betalen voor informatie, maar voor zendtijd en we van Helius hoorden dat het gebruikelijk is een kleine bijdrage te leveren omdat de stationnetjes het moeilijk hebben, gingen we overstag. En ja, die ethische grenzen, die hadden we deze acht weken ten slotte al vaker opgerekt.

Zestig euro voor vijfenveertig minuten.

Daar zitten we dan: Sascha en Mirjam, koptelefoon op, microfoon voor de mond. Joram filmt. De presentator stelt goede vragen. Waar het stuk gepubliceerd zal worden, bijvoorbeeld. Voor het eerst in acht weken tijd hebben we het gevoel dat onze bedoelingen worden begrepen.

Twee keer wordt er gebeld met een vraag. Waarom we geen oplossing geven maar alleen het probleem aankaarten. “A solution is what we need, because we already know the problem.” En waarom we ons alleen op de Bijlmer richten. In ons beste Engels geven we antwoord. De verslaggever noemt ons e-mailadres en telefoonnummer.

Acht weken geleden hadden we nooit gedacht dat we hier nu zouden zitten. Op zaterdagmorgen, in de Bijlmer. Voor een Ghanese radio-uitzending. In het Engels. Waarin ons telefoonnummer de wijde wereld in wordt gegooid. Waarin we vragen beantwoorden van bellers. Vragen die blijk geven van een heel ander wereldbeeld dan de onze.

Maar het voelt vertrouwd, vanzelfsprekend bijna, en voor het eerst zijn we niet verrast of verbaasd over de gang van zaken.

De radio-uitzending levert ons één telefoontje op. De inbox van ghanahealthproject@gmail.com is nog altijd leeg. Bij een vrouw die we via de kerk ontmoetten mogen we misschien filmen, maar na een week bedenktijd zegt ze toch af. Ze wil niet de hoofdpersoon van het filmpje worden.

Onze tijd is op.

De leefwereld van veel Ghanezen speelt zich vooral af rond huis, werk en kerk. Foto Joram Bolle

If your clothes are dirty, don't wash it outside.

Het is een veelgebruikt spreekwoord onder Ghanezen. Er was eens een Ghanese vrouw, die in de jaren tachtig aan een journalist van De Telegraaf vertelde over schijnhuwelijken. De vrouw was net nieuw in de Bijlmer. Het werd groot nieuws. Maar met de vrouw kwam het nooit meer goed in de gemeenschap.

We ontmoetten tientallen Ghanezen en hun sleutelfiguren. Pleegden meer dan honderd telefoontjes. Kwamen in kerken, buurthuizen, verenigingen. We waren overal heel welkom. Maar een gezin vonden we niet.

Een beeld van het probleem van overgewicht in de Ghanese gemeenschap hebben we wel. Het is een veelzijdiger probleem dan we van tevoren dachten. Het is niet alleen het eten, dat eentonig is, te zwaar voor het Nederlandse klimaat en waar de porties te groot van zijn. Het is niet alleen de beweging, die Ghanezen maar weinig hebben, omdat ze met het openbaar vervoer gaan en een kleine leefruimte hebben. Het is ook niet alleen een geldkwestie, waardoor Ghanezen veel hetzelfde eten – ook nasi en bami, dat ze hebben afgekeken bij de Surinamers in de Bijlmer.

Er is te weinig kennis bij Ghanezen over voedsel, omdat ze vaak niet ingeburgerd zijn. De Nederlandse gezondheidszorg sluit niet goed aan op verwachtingen van Ghanezen, waardoor ze weinig vertrouwen hebben in artsen en zich onbegrepen voelen. We constateerden ook een soort onverschilligheid. Ghanezen hebben wel wat anders aan hun hoofd dan hun figuur. En als het dan al een issue is, dan vaak niet om gezondheidsredenen. Overgewicht is vooral oncomfortabel.

En – en dit hebben we de afgelopen weken vaak gehoord en gezien - Ghanezen hebben veel stress. Er is druk vanuit Ghana om veel geld te verdienen. Familie zit elders, zware banen betalen slecht. Omdat veel Ghanezen de taal niet begrijpen, kunnen ze niet communiceren met instanties. Dat zorgt voor stress. “Wat zouden jullie doen, als je vriend of vriendin het uitmaakt?”, vroeg gezondheidsconsulent Kwasi Oduro ons. “Juist, dan ga je eten. Eten als troost.”

Epiloog

Het is een zachte dag voor het najaar, de zon schijnt laag over de Bijlmerdreef. Voor de groep gehandicapte Ghanezen staat een blanke man Nederlandse les te geven. Op de powerpointpresentatie achter hem staan plaatjes en woorden. Supermarkt, boodschappen, varkensvlees, winkelwagentje.

Eerder stonden wij hier, voor een powerpoint met plaatjes van boerenkool, rookworst en Heineken. Nu zijn we terug voor individuele gesprekken met Ghanezen uit de groep. Eén van hen, een welbespraakte, oudere man in een scootmobiel, met chique hoed en stijlvolle bril, wil graag met ons praten.

Miss, let me tell you something. When it comes to obesity in the community, there are three things that matter. First, it’s the weather. In Ghana there’s always sun. Second, it’s the food. In Ghana we eat heavy food, because you walk and sweat. Not the kind of food you need here. And third, it’s the system. The system for us, black people.

A lot of brothers and sisters are damaged and depressed. In Ghana, when you have problems with your electricity, you go to an office. Here you don’t see anybody, you just find a letter in your postbox. It makes you stressed up. And then you get another letter about your immigration situation. That makes you nervous.

Op de achtergrond horen we de docent vragen of iemand weet wat Nederlanders zeggen bij het afscheid nemen. ‘DOEI!’, antwoordt een man in een rolstoel. Dat is fout, volgens de docent. Tegen mensen die niet je vrienden zijn, zeg je ‘tot ziens’ - ‘doei’ is onbeleefd, net als ‘hallo’.

De man met de hoed vervolgt zijn verhaal.

I’m here. I have my immigration. I have my house. I have my scootmobiel. I can go to the doctor. The system works efficiently here. There’s no corruption. But there’s another side… and that gives a lot of stress. The majority of the people isn’t legal. Their life isn’t comfortable.

You see: it’s not just the food. The food is a contributional factor. But it is important, because the food reminds them of home.

De Nederlandse les is afgelopen. De docent pakt zijn spullen in. ‘Doeg’, horen we hem zeggen als hij de ruimte verlaat.

Dit artikel kwam tot stand door een samenwerking van studenten van de masteropleiding Journalistiek en Media van de Universiteit van Amsterdam en nrc.nl.

Binnen de Ghanese gemeenschap is er ophef ontstaan over deze productie. Daarom is er negen weken na publicatie een bijeenkomst geweest met een aantal geïnterviewden en sleutelfiguren uit de Ghanese gemeenschap. De meeste geïnterviewden hebben daarbij aangegeven zich niet te herkennen in het beeld dat van de gemeenschap wordt geschetst.

De metro vanaf station Ganzenhoef, naar huis. Foto Joram Bolle