Carnaval

Hoe ik dit jaar naar carnaval ga? Als cowboy, maar dan wel in een speciaal cowboypak. Ik doe mee in de optocht. Op een haperende kar met lekke banden, die wordt voortgetrokken door een tractor van de overheid.

Ik draag geen nichterige ruitjesblouse, maar een smetteloos wit overhemd, een mooie stropdas en het pak zelf is uiteraard een krijtstreep. Verder heb ik twee holsters voor mijn mobiele telefoons om het contact met de andere cowboys te onderhouden en in het pak komen heel veel grote diepe bonuszakken. Binnenzakken, broekzakken, kontzakken, borstzakken en nog wat extra geheime zakken in de broekspijpen. Al die zakken zie je niet omdat dat in de cowboykringen ordinair is.

En ik lal! Ik lal uitbundig op hockeytoon. Een zeer bekakt la-la-la-la verlaat mijn hete aardappelkeeltje. En ik zorg dat ik op de kar op een podiumpje sta zodat ik op het volk kan neerkijken.

Misschien is het een leuk idee om iets te weinig diesel in de overheidstractor te doen zodat het volk tegen het einde moet duwen. Als beloning krijgen ze een biertje van mijn bonus. Dat dat uiteindelijk van hun eigen geld is, hebben ze toch niet in de gaten.

Ze moeten duwen omdat de optocht anders niet verder kan. Dan gaan de auto’s achter me toeteren en dat verstoort de gezellige meezingmuziek. Wie er achter me rijdt? Een door de Rabobank gesponsorde bezemwagen, die bestuurd wordt door een blinde man die erg aan Mart Smeets doet denken. Hij ziet niet wat de toeschouwers wel zien en botst steeds zogenaamd overal tegenop. Op de wagen staat een complete kliniek vol kampeerbedjes en aan stomerijhangertjes bungelende infusen. Op de bedjes liggen in gele truien gehulde wielrenners, die opvallend veel gelijkenis tonen met Rasmussen, Dekker, Nelissen, Armstrong en andere patiënten.

Alleen Michael Boogerd is er niet bij omdat die nooit uit de epopot gesnoept heeft. Je mag iemand niet nodeloos kwetsen.

Op de kar staat een dokter met de naam Jansen Steur, die allemaal poedertjes in een kookpot flikkert en op de zijkant hangen meerdere namen: Ruwaard Ziekenhuis, Medisch Spectrum Twente, de VU. Een Oerlemans-lookalike filmt het hele zootje stiekem. De wielrenners zijn te verward om het door te hebben. Het volk zwaait naar de fietsers. Men moedigt ze aan.

Daarachter rijdt een mooie Aziatische kar met allemaal eenarmige Chinezen, die vrolijk lachen. Heel vrolijk lachen zelfs. Ze hangen dubbel van de pret over de reling van de carnavalswagen. Op die wagen staan fruitautomaten zonder fruit. Alleen voetballetjes.

Tussen die automaten staan op Messi, Ronaldo en Rooney gelijkende spelers, grote sommen geld puilen uit hun voetbalbroekjes. Zij wisselen voortdurend van shirt. Alleen Messi niet. Verder wassen zij hun handen in een wasbak waar heel groot het woord onschuld op staat.

De kar wordt bestuurd door een opblaas-Platini, die steeds schouderklopjes krijgt van een op Blatter lijkende bejaarde. Zij wuiven naar mij, de cowboy in de krijtstreep op de voorste wagen en ik steek voortdurend mijn duim naar de mannen op. Als teken dat het goed gaat.

De laatste kar is oranje met prins pils in een kermende hermelijnen koningsmantel. De mantel leeft nog en wordt medelijdend gestreeld door een zogenaamde Marianne Thieme. Het bloed dat eruit loopt wordt in emmers opgevangen door een namaak-Zorreguieta, die die emmers behendig wegmoffelt. Zijn dochter wuift en heeft een doorlopende traan op haar wang.

Ook zij zoekt af en toe contact met mij en ik steek nu zelfs twee duimen op om te zeggen dat het goed gaat. Het gaat goed. Het gaat hartstikke goed.

Boven de optocht cirkelen twee helikopters. In de ene zit die bolle Sjuul van De Telegraaf en in die andere die gladde Rutger van Geen Stijl. Zorreguieta belt mij op een van mijn telefoons.

„Zal ik ze uit hun vliegmachientjes laten flikkeren?”, vraagt hij discreet.

Ik stel voor het gezellig te houden. Het is carnaval. Het begin van een vastenperiode, die wel eens veel langer dan veertig dagen kan gaan duren.

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief